Artikelen

 

Een groene toekomst is er alleen voor de rijken: de eco-elite

De verduurzaming van Nederland leidt tot een nog ongelijkere verdeling van schone en leefbare ruimte, zegt sociaal wetenschapper Shivant Jhagroe. De eco-elite verschuilt zich in lommerrijke wijken, de grijze rest is voor de armen.
 Hans Marijnissen  

Beeld uit de film ‘Elysium’, die gaat over een droomwereld met fraaie woningen in een groene omgeving, met schone lucht. Op de grijze aarde zijn de ‘milieupaupers’ achtergebleven. ©-

Oké, ‘Elysium’ (2013) is maar een sciencefictionfilm, maar volgens de Leidse wetenschapper Shivant Jhagroe is de film in het debat over de vergroening van Nederland heel goed bruikbaar. In het jaar 2154 heerst er op de overbevolkte en sterk verontreinigde aarde armoede, en de rijke elite is inmiddels uitgeweken naar ruimtestation Elysium.

Als je niet bereid bent om alles voor duur­zaam­heid aan de kant te zetten, doe je al niet meer mee. Veel mensen hebben die luxe niet Sybrand Buma, CDA-leider

In een enorme holle cirkel is een droomwereld aangelegd met fraaie woningen in een groene omgeving, met schone lucht, en alle zorg is voorhanden. Op de grijze aarde zijn de ‘milieupaupers’ achtergebleven. Hoofdpersoon Max is daar bij een bedrijfsongeval blootgesteld aan een dodelijke chemische stof en heeft nog maar vijf dagen te leven. Alleen de behandeling in Elysium kan hem redden. Anderhalf uur later zullen de kijkers weten of het Max lukt het gat tussen de have’s en de have-nots te overbruggen. Een ding is zeker: dat wordt vechten.

Revolte

CDA-leider Sybrand van Buma waarschuwde vorige week in weekblad Elsevier voor een tweedeling die in de toekomst kan leiden tot een revolte rond het thema duurzaamheid, net als in de tijd van Pim Fortuyn. ‘Als je niet bereid bent om alles voor duurzaamheid aan de kant te zetten, doe je al niet meer mee. Veel mensen hebben die luxe niet’, zei hij. Is die revolte van Buma het begin waar Elysium het einde is?

Shivant Jhagroe, sociaal wetenschapper ©Angeline Swinkels | fotograaf

“Laat ik beginnen met te zeggen dat Buma zich wel zorgen kan maken, maar dat zijn neo-liberale koers eerder de veroorzaker van zijn voorspelde revolte is dan dat deze bijdraagt aan de voorkoming daarvan”, zegt Jhagroe. “Dit kabinet zegt: ‘Vergroening? Do it yourself’. Vind je het dan gek dat de kansrijken de mogelijkheden benutten? Maar hij heeft wel een punt. De film Elysium is weliswaar een overdrijving van de toekomst, maar kijk naar de praktijk van vandaag. Sinds het jaar 2000 zijn er meer klimaatvluchtelingen dan oorlogsvluchtelingen en naar schatting zijn er daar in 2050 meer dan 150 miljoen van. In Europa overlijden jaarlijks een half miljoen mensen als gevolg van verontreinigde lucht. Die cijfers laten niet alleen de slachtoffers van het milieu zien, maar ook dat die vallen onder mensen die ook op andere vlakken minder kansen hebben. Ze wonen op de slechte plekken, zijn armer en laagopgeleid. Ruimteschip Elysium bestaat dus al, in de mooie groene wijken waarin vooral de witte burgers allemaal erg ‘duurzaam’ leven.”

Shivant Jhagroe, die aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam promoveerde op de politieke betekenis van stedelijke verduurzaming, krijgt zelden applaus. “Áls de handen op elkaar gaan, is dat uit beleefdheid”, zegt hij. Maar dat deert hem niet. De sociaal wetenschapper zwemt tegen de stroom in. Hij wil inspireren én irriteren, juist om andere denksporen mogelijk te maken.

Vooral in de discussie over duurzaamheid en de aanpak van de klimaatproblemen is dat hoognodig. “Na tien jaar debat over de vergroening van Nederland is er vooral een dor landschap ontstaan.” Nederland lijdt volgens Jhagroe aan wat hij met een lelijk woord ‘duurzaamheidsvermoeidheid’ noemt.

Dat groene leven is een lifestyle van de happy few, van de rijke eco-elite met kansen, op allerlei gebied Shivan Jhagroe, sociaal wetenschapper

Die vermoeidheid is volstrekt misplaatst, zegt hij. Het gaat volgens Jhagroe juist helemaal de verkeerde kant op. “Duurzaamheid heeft de afgelopen jaren meestal de bestaande ongelijkheid vergroend. Dat groene leven is een lifestyle van de happy few, van de rijke eco-elite met kansen, op allerlei gebied. We hebben een soort groen kapitalisme gecreëerd. Terwijl om echte veranderingen teweeg te brengen, de massa bereikt moet worden. Niet alleen vanwege het gelijkheidsdenken, maar omdat vergroening van de elite weinig zoden aan de dijk zet. Er is massa nodig om de uitstoot in te dammen.”

Als vergroening vanuit de neo-liberale politiek aan de vrije markt wordt overgelaten, vergroot deze de ongelijkheid eerder, benadrukt Jhagroe. Een tweede methode van de vergroening, via allerlei burgerinitiatieven, heeft precies hetzelfde effect. Alleen mensen met een goed netwerk en een stevige achtergrond doen mee met de stadstuin of de energiecoöperatie.

Kloof

Naast zijn eigen onderzoek verwijst Jhagroe naar een serie rapporten van andere onderzoekers die de kloof tussen de ‘rijke groenen’ en de ‘arme grijzen’ blootleggen. Onderzoeksbureau CE Delft bijvoorbeeld berekende dat in 2017 750 miljoen euro aan subsidies en belastingvoordelen is verdeeld in het kader van het klimaatbeleid. Slechts een vijfde is maar aan de armere huishoudens besteed. In een ander rapport laat datzelfde CE Delft zien dat bij ongewijzigd beleid armere huishoudens in 2050 3,5 keer zoveel aan kosten in verband met klimaatbeleid moeten ophoesten dan rijke. Ze betalen relatief gezien meer belasting en de energierekening in hun minder goed aangepaste woning is hoger. Die huishoudens zijn dan in totaal 17 procent van het besteedbaar inkomen kwijt aan deze maatregelen.

Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) liet in de publicatie ‘Kiezen bij de kassa‘ zien dat ‘bewust consumeren’ vooral een hobby van de hoogopgeleiden is. Biologische groenten en vlees zijn voor de laagopgeleiden niet te betalen. Een elektrische auto al helemaal niet. Een overzicht van de laadpalen toont dat die vooral in de rijkere buurten staan. SCP-directeur Kim Putters waarschuwde daarom onlangs dat de verduurzaming van Nederland de sociale tegenstellingen dreigt te vergroten.

Geweldig, de Tesla, maar ook ge­weld­da­dig. Het kobalt wordt door kindslaven gedolven.

Als ik u zo hoor, bent u faliekant tégen het woord ‘duurzaamheid’ omdat dit verhullend werkt, maar ook tegen het verschijnsel: de vergroening van Nederland vergroot volgens u de verschillen.

Shivant Jhagroe: “Gebruik drie keer het woord duurzaamheid en je hebt subsidie. Ik ben tegen het woord en stel voor het eens een maand helemaal niet te gebruiken. Het is een containerbegrip geworden, waar niemand tegen kan zijn. Duurzaamheid verblindt, daarom gaat er zoveel mis. Laat dat woord weg, en vervang het door een ander, duidelijker begrip. Hebben we het dan over milieu, of achterstand, of armoede, of migratie? Pas dan kan ook duidelijk worden voor welke problemen we een oplossing zoeken.”

Het voordeel van een economische benadering van duurzaamheid is dat als er geld mee verdiend wordt, innovaties ook echt beklijven.

“De vraag is of die duurzame producten of diensten wel echte oplossingen zijn, als zij maar door een klein deel van de bevolking kunnen worden gekocht. De elektrische Tesla is een geweldige uitvinding, maar ook een gewelddadige. Het kobalt dat in de accu zit, wordt volgens Amnesty International door kindslaven in Congo gedolven. Fijne schone auto, en onbetaalbaar. In de supermarkt liggen naast de bananen met een keurmerk, de ‘grijze’ bananen voor één euro per kilo. Even afgezien van de vraag wie die schone producten kan betalen, is er het vraagstuk of de schone variant wel de juiste oplossing is. Je zou je bijvoorbeeld kunnen afvragen of we in Nederland al die geïmporteerde bananen wel in die hoeveelheden moeten willen. En dan de Tesla: is het niet beter om het openbaar vervoer te verbeteren zodat iederéén elektrisch kan rijden: met de lightrail? Dan komen we eindelijk weg van de groene privileges van de elite. Die als enige geld heeft om ‘goed te doen’ door ‘groen te doen’. Daardoor ontstaat echt geen betere wereld, hoogstens een fijn gevoel.”

Nederland staat voor een enorme opgave om aan de doelstellingen voor het Klimaatakkoord te voldoen. Hoe halen we die als de markt en het particulier initiatief níet langer meedoen?

“Daar pleit ik ook niet voor, wel voor een veel grotere rol van de overheid. Schone lucht en de gezondheid van burgers lijken mij bij uitstek publieke verantwoordlijkheden, staatszaken. Maar de overheid heeft zich inmiddels zo ver van die zorgplicht teruggetrokken, dat een organisatie als Urgenda naar de rechter moet stappen om die publieke verantwoordelijkheid op te eisen. ‘Op te dringen’ is misschien beter gezegd. Dat heeft de rechter ook in niet mis te verstane bewoordingen gedaan. Milieudefensie doet precies hetzelfde als zij Shell aansprakelijk stelt voor het mede veroorzaken van de gevaarlijke klimaatverandering. Het klimaatbeleid moet vooral een zaak van de politiek zijn, en daarmee ook de verduurzaming van Nederland. Zij heeft als opdracht de gehele bevolking een schone toekomst te bieden. En dan heb je het plotseling niet langer over de dunne groene laag die over onze samenleving wordt gelegd, maar over het verkleinen van maatschappelijke verschillen.”

Dat is wel een enorme klus. Hoe kan die in het kader van het klimaatbeleid worden geklaard?

“De overheid heeft allerlei knoppen en handels waarmee duurzame ontwikkeling kan worden gestuurd. Neem de besteding van de sub-sidie voor zonnepanelen. Die gaat nu vooral naar de particuliere woningeigenaren. Kunnen die rijkere huishoudens de panelen niet zelf betalen? Je zou met die subsidie ook de woningcorporaties kunnen stimuleren de sociale woningbouw aan te pakken. Daardoor wordt er straks niet alleen minder fossiele brandstof gebruikt, maar huurders krijgen in de toekomst ook een lagere energierekening. Duurzaamheid en de verkleining van de sociale verschillen gaan zo hand in hand. Dat is ook een voorwaarde. Hetzelfde geldt voor het stimuleren van biologisch voedsel en het verminderen van vleesconsumptie. Met belastingen en beloningen kan een koers worden gevaren die de kloof niet vergroot, maar via vergroening juist verkleint. Radicale duurzaamheid, noem ik dat, er zou geen andere moeten bestaan.”

 

Lees ook:  Nederland is rijk, maar scoort superslecht op duurzame ranglijsten
Wie alleen naar geld kijkt, ziet dat het in Nederland heel goed gaat. Wie breder kijkt ziet dat de welvaart ten koste gaat van het milieu.
. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .

 


Duurzame energie opslaan in een weckpot

Mensen kijken uit een dakraam met rondom zonnepanelen

In de winter energie gebruiken die de zomer daarvoor is opgewekt. Het kan met een Ecovat. Een enorme ondergrondse warmtebuffer, die dient als opslag voor zonnestroom en windenergie. In Arnhem vindt binnenkort een grootschalige demonstratie plaats.

Opslag was tot nu toe een belangrijke ontbrekende schakel in de transitie naar duurzame energie. ‘Je moet een Ecovat zien als een grote weckpot onder de grond, gevuld met grondwater. Met een diameter én diepte van ongeveer 32 meter. vertelt Aris De Groot, directeur van Ecovat.

Koel in de zomer, warm in de winter

Een netwerk van duurzame stroomopwekkers voedt het Ecovat. Bijvoorbeeld zonnepanelen en windmolen. Het vat zet opgewekte elektriciteit om in warmte, waardoor het water in het vat opwarmt. De temperatuur kan oplopen tot 90 graden Celsius. Die warmte blijft lang bewaard, vanwege goede isolatie. Na zes maanden is 90% van de warmte behouden.

Energie die in de zomer wordt opgewekt, is te gebruiken in de winter. Warmtewisselaars kunnen ieder moment de opgeslagen warmte uit het water trekken en doorgeven aan aangesloten huizen. Exact de temperatuur die nodig is. Zo worden huizen in de zomer gekoeld en in de winter verwarmt.

500 woningen met een Ecovat

Op kleine schaal doorstond het Ecovat al enkele testen, maar nu begint het grotere werk. In de Arnhemse wijk Ons Dorp start mede dankzij RVO.nl binnenkort een demonstratietraject. Een Ecovat gaat 500 woningen voorzien van duurzame energie. Het hele jaar door. De Groot hoopt dat het demonstratieproject bijdraagt om de energietransitie te versnellen.

Energiebesparing tot € 650 miljoen per jaar

Als het project in Ons Dorp slaagt, is landelijke invoering weer een stap dichterbij. “Dat zou fossiele energiecentrales overbodig maken en de uitbreiding van de netcapaciteit beperken. Adviesbureau Berenschot rekende voor ons uit dat dit Nederland op de lange termijn een besparing oplevert van € 380 miljoen tot € 650 miljoen per jaar.”

Rol RVO.nl

Het project in Arnhem kwam onder andere tot stand dankzij de regeling Demonstratie Energie-Innovatie (DEI) van RVO.nl. Deze subsidie is bedoeld voor ondernemers die investeren in een energie-innovatie en daarmee bijdragen aan de economische (groene) groei in Nederland.

RVO 29 aug 2018

Meer weten?

Meta-informatie hoofdinhoud

 

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .

3 keer duurzaam gebouwen: Daken maken de stad klimaatbestendig

groene daken

Klimaatverandering en het aangekondigde Klimaatakkoord maken een duurzame gebouwde omgeving noodzakelijk. Dankzij pioniers met concrete oplossingen krijgt een duurzame stad vorm. Gasloos, circulair en klimaatbestendig; drie Amsterdamse voorbeelden. Vandaag: hoe daken de gebouwde omgeving klimaatbestendig maken.  

24-08-2018 09:45 | Door: Rianne Lachmeijer

Dit artikel is  onderdeel van een serie over duurzaam bouwen. Volgende week verschijnt het laatste deel: Een circulaire wijk.

“Als je op straat loopt, realiseer je je niet hoeveel verschillende soorten daken er zijn. En elk dak biedt andere mogelijkheden”, vertelt Jan Henk Tigelaar, project manager bij Rooftop Revolution tijdens een presentatie.

Nederland beschikt over circa 400 km2 aan plat dak. Rooftop Revolution wil deze daken bedekken met planten. “Mensen wonen graag in een groene omgeving”, legt Tigelaar uit. Maar een dak bedekt met planten levert meer op dan mooi uitzicht.

Wat groene daken opleveren

Een groen uitzicht vermindert stress en verhoogt de concentratie, aldus Tigelaar. Daarnaast verhoogt beplanting de isolatiewaarde van het dak: In de zomer houdt de groene dakbedekking de warmte buiten en in de winter juist binnen. Dat levert een energiebesparing op. Ook neemt de waarde van huizen volgens hem met 4 tot 15 procent toe als deze in een groene buurt staan.

‘Een combinatie met zonnepanelen is altijd een goed idee’

Daarnaast kan beplanting de levensduur van het dak verdubbelen en “een combinatie met zonnepanelen is altijd een goed idee.” Hij legt uit: “Zonnepanelen worden minder efficiënt als het warmer wordt dan 25 tot 30 graden en een traditioneel dak kan op een ’s zomerse dag wel 70 tot 80 graden worden.”

Doordat een groen dak koeler is, vergroot dit het zonnepanelenrendement en vermindert het tegelijkertijd de hitte in de stad. Tot slot verlichten groene daken de druk op het riool tijdens piekbuien die door klimaatverandering vaker voor zullen komen. “Het riool is niet voorbereid op het klimaat van de toekomst”, stelt  Tigelaar.

Een klimaatbestendige gebouwde omgeving

Ook de gemeente Amsterdam is zich bewust van de impact van piekbuien op het riool, weet Daniël Goedbloed, programmamanager bij Rainproof. “Ontwikkelaars van nieuwe gebouwen zijn verplicht om binnen een uur 60 millimeter aan regenval op hun kavel te kunnen opvangen”, vertelt hij. Dit maakt onderdeel uit van het rioolbeleid en moet ervoor zorgen dat Amsterdam bij een hoosbui niet direct onderloopt.

Goedbloed neemt ons mee naar zijn favoriete dak, waar wateropslag en beplanting worden gecombineerd: een ‘groen-blauw’ dak. “Een standaard groen dak is bedekt met sedum, omdat het weinig water nodig heeft. Het kan uitdrogen en daarna weer opleven, maar op dit dak heb je allerlei soorten planten. Waardoor het een heel fijne plek wordt om rond te wandelen. Je ziet veel bloemen en bijen, dat levert ecologische waarde op”, zegt Goedbloed tijdens de rondleiding.

Het dak als omgekeerde polder

Het dak is van vastgoedeigenaar Breevast en is aangelegd door de Dakdokters in samenwerking met Karres en Brands. De bovenste laag van het dak bestaat uit planten en een drainagesysteem, daaronder bevindt zich een waterbergingssysteem waar men circa 80 millimeter water in kwijt kan. Het gaat om een zogenoemd ‘polderdak’, omdat het systeem als een omgekeerde polder werkt. “In plaats van dat het water buiten laat, houdt het water binnen.”

Met behulp van sensoren reageert het systeem op weersvoorspellingen. Als er een grote bui aankomt, wordt de waterberging geleegd zodat er voldoende ruimte is voor het extra water. “Alleen in extreme gevallen is dat nodig, meestal houdt het dak al het regenwater vast.” Na een korte stilte vervolgt hij: “Nu staat het helemaal droog.” Dat is een gevolg van klimaatverandering waar het vandaag niet overgaat. “Morgen is regen voorspeld”, klinkt het hoopvol uit de groep.

Benieuwd naar het eerste deel van de serie? Lees nu hoe de Zuidas zich voorbereidt op de energietransitie.

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .

………………………………….

‘We moeten veel meer bomen planten om water vast te houden’

Wissing ontwerpt wereldwijd tuinen en parken en heeft meerdere prijzen gewonnen. De klimaatverandering baart hem steeds grotere zorgen. ‘Ik baal als een stekker. Bomen gaan dood. Tien tot vijftien procent wordt bedreigd….beuken, berken, esdoorns. Ze laten nu hun blad vallen als laatste poging om te overleven.’

Agroforestry

Wissing pleit voor de aanplant van veel meer bomen. ‘Dat is vooral belangrijk voor schaduw en voor de waterhuishouding. Als je kijkt wat voor een wortelstelsel er onder de grond ligt bij grote bomen, dan kan er heel veel water vastgehouden worden.’

De landbouw moet volgens Wissing echt een slag gaan slaan nu. ‘Agroforestry, van akker naar bos. Je ziet het langzaam ook hier ontstaan’, legt hij uit. Het is een combinatie van land- en bosbouw. Volgens hem zijn er steeds meer mensen geïnteresseerd nu de klimaatverandering zitbaar wordt.’

Kijk hier naar de reportage (de tekst loopt door onder de video):

Voedselbos

Ank van Maanen en Vincent Wittenhorst zetten volop in op deze manier van voedselproductie. Met hun project Weet wat je Eet in Montferland willen ze bos en voedselproductie combineren. Ze zijn één van de winnaars van Brood en Spelen, een landelijke ontwerpprijsvraag waar plattelandsvernieuwing het thema was.

Natuurboerderij Wittenhorst in Stokkum, gemeente Montferland, moet nog volledig uit de grond gestampt worden. ‘De eerste ideeën zijn er’, legt Van Maanen uit. Maar het komende half jaar moet het ook echt vorm gaan krijgen. Maar we houden heel erg rekening met water, energie en grondstoffen. Wij willen de bodem beter maken, water vast houden; lokaal produceren en uiteindelijk willen een voedselcoöperatie oprichten.’ Zo moeten er onder andere fruitbomen en notenbomen geplant worden.

Foto: Ontwerp project Stokkum

Plattelandsvernieuwing

Volgens Rijksbouwmeester Floris Alkemade moet er echt een omslag gemaakt worden op het platteland. Dat zei hij op de dag dat de prijswinnaars van Brood en Spelen bekend werden gemaakt. Rijksbouwmeester Floris Alkemade: ‘De grote veranderingen die zich nu op het platteland aftekenen, zijn niet alleen problematisch. Ze bieden ook grote mogelijkheden. Radicale vernieuwingen zijn nodig om het platteland weer duurzaam en aantrekkelijk te maken.’

De prijsvraag biedt boeren en grondeigenaren de kans om met creatieve ideeën aan de slag te gaan. Ank van Maanen heeft met het winnen van de prijsvraag 25.000 euro gekregen en professionele begeleiding om het plan van het voedselbos uit te werken. Naast Van Maanen wonnen nog 15 andere projecten hetzelfde. Een belangrijke reden om zo’n groot aantal winnaars te benoemen, is volgens Alkemade om zicht te krijgen op de mogelijkheden om het platteland te innoveren, maar ook op de belemmeringen die vernieuwing tegenhouden.

Heeft u opmerkingen of aanvullingen op dit bericht? Mail dan met de redactie: omroep@gld.nl. Of stuur ons direct een WhatsApp-bericht: 06 – 220 543 52

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .
.
Krabben, hier een kokoskrab, en bomen vormen de grondstof voor de nieuwe flexibele folie.

Nieuw materiaal uit krabbenschalen en bomen zou plastic verpakkingsfolie kunnen vervangen

Onderzoekers van het Georgia Institute of Technology hebben een materiaal gecreëerd op basis van krabbenschalen en vezels uit bomen ,dat het potentieel heeft om de flexibele plastic vershoudfolie voor voedingswaren te vervangen. Het nieuwe materiaal is biologisch afbreekbaar, en het wordt gemaakt door verschillende lagen chitine uit krabbenschalen en cellulose uit bomen over elkaar te spuiten, wat een flexibele, doorzichtige folie geeft.

“De belangrijkste maatstaf waarmee we het vergelijken is PET, polyethyleentereftalaat, onder de transparante verpakkingen die je vindt in voedselautomaten en zachte drankflessen een van de meest voorkomende, uit petroleum gemaakte materialen”, zei J. Carson Meredith, een professor aan de School of Chemical and Biomolecular Engineering van het Georgia Institute of Technology (Georgia Tech).

“Ons materiaal laat een vermindering zien van 67 procent van de doorlaatbaarheid voor zuurstof tegenover sommige soorten PET, wat betekent dat het in theorie voedsel langer en beter vers kan houden”, zo zei hij in een persmedeling van Georgia Tech.

Nanovezels

Cellulose, dat afkomstig is van planten, is de meest voorkomende natuurlijke biopolymeer, gevolgd door chitine, dat gevonden wordt in de schalen van schaaldieren en de schilden van insecten, en in zwammen. Een polymeer is een zeer grote molecule, vaak een keten, die bestaat uit een herhaling van kleinere aan elkaar gekoppelde moleculen, een biopolymeer is een biologische vorm daarvan.

Het team bedacht een methode om een film te creëren door nanovezels – erg kleine vezels – van cellulose en chitine in suspensie in water te houden, en ze op een oppervlak te spuiten in alternerende lagen. Eens het materiaal volledig gedroogd is, is het flexibel, sterk, doorzichtig en composteerbaar.

“We waren al verschillende jaren cellulose-nanokristallen aan het bekijken, en manieren aan het onderzoeken om die te verbeteren voor gebruik in lichtgewicht composietmaterialen en ook in voedselverpakkingen, vanwege de enorme marktmogelijkheden voor hernieuwbare en composteerbare verpakkingen”, zei professor Meredith, die eraan toevoegde dat het verpakken van voedsel in het algemeen zeer belangrijk zal worden met de toename van de wereldbevolking.

Het team was voor een andere reden ook chitine aan het bekijken, en de onderzoekers begonnen zich af te vragen of dat ook enig nut zou kunnen hebben in voedselverpakkingen.

“We zagen in dat, omdat de chitine-nanovezels positief geladen zijn, en de cellulose-nanokristallen negatief, ze goed zouden kunnen werken als alternerende lagen in een coating, omdat ze een mooi raakvlak zouden vormen”, zei Meredith in de mededeling van Georgia Tech.

Professor Meredith met een staal van het nieuwe verpakkingsmateriaal.Copyright_2018_Georgia_Institute_of_Technology/Allison Carter

Kristalstructuur

Verpakkingsmateriaal dat bedoeld is om voedsel goed te houden, moet verhinderen dat er zuurstof doorheen komt. Een deel van de reden waarom het nieuwe materiaal als gasbarrière een verbetering is tegenover de traditionele plastic verpakking, zit in de kristalstructuur van de folie.

“Het is moeilijk voor een gasmolecule om door een vast kristal te geraken, omdat ze de kristalstructuur moet verbreken”, zei Meredith. “Iets zoals PET aan de andere kant, heeft een aanzienlijke hoeveelheid amorfe of niet-kristallijne inhoud, dus er zijn meer gemakkelijke paden voor een kleine gasmolecule om erdoor te geraken.”

Milieu-activisten zoeken al lang naar hernieuwbare alternatieven om van petroleum afgeleide materialen te vervangen in consumptiegoederen. Met de hoeveelheid cellulose die nu al geproduceerd wordt, en een ruime toevoer van chitine-rijke afvalproducten uit de schaaldieren-industrie, is er waarschijnlijk meer dan genoeg materiaal beschikbaar om van de nieuwe folie een leefbaar alternatief te maken voor flexibel verpakkingsmateriaal, zei Meredith.

Maar er is nog werk aan de winkel. Om het nieuwe materiaal eventueel concurrentieel te maken op het gebied van prijs, zal er een productieproces ontwikkeld moeten worden dat het schaalvoordeel kan maximaliseren, dat met andere woorden op grote schaal kan produceren zodat de prijs per eenheid daalt.

En terwijl de industriële processen om op grote schaal cellulose te produceren al “volwassen” zijn, staan de methodes om chitine te produceren nog in hun kinderschoenen, zei Meredith. Bovendien is er nog meer onderzoek nodig om het vermogen van het nieuwe materiaal te verbeteren om waterdamp tegen te houden.

De studie van Meredith en zijn team over het nieuwe verpakkingsmateriaal is gepubliceerd in “ACS Sustainable Chemistry and Engineering”.

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .

 

 


Varken buiten in de modder

Biologische landbouw groeit

De biologische landbouw liet in 2017 over het algemeen een duidelijke groei zien ten opzichte van een jaar eerder. Onder andere de omvang van de biologische varkensstapel (+ 24,2 procent) en de productie van biologisch varkensvlees groeide (+26,3 procent). In de biologische akkerbouw is de aardappelproductie toegenomen. Dat blijkt uit laatste cijfers van het CBS over de biologische landbouw in 2017.

Klik hier om verder te lezen

Bron: CBS 19 juli 2018

 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

            Opinie Energietransitie

Verdeel de lusten en de lasten van de groene revolutie eerlijk

Foto Rhonald Blommestijn

Zonder ingrijpen zal de nieuwe energietransitie leiden tot nieuwe ongelijkheid. Michiel Hulshof en Koen Straver pleiten voor ‘energie-rechtvaardigheid’. Voorkom dat het klimaat de nieuwe splijtzwam wordt.

De laatste energietransitie die Nederland doormaakte, was die van steenkool naar aardgas. De gevolgen bleken desastreus voor veel Limburgers. Ruim 45 duizend ‘kompels’ en 30 duizend anderen verloren hun baan. Vaders en broers kwamen werkloos thuis te zitten, of belandden met versleten rug en stoflongen in de WAO. De mijnstreek liep leeg. Het luxueuze Heerlen veranderde in een troosteloze stad van armoede en drugsoverlast. Tot op de dag van vandaag zijn de gevolgen van de mijnensluiting merkbaar. In 2011 nog verzakte winkelcentrum ’t Loon in Heerlen door verwaarloosde mijnschachten. Ook de werkloosheid en de armoede in de voormalige mijnstreek bleven decennialang boven het landelijke gemiddelde.

We staan nu aan het begin van een nieuwe energietransitie. De gasketels, kolencentrales, dieselauto’s en raffinaderijen moeten plaatsmaken voor duurzame alternatieven zoals warmtepompen, windmolens, zonnepanelen en elektrische auto’s. Hoog tijd om te voorkomen dat de ‘groene revolutie’ dezelfde desastreuze uitwerking heeft op tienduizenden gezinnen als de sluiting van de mijnen.

Het afgelopen jaar deden wij, ECN part of TNO en onderzoeksbureau Tertium, samen met Milieudefensie en Alliander onderzoek naar de ‘winnaars en verliezers van de energietransitie’. Door middel van expertsessies, interviews en literatuuronderzoek brachten we in kaart waar nieuwe vormen van ongelijkheid kunnen optreden. De lijst is lang en zorgwekkend.

Zonder ingrijpen krijgen echte pechvogels te maken met een opeenstapeling van problemen: ze verliezen hun baan, kijken uit op ongewenste windmolens, ontvangen steeds hogere energierekeningen, ze zien hun wijken verpauperen, wonen in onverkoopbare huizen en kunnen zich steeds moeilijker verplaatsen. Een nieuw ‘mandje vol sukkelaars’ met een diepe afkeer voor de overheid dient zich aan.

Duurzaamheidskloof

Een paar weken geleden waarschuwde filosoof René Cuperus in de Volkskrant voor een ‘duurzaamheidskloof’, waarbij de ‘lager betaalde, lager opgeleide helft’ van Nederland de grootste rekening gepresenteerd krijgt omdat ze onvoldoende geld hebben om op tijd over te stappen op duurzame energie. Zijn zorgen zijn terecht al menen wij dat het te simpel is te stellen dat de energiekloof gaat lopen tussen de huidige groep ‘rijk en hoogopgeleid’ aan de ene, en ‘arm en laagopgeleid’ aan de andere kant. De energietransitie die voor de deur staat, zal haar eigen verliezers creëren. Dat gebeurt nu al.

Terwijl de trotse eigenaar van een Volkswagen Golf 1.9 TDI Trendline uit 2001 op diesel niet meer met zijn auto in de binnenstad van Utrecht mag komen, kunnen Tesla-rijders hun bolide rustig inpluggen bij een laadpaal aan de Oude Gracht. Trek deze trend door en je ziet de tweedeling ontstaan: terwijl ‘winnaars’ vrijelijk met hun auto door de straten zoeven, staan ‘verliezers’ te wachten op de bus. Is dat echt de samenleving die we willen?

Groene golf

De laatste jaren richten steeds meer enthousiaste burgers coöperaties op voor het opwekken van hun ‘eigen’ groene stroom. Deze ‘groene golf’ lijkt louter positief, maar kan op termijn eveneens problemen veroorzaken. Uit sociologisch onderzoek weten we dat het ‘zelforganiserend vermogen’ niet gelijkmatig over ons land is verdeeld: in dorpen of stadswijken met een sterk ontwikkeld verenigingsleven ontstaan veel eerder energiecoöperaties dan in dorpen of stadswijken zonder sterke sociale verbanden. Die kloof loopt lang niet altijd parallel met inkomen of opleidingsniveau. Het resultaat: terwijl de ene Nederlander lekker kan meeparticiperen met een windmolen- of zonnepanelenproject, weet de ander niet eens dat zoiets bestáát.

Ook de aanleg van aardgasvrije woonwijken zal leiden tot nieuwe haves en havenots. Hoe meer Nederlanders zich laten afkoppelen van het gasnetwerk, hoe minder huishoudens overblijven om de netwerkkosten te betalen. Woningeigenaren met een krappe beurs zijn dubbel de klos: ze kunnen niet investeren in een warmtepomp, en betalen daardoor noodgedwongen een steeds hogere gasrekening. Ook hier is het verschil tussen rijk/hoogopgeleid en arm/laagopgeleid niet allesbepalend. Huurders zouden weleens beter af kunnen zijn, omdat woningcorporaties verplicht investeren in de energiehuishouding van hun huurhuizen. Kosten: 108 miljard euro en of de overheid even wil bijspringen, alstublieft.

Niet alle langetermijngevolgen vallen te voorspellen. Welke beleidsmaker kon in de jaren zestig voorzien dat de vondst van de aardgasbel bij Slochteren ertoe zou leiden dat Groningers vijftig jaar later bovenmatig gebukt gaan onder depressies en angststoornissen? Ook nu hebben we geen glazen bol, maar we zijn het verplicht aan de vorige verliezers om te leren van het verleden.

Toen kwamen duizenden mensen zonder baan te zitten. Hoe zit dat nu? Uit de Nationale Energieverkenning blijkt dat het aantal arbeidsplaatsen in de fossiele energiesector snel afneemt: van 73 duizend voltijdsbanen nu naar 62 duizend over twee jaar. De gevolgen voor het verlies aan indirecte banen – onderhoudsmonteurs van gasketels, toeleveringsbedrijven voor gasleidingen – zijn mogelijk nog groter.

Lokale economie

Net als bij de mijnensluitingen, komt het verdwijnen van de fossiele energiesector in sommige regio’s harder aan dan in andere. De haven van Rotterdam en de provincie Groningen zijn het meest afhankelijk van de fossiele industrie en daardoor kwetsbaar. Een te late omslag kan grote gevolgen hebben voor de gezondheid van de lokale economie, de aantrekkelijkheid van de regio, de huizenprijzen en uiteindelijk de sociale structuur.

Gericht arbeidsmarktbeleid voor de verwachte fossiele banenkrimp ontbreekt. Vakbond FNV pleitte vorig jaar voor een ‘kolenfonds’ van 800 miljoen euro voor de werknemers van de vijf kolencentrales die binnenkort sluiten. Waarschijnlijk zijn wel meer van dat soort fondsen nodig.

Natuurlijk biedt de groene revolutie ook nieuwe kansen op werk. Onderzoeksbureau CE Delft rekent op ruim 11 duizend extra banen per jaar tot 2035. Die zijn nodig voor het installeren van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen, het afkoppelen van gasleidingen, het open graven en weer bestraten van hele steden en het aanleggen van warmtenetten. Maar wie gaat dat werk doen?

De bouwsector wordt op dit moment compleet overvraagd. Overheid, opleidingen en de sector zouden veel meer moeten doen om jongeren op mbo-niveau te interesseren voor een carrière in de duurzame installatietechniek. Zo kan het aantal potentiële winnaars van de energietransitie worden vergroot.

Foto Rhonald Blommestijn

De strijd om de ruimte

Dan de strijd om de ruimte. Provincies en Rijk hebben afgesproken dat windmolens op land in 2020 voor 6.000 megawatt aan energie zullen opwekken. De teller staat nu op 3.300 megawatt. Dat betekent dat Nederland de komende twee jaar een verdubbeling te wachten staat. We hebben de situatie tot 2050 doorgerekend; dan moet Nederland naar schatting vier keer zoveel windenergie op land opwekken dan nu. Een deel daarvan kan worden opgevangen door efficiëntere windmolens, maar zeker niet alles. Ook het opwekken van zonne-energie heeft gevolgen voor het landschap (zonnevelden) en de woonomgeving (panelen op het dak).

Lusten en lasten van wind- en zonne-energie komen vaak niet bij dezelfde groepen terecht. Dat geldt op nationaal niveau: windmolens draaien niet op de plekken waar de meeste energie wordt gebruikt. Terwijl de ene groep moet leven tussen de molens, kunnen anderen overlastvrij genieten van windenergie. Op lokaal niveau geldt vooral dat de eigenaar van een windturbine profiteert, terwijl de buren in de slagschaduw van de molen kampen met slapeloze nachten door het zwiepende geluid van de wieken.

De overheid kan en moet veel meer doen om deze oneerlijke situatie te verbeteren. Denk bijvoorbeeld aan het plaatsen van windmolens op plekken waar de energievraag het grootst is. Of onderzoek de mogelijkheid van kleinere molens – die zijn wellicht minder efficiënt, maar geven ook minder geluidsoverlast. Een andere interessante aanpak is die langs de A16: daar komt een kwart van de windmolens in eigendom van de lokale gemeenschap. Per gemeente wordt een stichting opgericht die in overleg met inwoners de lusten van deze ‘dorpsmolens’ zo goed mogelijk verdeelt.

Mattheüs-effect

Dan hebben we nog het probleem dat het best wordt samengevat in de beroemde Bijbelpassage: ‘Want wie heeft, zal nog meer krijgen, en wel in overvloed, maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft nog worden ontnomen.’ Wie nu kan investeren in groene energie profiteert het meest. Wie niet kan investeren, gaat er op termijn op achteruit. Onderzoek van CE Delft in opdracht van Milieudefensie, FNV, de Woonbond en de ngo Tax Justice berekende de gevolgen van dit ‘Mattheüs-effect’: Nederlanders met een bruto-inkomen van maximaal 17.646 euro gaan in 2021 zo’n 6 procent van hun inkomen aan energie betalen. Als we niets doen, kan dat oplopen tot 17 procent in 2050.

Netwerkbedrijf Alliander schat dat 750 duizend gezinnen moeite hebben met het betalen van hun energierekening. De verschillen kunnen in korte tijd snel oplopen, zeker als woningcorporaties en kapitaalkrachtige woningeigenaren tegelijkertijd maatregelen nemen om energie te besparen of zelf op te wekken. Voor de fossiele ‘achterblijvers’ wordt het leven dan snel duurder.

We moeten onderkennen dat de energietransitie, zoals alle omwentelingen, niet alleen winnaars maar ook verliezers kent. De overgang naar duurzame energie kan alleen succesvol verlopen als die gepaard gaat met sociale maatregelen. Anders lopen we het risico dat klimaat de nieuwe splijtzwam in de samenleving wordt. Wie wil weten wat er dan kan gebeuren, moet kijken naar de gevolgen van het vertrek van de fabrieken in de Amerikaanse rust belt. De inwoners voelen zich als slachtoffers van de globalisering ernstig verwaarloosd en stemden anderhalf jaar geleden massaal op het ‘America First’ van Donald Trump.

Wij pleiten voor ‘energie-rechtvaardigheid’ als toetsingskader voor nieuw beleid: stimuleer duurzaam vervoer, maar bedenk wat je doet met eigenaren van derdehands diesels. Plaats die windmolen, maar vraag je af wat de omwonenden daaraan hebben. Haal dat aardgas uit je stad, maar verzin een oplossing voor woningeigenaren met weinig geld. Sluit die kolencentrale, maar school de werknemers om. Prijs die lokale energiecoöperatie, maar zorg dat iedereen er lid van kan worden. Kortom: bedenk niet alleen wat goed is, maar ook voor wie en voor wie niet.

Om dit goed te doen, moet de overheid meer onderzoek doen naar de gevolgen van de energietransitie. Pas als we duidelijk weten hoe de lasten en lusten precies worden verdeeld, kunnen ethisch onderbouwde keuzes worden gemaakt. Zo kan een nieuw energie-drama worden voorkomen.

Michiel Hulshof is journalist en medeoprichter van Tertium, bureau voor burgerparticipatie. Koen Straver is sociaal wetenschapper bij ECN part of TNO. Met Alliander en Milieudefensie deden zij onderzoek naar ‘winnaars en verliezers van de energietransitie’.

 

 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 

 

 

Het klimaatakkoord nadert je voordeur

angepast,Economie
De plannen om alle huizen in Nederland de komende tientallen jaren te verduurzamen zijn vergevorderd. Wat opvalt: we moeten niet te hard van stapel lopen. En geruststellend: het is de bedoeling dat we het niet direct in onze portemonnee voelen, al is het natuurlijk afwachten of dat ook echt lukt.

Een en ander blijkt uit gesprekken van de NOS met deelnemers die werken aan het klimaatakkoord. Dat wordt op 6 juli gepresenteerd, maar de hoofdlijnen tekenen zich al af.

Voor alle 12.000 wijken in Nederland wordt een plan opgesteld hoe ze tot 2050 duurzaam gemaakt kunnen worden. Nederland wordt hier voor opgedeeld in dertig ‘energie-regio’s’. Provincies, gemeenten en energiebedrijven moeten dan kijken wat per wijk de beste oplossing is.

Al over drie jaar moet iedereen in Nederland weten waar hij aan toe is. Bewoners krijgen inspraak en het kan voor veel mensen ook nog een flink aantal jaren duren voordat er echt iets verandert.

Hogere gasbelasting, ‘groene’ leningen

Om mensen te stimuleren om van het gas af te gaan, gaat de belasting op aardgas waarschijnlijk omhoog en die op elektriciteit naar beneden. Daardoor worden duurzame alternatieven goedkoper ten opzichte van de traditionele cv-ketel. Uiteindelijk zal het recht op gas verdwijnen en vervangen worden door een recht op warmte, is de verwachting. Het recht op aansluiting verdwijnt al op 1 juli aanstaande.

Volgens de plannen moeten particuliere huizenbezitters voor de verduurzaming van hun huis een lening met lage rente kunnen krijgen. Die is dan gekoppeld aan het huis en niet aan de eigenaar. Als iemand zijn huis verkoopt, gaat ook de lening over op de volgende koper.

Deze zogenoemde gebouwgebonden financiering moet voorkomen dat mensen de investering direct in hun portemonnee voelen. Verlaging van de energiekosten moet de kosten van de lening afdekken.

Laatste details

De plannen zijn nog niet allemaal af, maar technisch wel zo goed als rond. Over de invulling van details wordt nu nog onderhandeld. Zo moeten de banken een ‘groene lening’ ontwikkelen en zitten er nog juridische haken en ogen aan de gebouwgebonden financiering.

Uiteindelijk moeten het kabinet en de Tweede Kamer beslissen hoe het wettelijk kader van het akkoord er precies uit komt te zien.

Voor het klimaatakkoord wordt aan zes ‘tafels’ gesproken over alle aspecten die erbij komen kijken. De verduurzaming van huizen komt aan bod bij de tafel ‘gebouwde omgeving’. In andere gespreksrondes gaat het over de verduurzaming van de elektriciteitsproductie, de industrie, de transportsector en de landbouw. De ‘gebouwde omgeving’ heeft van alle klimaattafels de laagste doelstelling als het gaat om CO2-reductie, maar de maatregelen komen wel bij ons allemaal over de drempel.Een overzicht van het ministerie met de verschillende ‘tafels’ minezk.nl

Naar verwachting kunnen in 2030 zo’n miljoen huizen van woningcorporaties zijn aangepakt, de helft van de totale voorraad sociale huurwoningen. Een paar duizend wijken kunnen bijna volledig CO2-neutraal gemaakt worden omdat de verduurzaming gecombineerd kan worden met al bestaande renovatieplannen.

Daarnaast kan tot 2030 ook bijna een kwart van de vier miljoen eigendomswoningen worden aangepakt. In totaal moeten er naar verwachting voor 2030 bijna twee miljoen woonhuizen verduurzaamd worden om aan de kabinetseisen van het klimaatakkoord te voldoen.

De doelstellingen voor CO2-reductie vloeien voort uit het regeerakkoord, waarin staat dat de CO2-uitstoot in Nederland in 2030 bijna gehalveerd moet zijn ten opzichte van 1990. In 2050 moet Nederland volgens het internationale klimaatakkoord van Parijs, net als de rest van de wereld, zo goed als CO2-neutraal zijn.

In grote en middelgrote steden zullen in veel wijken warmtenetten aangelegd worden om het aardgas te vervangen. Die warmtenetwerken moeten draaien op restwarmte van de industrie en warmte die opgepompt wordt uit de aarde met behulp van geothermie.

Nieuwbouwwijken zullen vaak volledig elektrisch worden, ook voor de warmtevoorziening. Het gaat dan meestal om een combinatie van een warmtepomp en zonnepanelen.

Op sommige afgelegen plaatsen zal gas voorlopig nodig blijven, maar idealiter zo snel mogelijk vervangen wordt door ‘groen’ gas of waterstof. Die huizen krijgen hybride cv-installaties die op elektriciteit draaien maar op hele koude winterdagen ook over kunnen schakelen op gas.

Mensen hoeven niet allemaal als een dolle naar de bouwmarkt te rennen.

Deelnemer klimaatonderhandelingen

Voor huizenbezitters lijkt de boodschap dat we het kalm aan kunnen doen. Zolang niet duidelijk is wanneer je wijk van het gas af gaat en wat ervoor in de plaats komt, is het ook lastig om te bepalen hoe je je huis het beste kunt verduurzamen. Isoleren is altijd goed, zegt een van de betrokkenen, en een paar zonnepanelen op je dak kunnen ook geen kwaad. Verder is het raadzaam om af te wachten wat je gemeente voor wijkoplossing heeft bedacht en dan de maatregelen te nemen die daar bij aansluiten.

Hoewel er dus heel wat op stapel staat, kunnen de meeste mensen voorlopig het beste afwachten. Of zoals een van de deelnemers aan het klimaatakkoord het formuleert: “Mensen hoeven niet allemaal als een dolle naar de bouwmarkt te rennen”.

 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 

Verkenning Brede Welvaart 2018 – Circulaire economie, gedrag en beleid.

mei 2018

Burgers en bedrijven steunen circulaire economie, maar niet als het hen zelf geld kost

 

Burgers en bedrijven vinden het legitiem dat de overheid beleid voert om tot een meer circulaire economie te komen. Het draagvlak voor circulaire maatregelen neemt echter af als deze groepen zelf de pijn ervan voelen. Inzicht in het gedrag van burgers en bedrijven, en vooral in de beweegredenen achter concrete gedragingen, helpt om effectief circulair-economisch beleid vorm te geven. Dit zijn enkele van de conclusies uit de ‘Verkenning Brede Welvaart 2018 – Circulaire economie, gedrag en beleid’, een coproductie van het Planbureau voor de Leefomgeving, het Centraal Planbureau en het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Klik hier om verder te lezen     >  rapport CPB 30 blz.

 

 . . . 
<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

In Zaandam wordt straks één zonnepaneel per minuut gemaakt

Daniël Kuijk (r) en Bert Schouws in de hal waar zij eind dit jaar beginnen met de productie van zonnepanelen

Daniël Kuijk (r) en Bert Schouws in de hal waar zij eind dit jaar beginnen met de productie van zonnepanelen © Jean-Pierre Jans

Terwijl ook deze industrie bijna helemaal naar Aziatische lagelonenlanden is verkast, opent nog dit jaar een zonnepanelenfabriek bij Zaandam. ‘Dit is blauwekielenwerk zonder blauwe kielen.’

De laatste stap in het maken van zonnepanelen laat zich vergelijken met het bakken van tosti’s. Het acht meter hoge bakbeest dat de op printplaten geplakte zonnecellen straks gaat lamineren, wordt door de initiatiefnemers van zonnepanelenfabriek Energyra omschreven als een soort tosti-ijzer.

Ze ontvangen in een nog vrijwel lege fabriekshal in Westknollendam, het noordelijkste puntje van de Zaanstreek. Vanaf eind dit jaar komt hier één zonnepaneel per minuut van de band – vijf dagen in de week, 24 uur per dag. “Hier komt het grote monster,” zegt Daniël Kuijk wijzend.

In het één voetbalveld grote pand werden tot twee jaar geleden stoomcabines en bubbelbaden gemaakt. De nieuwe fabrieksvloer glimt nog helemaal. Op haar step rijdt het dochtertje van de fotograaf door de hal.

Zo’n uitgestrekte vloer vraagt daar ook wel een beetje om, dat snappen ze bij Energyra. “Toen de hal leeg kwam, konden wij het ook niet laten,” zegt Bert Schouws. “We hebben toen even een balletje getrapt.”

Onderscheidende plannen
In de fabriekshal gaat Energyra iets doen wat niet meer voor mogelijk werd gehouden. De productie van zonnepanelen is de laatste tien jaar bijna helemaal naar het Verre Oosten verplaatst. In Europa konden fabrikanten het niet meer bolwerken.

Vorige week bleek nog dat plannen voor een assemblagefabriek voor zonnepanelen in Oost-Groningen zijn afgeblazen.

Het bedrijf achter de fabriek, zonneparkontwikkelaar Powerfield, ziet ervan af omdat de importtarieven van de EU op goedkope Chinese zonnepanelen worden verlaagd, terwijl de export naar de VS juist duurder wordt, als gevolg van president Trumps ‘America First’.

350.000

Energyra verwacht in de nieuwe fabriek met voorlopig één productielijn 350.000 zonnepanelen per jaar te maken.

Toch belemmert dat Energyra niet de productie van zonnepanelen terug naar het Westen te halen – heel symbolisch, naar het oudste industriegebied van Europa. Het verschil is volgens Kuijk dat de Groningse plannen zich te weinig onderscheidden van de Aziatische concurrentie.

Begonnen als werkgelegenheidsproject voor een krimpregio was het de bedoeling te beginnen met 180 arbeidsplaatsen. Dát lijkt hem inderdaad een gevecht dat Europa niet kan winnen. Dan kom je immers bij de bekende beelden uit lagelonenlanden. “Rijen arbeiders die met kapjes voor hun mond zitten te solderen.”

Dat zijn overigens niet de zonnepanelen die Energyra wil maken. Het bedrijf gaat ze maken volgens een technologie die is ontwikkeld door de Noord-Hollandse energieonderzoekers van ECN, zonder het opzichtige, hoekige rasterpatroon dat de zonnecellen met elkaar verbindt. “Dat is een van de zwakke punten van de traditionele zonnepanelen.”

Extra lange levensuur
In de hitte overdag zet het glas uit, ’s nachts koelt het af en krimpt het. “Het rekken en krimpen zorgt voor kleine breukjes, waardoor de zonnepanelen langzaam maar zeker degraderen. Na vijftien jaar is de capaciteit twintig procent afgenomen,” zegt Schouws.

Bij de Energyrapanelen wordt de stroom naar de onderkant afgevoerd via een geleidende lijm, een vondst van ECN. “Daardoor zijn er geen soldeerverbindingen die na verloop van tijd verbroken kunnen worden.”

De zonnepanelen van Energyra, waarvoor het bedrijf een garantie voor 30 jaar afgeeft, laten zich ook beter recyclen. Zonder soldeerverbindingen komt er geen fluor, lood of tin aan te pas. “In de aanschaf zijn ze ietsje kostbaarder, maar doordat ze langer meegaan, zijn ze per kilowattuur toch steeds de goedkoopste,” bezweert Kuijk.

Dankzij de minder breekbare deklaag zijn ze ook geschikt voor landen met veel sneeuw en hagel

Powerfield, maar ook andere ontwikkelaars van zonneparken, hebben daarom al aangekondigd bij Energyra te bestellen, zodat de fabriek voor de productie van het eerste jaar al bijna zeker is van voldoende afnemers.

Kuijk en Schouws hoor je ook niet zeggen dat de hele zonnepanelenproductie op den duur terugkomt naar Europa. Ze mikken op een niche van klanten die snappen dat tegen de hogere prijs ook een extra lange levensuur staat.

De ECN-techniek maakt het ook mogelijk zonnepanelen te maken die bij uitstek geschikt zijn voor een warm klimaat of juist, dankzij een minder breekbare deklaag, voor landen met veel sneeuw en hagel.

Niet op de Chinese manier
Door het werk in de fabriek te robotiseren blijven de kosten binnen de perken. “Zo hebben we het lagelonenvoordeel van de Aziatische landen vrijwel volledig geneutraliseerd,” zegt Schouws. Bij Energyra kunnen straks vijf mensen de hele productielijn runnen.

Met drie ploegendiensten voor vijf dagen in de week en in totaal ongeveer veertig man personeel verwacht Energyra rond de 350.000 panelen per jaar te maken. En dat is met één productielijn. De fabriekshal in Westknollendam is groot genoeg voor een tweede rij machines.

Ook Energyra is in 2013 begonnen als crisisproject, als plan om de maakindustrie terug te brengen naar deze regio. ‘Trots op wat we kunnen en niet op wat we kletsen,’ zo omschrijft Energyra het wervend.

Maar in de krappe arbeidsmarkt van 2018 is wel duidelijk dat het daarbij niet meer om werkgelegenheid te doen is. “Wij snappen ook wel dat je het hier niet op de Chinese manier kunt aanpakken. Om in Nederland te produceren moet het op deze manier: met robots en een handjevol hoogopgeleide procesoperators. Wij zijn een blauwekielenbedrijf zonder blauwe kielen.”

Voor de regio betekent de nieuwe fabriek een versterking van deze innovatieve sector en de mogelijkheid om de technologie van ECN zelf te gelde te maken. Daar heeft het ook wel aan ontbroken sinds de productie van zonnepanelen bijna is verdwenen uit Europa. “Geen zonnepanelenfabriek in de wereld die niet is gebouwd met Nederlandse techniek.”

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

Is warmlopen voor een warmtepomp terecht?

Er zijn naast de warmtepomp en zonnepanelen nog andere manieren om er voor te zorgen dat u uw (bestaande) woning duurzamer maakt. Als voorbeeld nemen we een vrijstaande woning met 3 personen. De woning is niet geïsoleerd. In onderstaande tabel leest u hoe lang het duurt voordat u uw investering terug heeft

Uw eigen woning duurzamer maken kan op verschillende manieren. Denk daarbij aan isoleren van uw woning, zonnepanelen op het dak van uw huis leggen en een warmtepomp installeren. In mijn blog over het rendement van zonnepanelen ben ik uitgebreid ingegaan op de terugverdientijd, het rendement en de waarschijnlijk aankomende wetswijziging rondom de salderingsregeling. In dit artikel bespreek ik de warmtepomp. Wat is een warmtepomp, welke soorten zijn er, is er subsidie op waterpompen, wat is de terugverdientijd en het rendement (voor het milieu)?

Wat is een warmtepomp?

Een warmtepomp is een elektrisch apparaat dat warmte uit een bron (bijvoorbeeld lucht of bodem) haalt en dat afgeeft aan uw (elektrische) CV ketel.

Welke soorten warmtepompen zijn er?

Er zijn diverse soorten warmtepompen. Voor een Nederlands huis zijn er drie warmtepompen die het meest voor de hand liggen om aan te schaffen: de aardwarmte-, de lucht/water- en de hybridewarmtepomp.

  • De aardwarmtepomp haalt warmte uit de bodem. Hiermee wordt uw woning verwarmt en uw warm water gemaakt. De installatie is duur, maar is het meest energiezuinig.
  • De lucht/water warmtepomp onttrekt de warmte aan de lucht. Met deze warmte wordt uw woning verwarmt en uw water warm gemaakt.
  • De hybride installatie is een combinatie van een lichte lucht/water warmtepomp in combinatie met een gasgestookte HR ketel. Uw HR ketel zorgt voor het warm water en verwarmt uw woning als het echt koud is.

Subsidie op warmtepompen

Investeert u in een warmtepomp? Dan ontvangt u van de overheid een subsidie. De subsidie is afhankelijk van het soort en de capaciteit van de warmtepomp. Reken op een eenmalige subsidie tussen de €1.600 en €2.200.

Wat is de terugverdientijd van en het rendement op een warmtepomp?

De terugverdientijd is afhankelijk van de soort warmtepomp. Het financieel rendement is laag. Het milieurendement hoog.

In onderstaand overzicht staan verschillende soorten CV ketels genoemd (kolom 1), de aanschafprijs van deze CV installaties voor een vrijstaande woning met een inhoud van ongeveer 650 m3 en een verbruik van 1.750 m3 gas per jaar. Bij de prijs is rekening gehouden met een eventuele overheidssubsidie (kolom 2). Het uitgangspunt is dat we de bestaande versleten CV ketel vervangen. We gaan uit dat we deze vervangen door een conventionele ketel. Vervolgens vergelijken we deze optie met het investeren in een warmtepomp. In kolom 3 staat vermeld wat de terugverdientijd is van deze extra investering. Een energiezuinige ketel verbruikt extra stroom. Deze stroom kan worden opgewekt met zelf aan te schaffen zonnepanelen. In kolom 4 staat aangegeven welke investering in zonnepanelen noodzakelijk is om dit extra stroomverbruik op te vangen. In de laatst kolom (5) staat aangegeven wat de terugverdientijd is van de totale installatie (CV ketel en zonnepanelen). We gaan er bij deze berekening van uit dat de stroom die de zonnepanelen opleveren een waarde hebben van gemiddeld € 0,18 per kWh.

Installatie (1) Investering (2) Terugverdientijd
t.o.v. gewone ketel (3)
Investering
(extra) zonnepanelen (4)
Terugverdientijd
t.o.v. gewone ketel (5)
Aardwarmtepomp € 15.000 25 jaar € 4.200 15 jaar
Lucht/water warmtepomp € 8.900 17 jaar € 4.900 11 jaar
Hybride systeem € 4.400 14 jaar € 3.200 9 jaar
Gewone HR ketel € 1.800 0

Bij de hybride installatie moet de opmerking worden gemaakt, dat de kans bestaat dat de gemeente besluit om binnen de terugverdientijd de woning van het gas af te sluiten. Dat betekent dat de gehele installatie moet worden verwijderd. Wil men investeren in een duurzame(re) ketel, dan is de lucht/water warmtepomp is mijn ogen dan ook de meest realistische investering. De terugverdientijd is 11 jaar. In de wetenschap dat (een deel van) de CV installatie na ongeveer 12 jaar moet worden vervangen en de omvormer (zet zonnepanelenstroom om in “gewone” stroom) van de zonnepanelen installatie binnen dezelfde periode aan vervanging toe is, is het rendement op deze investering zeer laag.

Wat is het effect van een warmtepomp op het milieu?

Het gasverbruik wordt bij een hybride installatie verminderd. Reken op een vermindering van 50% tot 70%. Bij een lucht/water- en aardwarmtepomp wordt het gasverbruik zelfs tot nul teruggebracht. In ons voorbeeld besparen deze laatste twee warmtepompen ongeveer minimaal 3.200 kg aan CO2 per jaar! Ik ga er daarbij van uit de extra benodigde elektriciteit volledig duurzaam wordt opgewekt.

Hoe kunt u nog meer uw huis verduurzamen?

 

Manier Terugverdientijd in jaren Rendement
Vloerisolatie 9 jaar 6%
Dakisolatie 8 jaar 6%
Muurisolatie 4 jaar 9%
HR++ glas 13 jaar 5%
Zonneboiler voor warm water 38 jaar Negatief rendement

Conclusie

Het investeren in een warmtepomp levert vanuit financieel oogpunt een laag rendement op. Kijken we naar het milieu, dan is het rendement groot. Met iedere kuub gas die u bespaart, ontziet u het milieu met ten minste 1,8 kilogram CO2. Bij een goed geïsoleerde woning van 650m3 stoot u ieder jaar zo’n 3.200 m3 minder aan CO2 uit. Isoleren van een woning levert het hoogste rendement op.

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 Binnenland

Bouwers plaatsen ‘excuuspanelen’ om aan energienorm te voldoen

  Pepijn Nagtzaam • 17 april 2018 18:16
Bouwers plaatsen 'excuuspanelen' om aan energienorm te voldoen
Een huis met één zonnepaneel in Zoeterwoude. Beeld © RTL Z

Het is een opvallend beeld dat je regelmatig ziet bij nieuwbouwwoningen: een dak met maar één of twee zonnepanelen. Waarom wordt het dak niet meteen helemaal vol gelegd? Zonnepanelen blijken gebruikt te worden als sluitpost om een huis te laten voldoen aan de eisen voor de energieprestatie.

Als er een nieuw huis gebouwd wordt, moet dat voldoen aan bepaalde voorwaarden om een bouwvergunning te krijgen. In dat bouwbesluit worden ook de eisen voor de energieprestatie van het huis benoemd.

Dat wordt uitgedrukt als de energie prestatie coëfficiënt (EPC) en is een rekensom van energiezuinige maatregelen die worden toegepast, zoals het aanleggen van een warmtepomp of isolatie.

Hoe meer energiezuinige maatregelen er worden genomen, hoe dichter het huis bij 0 komt en hoe zuiniger het huis. Die EPC was ooit 0,8, werd toen 0,6 en is nu 0,4.

Goedkoopst

Projectontwikkelaars gaan vaak op zoek gaan naar de goedkoopste manieren om aan de norm te voldoen, weet Henri Bontenbal, energiespecialist bij Stedin. “Soms komt een ontwikkelaar net niet aan die punten en wordt er wel aan de norm voldaan als er een paar zonnepanelen op het dak worden gelegd.”

Dat bevestigt Frank Doff van adviesbureau Klimaatgarant. “Bouwers kiezen er soms voor om één, twee of drie zonnepanelen aan te leggen om wel tot die waarde te komen. Een zonnepaneel weegt vrij zwaar in de puntentelling en is vrij goedkoop ten opzichte van andere maatregelen. Daarom wordt het sneller toegepast dan bijvoorbeeld triple glas.”

Hij legt uit dat er in zijn branche lijsten met tabellen rondgaan waarin uitgerekend is hoeveel euro per EPC-punt een maatregel kost. “Een een zonnepaneel kost 10 euro per EPC-punt, triple glas 30 euro.”

Spijtpanelen

Als er op die manier gewerkt wordt, krijg je dus het beeld van een straat vol daken waarop maar een paar zonnepanelen liggen. “Ze worden door sommigen ook wel spijtpanelen genoemd”, zegt Bontenbal. “Het is een kortetermijnoplossing en de wijk wordt er niet mooier van.”

Op Twitter verbazen mensen zich ook over de panelen, die op verschillende plaatsen gespot zijn.

Afvinklijstje

Marjan Minnesma van Urgenda, de organisatie voor innovatie en duurzaamheid, noemt de EPC-norm een ‘afvinklijstje’. “Je kunt ermee laten zien wat je hebt gedaan, maar het zegt niets over de milieuklasse van een huis”, zegt ze. “Een huis vol kieren kan zo nog steeds aan de eisen voldoen.”

Bart van den Bos van Zonnepaneelwijzer herkent het beeld. “Gaat met de aanleg van één zonnepaneel je EPC genoeg naar beneden om binnen een bouwbesluit te vallen, dan is er geen stimulans meer om er extra bij te leggen. Je volgt dan de letter van de wet in plaats van waar de wet voor bedoeld is. De EPC zou strenger moeten worden om dat tegen te gaan.”

De NVB, de vereniging van ontwikkelaars en bouwondernemers, noemt de praktijken ‘onwenselijk, maar begrijpelijk’. Jurist Coen van Rooyen laat namens de vereniging weten uit te kijken naar nieuwe regels in 2020. “Daarmee hopen we dat kopers en ontwikkelaars gaan kiezen voor oplossingen die nu misschien meer kosten, maar die op de lange termijn beter zijn voor zowel het milieu als voor de portemonnee van de klant.”

‘Beter iets bijbetalen’

Bewoners van huizen met maar één of enkele zonnepanelen hebben nu niet zo’n goede deal, vindt Bontenbal. “Die bewoner betaalt niet alleen hypotheeklasten, maar ook energiekosten. Nu worden er nog woningen op aardgas gebouwd, maar mét twee zonnepanelen. Dat is raar: je hebt als koper toch liever een woning die niet meer met aardgas verwarmd wordt, want zonnepanelen kun je er ook nog later op installeren.”

Bontenbal erkent dat het nu iets goedkoper is. “Het scheelt een paar duizend euro als je een woning koopt met een gasketel en een paar zonnepanelen. Maar zo moet je niet rekenen: het is veel verstandiger om nu iets meer te betalen voor een aardgasloze woning en dat terug te verdienen op je energierekening.”

Zonnepanelen-omdat-het-moet

Het lijkt hem dan ook slimmer om een warmtepomp in de woning te installeren. Dat is iets duurder dan een gasketel, maar je draagt in een keer veel meer bij aan de EPC-norm die je moet halen.

“Dan heb je geen zonnepanelen-omdat-het-moet nodig, maar dat kan altijd nog. Nog beter is het natuurlijk om allebei te doen: én een warmtepomp én zonnepanelen. Die zonnepanelen kun je tegenwoordig mooi laten integreren in je dak in plaats van drie van die dingen te installeren.”

In 2017 zijn er drie miljoen zonnepanelen geplaatst in Nederland. Dat zorgt ervoor dat er nu ongeveer 12 miljoen zonnepanelen in het land zijn, samen goed voor 2,2 procent van de elektriciteitsproductie in Nederland.

Bron • RTL Z / Pepijn Nagtzaam

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

Vrachttransport over spoor niet altijd zo schoon en zuinig als gedacht

Stationaire diesellocomotief stoot tot 3x meer NOx uit dan rijdende •

    nieuws              09 apr 2018

Vrachttransport over het spoor blijkt in de praktijk op een aantal aspecten minder schoon en zuinig dan gedacht. Diesellocomotieven die, bijvoorbeeld in de haven, worden ingezet om te rangeren, draaien in de praktijk meer dan driekwart van de tijd stationair. Dit stationair, dus onbelast, draaien blijkt verantwoordelijk voor meer dan 10% van de totale CO2-uitstoot en meer dan de helft van de totale NOx-emissies. Het energieverbruik van elektrische locomotieven lijkt ook niet zo laag als in de regel wordt aangenomen. In de slechtste gevallen is dat, tegen de verwachting in, vergelijkbaar met transport met een vrachtwagen.

Dit blijkt uit onderzoek van TNO naar het praktijkverbruik en de CO2- en NOx-uitstoot van spoorgoederenvervoer. Connekt en de Topsector Logistiek verleenden TNO in het kader van het Factor6 programma de opdracht om een elektrische locomotief en twee diesellocomotieven te meten. Niet eerder werden locomotieven hierop gemonitord. Voor vrachtverkeer op de weg zijn de afgelopen jaren de praktijkemissies fors lager geworden. Maar voor zogenoemde Non-Road Mobile Machinery (NRMM), zoals binnenvaartschepen, bouwmachines en spoorvrachtvervoer, nog niet. TNO is betrokken bij verschillende meetprogramma’s om, vaak voor het eerst, inzicht te krijgen in de werkelijke uitstoot van dit soort voertuigen in dagelijks gebruik.

Emissies diesellocomotieven

Diesellocomotieven op rangeerterreinen draaien in de praktijk meer dan driekwart van de tijd stationair. Dit stationair draaien is nodig om het remsysteem van de trein op druk te houden. De NOx-uitstoot bij stationair gebruik is tot wel drie keer hoger dan bij actief gebruik. Ook vormt de CO2-uitstoot, die direct is gekoppeld aan het dieselverbruik, bij stilstand een relevant aandeel in het totaal (10 tot 15%). De wetgeving voor locomotieven loopt achter op de wetgeving voor vrachtwagens. Omdat de levensduur van een diesellocomotief dertig jaar is, speelt dit probleem van hoge uitstoot nog een lange tijd.  Dat heeft negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit in en nabij havens en rangeerterreinen.

Resultaten elektrische locomotief

Uit de metingen blijk dat het energieverbruik van de elektrische locomotief niet zo laag is als in de regel wordt aangenomen. In de slechtste gevallen is dat, tegen de verwachting in, vergelijkbaar met transport met een vrachtwagen. Dit blijkt voor het belangrijkste deel te worden veroorzaakt door de totale lengte van de trein (rol- en wrijvingsweerstand) en minder door de belading.

Aanbevelingen

Volgens TNO zijn enkele van bovenstaande zaken relatief eenvoudig te verbeteren. TNO nam daarom in het rapport enkele adviezen op:

  • Om beter zicht te krijgen op de daadwerkelijke CO2-uitstoot van het spoorgoederenvervoer is het belangrijk de gebruikte energie door elektrische locomotieven die worden ingezet voor spoorgoederenvervoer bij meer locomotieven te meten en nader te analyseren. De nu in Nederland gebruikte kengetallen voor de CO2-uitstoot van vracht vervoerd per trein kunnen dan beter worden onderbouwd.
  • Het verdient aanbeveling te onderzoeken hoe het onderhoud van het getrokken materieel verbeterd kan worden, zodat de rolweerstand lager is. Het is goed mogelijk dat met relatief kleine ingrepen een forse reductie van energieverbruik en de CO2-uitstoot kan worden bewerkstelligd.
  • Het verdient aanbeveling onderzoek te doen naar de inzet van kleine hulpmotoren op diesellocomotieven. Deze hulpmotoren kunnen bij stilstand, in plaats van de grote hoofdmotor, systemen onder druk en spanning houden voor controles en inspecties. Zo’n kleine hulpmotor met 5% van het vermogen van de hoofdmotor is veel zuiniger en schoner en levert een directe verbetering op en rond rangeerterreinen en in de haven.
  • Stationair draaien wordt nauwelijks afgedekt door de huidige NRMM-testen voor de emissiewetgeving. Het verdient aanbeveling dit in toekomstige NRMM-wetgeving op te nemen.
  • De emissies van treinen worden in Nederland in de rekenmodellen momenteel aangeduid als ‘in niet betekenende mate’ voor lokale luchtkwaliteit. Het verdient aanbeveling deze aanduiding te herzien, zeker in gebieden waar dieseltreinen dagelijks rangeerwerkzaamheden verrichten of anderszins langere tijden stationair draaien.

Inzicht in praktijkemissies van voertuigen: basis voor effectief beleid

Verkeer en vervoer heeft een groot aandeel in de mate van luchtverontreiniging en uitstoot van emissies. De uitstoot van voertuigen wordt niet alleen bepaald door toegepaste technieken en de brandstof, maar ook door hoe het voertuig wordt gebruikt, de weer- en verkeersomstandigheden, het rijgedrag en de staat van onderhoud. Om inzicht te krijgen in de emissies en de factoren waar die van afhangen, verricht TNO emissiemetingen. Dit onderzoek vindt plaats in het lab, in de dagelijkse praktijk of onder voor de praktijk representatieve omstandigheden. Met die kennis helpt TNO de Europese Commissie, de Nederlandse overheid, steden, autobezitters en bestuurders. Zij kunnen op die manier effectieve maatregelen nemen om de uitstoot te reduceren. Deze maatregelen beslaan het hele spectrum van wetgeving, rijgedrag, inzet en gebruik, onderhoud en de vervanging van voertuigen. Als onderdeel van dit werk ontwikkelt TNO nieuwe meetprocedures, meetapparatuur, en analysemethoden om het steeds complexer emissiegedrag van voer- en vaartuigen te kunnen monitoren en effectieve emissiewetgeving en onafhankelijke toetsing mogelijk te maken.

Lees meer

. . . 
<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

‘Bedrijven in de lead voor een transitie naar een circulair voedselsysteem’

De businesscase voor circulariteit in de voedselsector is bewezen. Toch zetten nog relatief weinig bedrijven erop in. Daar willen Rabobank, Wageningen University & Research en Three-sixty verandering in brengen. Dat doen zij niet alleen, want samenwerking vormt de sleutel tot succes.

20-03-2018 07:55 | Door: Rianne Lachmeijer

In 2015 moest Sharon Dijksma, staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, rapporteren hoeveel voedselverspilling was teruggedrongen. Het doel: een reductie van 20 procent. De conclusie: er is niets gebeurd. “Dat was het moment dat ik contact zocht met Toine Timmermans en de Verspillingsfabriek startte”, zegt Bob Hutten.

Ondernemer Hutten is naast oprichter van de Verspillingsfabriek ook de oprichter van Three-sixty, een innovatiecentrum voor circulaire economie. “Wij realiseerden ons dat er geen plek was waar mensen terecht konden die voedselverspilling tegen willen gaan”, vertelt hij.

‘6 procent van CO2-uitstoot ontstaat door productie van voedsel dat niet wordt gegeten.’

“Een plek met informatie om voedselverspilling te voorkomen, reduceren en reststromen te verwaarden. Onze conclusie was dat er een consortium moest komen van grote partijen die zich allemaal uitspreken tegen voedselverspilling.”

Dit idee groeide uit tot Three-Sixty en de Taskforce Circular Economy in Food. “Eigenlijk zijn Bob Hutten en ik de grote aanjagers van dit verhaal,” zegt Toine Timmermans. Hij is programmamanager circulariteit in food bij Wageningen University & Research (WUR) en houdt zich al vijftien jaar met het thema bezig.

Taskforce Circular Economy in Food

De Taskforce is een initiatief van WUR en is in samenwerking met het ministerie van Economische Zaken en de Alliantie Verduurzaming Voedsel tot stand gekomen. Leden uit de hele voedselketen, van mkb-bedrijven tot multinationals, zijn erbij aangesloten. Ook Rabobank is vanaf het begin bij het initiatief betrokken. “Rabobank is een fantastische bondgenoot om schaarste en verspilling aan te pakken”, vindt Hutten.

“Landbouw is altijd al circulair geweest.’

Rabobank sloot zich graag aan bij de Taskforce, omdat het past bij de eigen missie ‘Growing a better world together’ en de Banking for Food-strategie. In haar SDG Rapport 2017 laat Rabobank haar bijdrage zien aan de 17 Sustainable Development Goals (SDG’s) van de Verenigde Naties.

Dit jaar focust Rabobank op de thema’s klimaatvriendelijke landbouw en vermindering van voedselverspilling. “Meer voedsel op meer land produceren gaat niet werken, in plaats daarvan moeten we waarde uit food waste halen. Food waste is smart business. Daarom moeten bedrijven in beweging komen.”

Daar ziet Alain Cracau, director Sustainable Business Development & Advisory bij Rabobank, ook de belangrijkste rol voor de bank: “Wij kunnen bedrijven uit de gehele voedselketen bij elkaar brengen, omdat we iedereen spreken.” Hij is blij met mooie ambities van bedrijven en de overheid, maar hij vindt actie nu het belangrijkste: “Er zit zoveel potentieel, maar we moeten het nu wel echt gaan doen.”

Voedselverspilling: symptoom van een slecht functionerend systeem

Eén van de problemen van voedselverspilling is dat het probleem ‘van niemand is’, merkt Cracau op. Bij bijna elk bedrijf in de voedselsector is sprake van verspilling. Het is zo vanzelfsprekend dat het is opgenomen in onze economische modellen, stelt Hutten. Tegelijkertijd is het onderwerp lange tijd taboe geweest, vult Timmermans aan: “Er werd niet over gesproken.”

Inmiddels is voedselverspilling in Noord-Amerika opgelopen tot 50 procent, weet Hutten. In Nederland ligt de teller tussen de 30 en 33 procent. Dat betekent dat circa een derde van ons voedsel bij het afval belandt. Het gaat bijvoorbeeld om groenten die niet aan de schoonheidseisen voldoen: zij zijn kwalitatief in orde, maar zien er gek uit. voedselverspilling, consumenten

Deze voedselverspilling heeft ook impact op het milieu, zegt Timmermans: “Zes procent van de CO2-uitstoot ontstaat door de productie van voedsel dat niet wordt gegeten.” Tegelijkertijd gaan dagelijks nog steeds 800 miljoen mensen hongerig naar bed.

“Voedselverspilling is het symptoom van een slecht functionerend voedselsysteem”, concludeert de programmamanager circulariteit in food bij WUR. Daarmee is het terugdringen van voedselverspilling verweven met een systeemverandering. Ook Hutten en Cracau zien voedselverspilling als onderdeel van een transitie naar een circulair voedselsysteem.

Het gemengd bedrijf als circulair voorbeeld

Volgens Cracau is circulariteit in de landbouw niet nieuw. “Landbouw is altijd al circulair geweest. Toen ik jong was en bij mijn familie op de boerderij werkte, gebruikten we alles. Mijn familie had een gemengd bedrijf,” zegt hij.

Na de Tweede Wereldoorlog is volop ingezet op schaalvergroting om honger uit te bannen. “Dat is de boeren zo goed gelukt dat we nu een overschot hebben en Nederland de tweede exporteur ter wereld is.” In dat proces is circulariteit gesneuveld. Volgens Cracau kan het gemengd boerenbedrijf nu als voorbeeld dienen voor de inrichting van een circulaire keten.

“Wat je wilt, is een gesloten systeem bouwen”, beaamt Hutten. “Waarom wil je dat? Omdat het maximaal duurzaam is: je benut alles zoals je het wilt benutten.” Daardoor komen voedselverspilling reduceren en een circulair voedselsysteem opbouwen in de praktijk dicht bij elkaar.

De businesscase

Volgens Cracau en Timmermans levert voedselverspilling tegengaan winst op. “Iedere euro die wordt geïnvesteerd levert 14 euro op”, zegt Timmermans. Toch zetten bedrijven hier vaak niet op in, omdat kennis ontbreekt, complete processen veranderd moeten worden of het voordeel zich voordoet op een andere plek in de keten.

‘ Iedere euro die wordt geïnvesteerd in tegengaan voedselverspilling levert 14 euro op’

“Als voedselverspilling wel wordt aangepakt, gebeurt dat vaak fragmentarisch op verschillende fronten, terwijl de opgedane kennis niet wordt gedeeld. Daarom biedt een gezamenlijke aanpak zoals bij de Taskforce een uitkomst. Bedrijven kunnen daarin van elkaar leren en elkaar stimuleren.”

Sectorambassadeurs

Iedere deelnemer heeft een of twee concrete doelen opgesteld die hij gaat oppakken. Daarnaast moet ieder nieuw lid bereid zijn om ambassadeur te worden voor zijn sector. “Het mooiste voorbeeld is Lamb Weston/Meijer, dat bedrijf heeft alle bedrijven in de sector meegekregen”, zegt Timmermans. Het gezamenlijk doel is om in 2030 voedselverspilling te hebben gehalveerd.

Subdoelen Taskforce

Er zijn vier subdoelen opgesteld. De eerste daarvan is meten hoe de Taskforce ervoor staat. Het tweede is innoveren in de keten, waarbij bedrijven die dat nog niet doen worden geholpen door de koplopers. Het derde is consumentengedrag veranderen door middel van campagnes. En het vierde doel is de ‘spelregels veranderen’, waardoor voedselverspilling niet langer de norm is. Hierbij kan wetgeving een rol spelen.

Toch legt Timmermans de nadruk op de rol van bedrijven: “Bedrijven moeten de lead nemen. Als die niet gaan bewegen, gaat het niet werken.” De bedrijven die zich aangesloten hebben bij de Taskforce durven die rol op zich te nemen: “Het zijn allemaal koplopers die voedselverspilling aanpakken en andere bedrijven daarbij willen betrekken.”

‘Bedrijven moeten de lead nemen.’

Cracau hoopt dat nog meer bedrijven die circulariteit in de voedselsector willen vormgeven zich bij de Taskforce aansluiten: “Voor bedrijven die circulariteit concreet willen maken is dit de juiste weg.”

Internationale voorbeeldfunctie

Op het gebied van voedselverspilling doet Nederland het momenteel niet per se beter dan andere landen, maar wij zijn wel het eerste land met een serieuze taskforce, zegt Timmermans. “Ondanks dat we er nog niet zo veel over communiceren, zie je dat steeds meer partijen naar Nederland kijken als voorbeeld.”

Timmermans heeft goede hoop dat de Taskforce voor verandering in de voedselsector gaat zorgen: “Nu is het voor het eggie: nu moeten we voedselverspilling gaan oplossen.”

Lees ook: Waarom voedselverpakkingen onmisbaar zijn

Afbeeldingen: Adobe Stock

 
. . . 
<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

Puerto Rico na de orkaan Maria.
Puerto Rico na de orkaan Maria. © AFP 

Wat je moet doen als je depressief wordt van alle onheilsboodschappen over het klimaat

Daphne van Paassen ligt er wakker van en wil iets doen

Wat doe je als je letterlijk depressief wordt van alle onheilsboodschappen over het klimaat en apathisch onder een dekentje wilt kruipen? Daphne van Paassen zoekt uit hoe ze in actie kan komen.

‘Ik ga jullie echt missen’, verzucht Judith Karis, ex-kok, zwart mini-jurkje met poncho, aan het eind van de avond. Ze kijkt het groepje rond. ‘Kennen jullie dat wetenschappelijke experiment?’ En ze beschrijft hoe een proefpersoon in een wachtkamer zit tussen acteurs die nadrukkelijk doen of er niets aan de hand is terwijl er steeds meer rook onder een deur vandaan komt. ‘De proefpersoon kijkt angstig maar blijft zitten omdat de anderen dat ook doen.’ Zit zo’n proefpersoon alleen in een wachtkamer dan loopt hij weg. Karis zet haar glas wijn neer en leunt achterover. ‘Zo voel ik me. Alsof ik in die volle wachtkamer zit. De wereld staat op ontploffen maar we doen of er niets aan de hand is.’

Minder eenzaam

Jullie gaven me het gevoel dat ik niet de enige ben die iets wil doen

Rosan op den Kelder

De twee jonge vrouwen en twee mannelijke veertigers rond de keukentafel in een nieuwbouwwijkje in De Bilt knikken geestdriftig: he-le-maal mee eens.

‘En het was dus fijn om met mensen te zijn die ook rook zien’, besluit ze.

‘Ik heb me ook minder eenzaam gevoeld’, zegt Rosan op den Kelder (24), in het dagelijks leven adviseur bij de Omgevingsdienst regio Utrecht. ‘Jullie gaven me het gevoel dat ik niet de enige ben die iets wil doen. Maar ook dat ik mijn struggles op tafel kon gooien.’

AA-meeting

Op den Kelder had sinds ze voor haar studie vakken over duurzaamheid volgde, depressieve gevoelens; vooral alle documentaires over klimaatverandering maakten haar somber. ‘Ik ging het mensen kwalijk nemen dat ze het zover hadden laten komen. Maar die negativiteit helpt je niet.’ Door veganistisch te eten en de natuur op te zoeken, heeft ze het plezier in het leven hervonden.

‘Gaaf’, reageert coach Kim Reek (41).

‘Het lijkt wel een AA-meeting’, giechelt Judith (46), ze smeert nog een toastje met veganistische boursin.

Bosbranden in Portugal.
Bosbranden in Portugal. © EPA

Regenachtige dag

Het is de laatste bijeenkomst van de KlimaatGesprekken, een serie ‘workshops’ waarin kleine groepjes onder leiding van een coach leren en uitwisselen hoe ze hun voetafdruk kunnen verkleinen op het gebied van wonen, eten en reizen – maar waarin ze vooral ook steun vinden bij elkaar. Afgelopen jaar deden zo’n tweehonderd mensen mee. Dit jaar verwacht de organisatie een verdriedubbeling. Belangrijkste reden voor mensen om zich aan te melden: leren wat ze nog meer kunnen doen en niet willen wachten op de overheid omdat er nú iets moet gebeuren.

Dat ik op een regenachtige dag in januari verzeild ben geraakt bij deze eco weight watchers, is geen toeval. Nieuws over de mondiale opwarming vliegt mij de laatste tijd naar de strot.

Verbijsterende nieuws

En dat was er het afgelopen jaar volop. 2017 was het jaar van extremen: recordbrekende orkanen, temperaturen van boven de 50 graden in Azië. 2017 stond net als 2016 en 2015 in de topdrie van warmste jaren ooit gemeten. Er was het verbijsterende nieuws dat er net over de grens met Duitsland driekwart van de insecten is verdwenen. En er waren ongehoorde hoeveelheden neerslag. Dus als het weer dagen achtereen hoost of als het zo hard stormt dat mensen als lege bierblikjes over straat rollen, dan drenst het in mijn hoofd: zie je, klimaatverandering.

Sinds ik voor een artikel over klimaatactivist Naomi Klein het probleem in zijn volle glorie tot me moest laten doordringen, lig ik wakker en maal. Over zeespiegelstijging en dijkdoorbraken (hebben anderen wel noodrantsoenen en opblaasbootje op zolder liggen?). Ik scheid braaf mijn afval, rijd bijna geen auto en ga per trein op stedentrip. Maar apathie dreigt: wat heeft dit gefröbel in de marge voor zin? Ik begin te lijken op John B. McLemore, de hoofdpersoon uit de succesvolle Amerikaanse non-fictie podcast S-town, die een moordzaak aan de kaak probeert te stellen, maar ondertussen overal tekenen ziet van de dreigende apocalyps en die volgens de lovende recensies lijdt aan klimaatdepressie.

Hoe kom ik hier vanaf?

Hittegolf in India.
Hittegolf in India. © EPA

Duurzaamheid en gedrag

Van klimaatwetenschappers was al bekend dat ze soms wanhopig worden van hun eigen verontrustende feiten en de laksheid waarmee de wereld erop reageert – wetenschapsvoorlichter Joe Duggan verzamelde op zijn website isthishowyoufeel.com handgeschreven brieven van klimaatwetenschappers over hun angsten als mens. Maar recent onderzoek van Sabrina Helm van de University of Arizona laat zien dat ook gewone burgers gevoelig zijn voor stress, angst en zelfs depressie door klimaatverandering. Vooral degenen die hoog scoren op ‘biosperic concern’ – mensen die begaan zijn met de natuur.

Linda Steg, hoogleraar omgevingspsychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, doet onderzoek naar duurzaamheid en gedrag. 90 à 95 procent van de Europeanen gelooft in klimaatverandering, blijkt uit een grote nog ongepubliceerde Europese studie. En bijna net zo’n grote groep is ook overtuigd van de menselijke invloed hierop, zegt Steg, die vanuit Nederland meewerkte aan het onderzoek. ‘Maar hele grote zorgen? Dat maken ze zich niet’, zegt ze.

Onze psyche

Die paradox – mensen zijn overtuigd van klimaatverandering, maar maken zich slechts enigszins zorgen – zou er weleens de reden van kunnen zijn dat ze nog niet massaal in actie komen, vermoedde de Noorse psycholoog en econoom Per Espen Stoknes, schrijver van What We Think About When We Try Not To Think Of Global Warming. Wetenschappers proberen ons wanhopig nog meer cijfers te voeren om ons te overtuigen, redeneert hij, maar die werken averechts. Hoe meer we weten, hoe dieper we onze kop in zand steken. Oorzaak? Onze psyche. Die kan slecht overweg met dit soort boodschappen die ver van ons af staan – global warming blijft voor veel mensen iets van zielige ijsberen en een verre toekomst. Onze aandacht gaat uit naar het hier en nu: liefde, kinderen, werk, huizen, vakanties.

80 procent van het nieuws over klimaatverandering gaat bovendien over onheil, verliezen en kosten – niemand, maar dan ook niemand wil daarmee te maken hebben en dus vermijden we de bronnen van deze ‘onheilsporno’.

Cognitieve dissonantie

Vier op de vijf Nederlanders wil best duurzamer wil leven, maar verwacht niet dat anderen dat ook zullen doen

En wanneer het zich toch aan ons voordoet, hebben we een heel scala aan vermijdingsmechanismen om er niets mee te hoeven doen. Eigenlijk verkeren we, zegt Stoknes, in een permanente cognitieve dissonantie. Omdat we weten dat de aarde opwarmt door de uitstoot van CO2, maar we tegelijkertijd met bijna alles wat we doen – eten, autorijden, spullen kopen, vliegen – zelf CO2 uitstoten, kampen we met een continue innerlijke tegenstrijdigheid. ‘Om van dat ongemakkelijke gevoel af te komen zoek je uitvluchten: de auto van mijn buren is veel groter en vervuilender dan die van mij, als ik de enige ben die niet vliegt, wat heeft het dan voor zin?’ ‘We voelen ons dan beter’, aldus Stoknes. Maar tegelijkertijd weerhoudt het er ons van om in actie te komen. Uit een recente enquête van I&O Research in opdracht van het Klimaatverbond blijkt dat vier op de vijf Nederlanders inderdaad best duurzamer wil leven, maar niet verwacht dat anderen dat ook zullen doen, waardoor het vaak bij goede voornemens blijft.

Stoknes adviseert me dan ook om die klimaatdepressie van mij te koesteren: ‘Verdiep hem, doorleef ‘m!’, mailt hij en tussen haakjes: ‘tongue-in-cheek’. ‘Stand up for your depression!’

Angsttherapie

Daphne van Paassen: 'Als het weer dagen achtereen hoost of als het heel hard stormt, drenst het in mijn hoofd: zie je, klimaatverandering.'
Daphne van Paassen: ‘Als het weer dagen achtereen hoost of als het heel hard stormt, drenst het in mijn hoofd: zie je, klimaatverandering.’ © Sanne De Wilde

Hij heeft gelijk, denkt Jaap van der Stel, lector ggz aan de Hogeschool Leiden, die een half jaar terug een symposium over geestelijk welzijn en klimaatverandering organiseerde. ‘Angst is op zich niet verkeerd. Die is een signaal dat er gevaar dreigt. Dat je moet vluchten. Of dus vechten; je ertegen verzetten. In angsttherapie ga je niet voor niets altijd op zoek naar mogelijkheden om iets te doen: om de situatie te beïnvloeden, zodat je weer een gevoel van controle krijgt.’ De beste remedie bij klimaatdepressie is dus iets duurzaams doen, stelt hij.

Hoogleraar Steg adviseert te beginnen met iets makkelijks. Maakt niet uit wat. ‘Onderzoeken laten zien dat als je je groen gedraagt je over jezelf gaat denken als duurzaam persoon waardoor je je gedrag daarmee in overeenstemming wilt brengen – we willen immers consistent zijn en dus ons gedragen naar het beeld dat we van onszelf hebben.’

Maar waar te beginnen?

Zure regen

Industrieel ontwerper Babette Porcelijn vroeg zich dat ook af toen zij op een zondagmiddag op de bank haar moment van de waarheid beleefde. ‘Ik kwam erachter dat de zestien grootste containerschepen evenveel CO2 uitstoten als alle auto’s ter wereld bij elkaar. Ik was in shock’, vertelt ze in haar atelier in Amsterdam. In het midden van het oude klaslokaal ligt een nep-ijsberenvel met kop – alsof het symbool van de klimaatverandering zojuist ter plekke is uitgestorven. ‘Ik dacht vroeger dat het wel de goede kant op ging met het milieu in Nederland: we hebben weer vis in de Rijn; we hebben geen zure regen meer. Maar we hebben onze ellende gewoon verplaatst. We laten al onze spullen in lagelonenlanden maken en zien daardoor de vervuiling niet meer.’

Gewend aan innovatief denken schoot ze naar eigen zeggen direct in de probleemoplossende modus. ‘Ik wilde een toptien van verborgen impact hebben – dus een toptien van dingen die het slechtst zijn voor het milieu, niet alleen in gebruik, maar ook door de voor ons vaak verborgen wijze van produceren en vervoer. Zo kon ik bepalen welk groen gedrag het meest effectief was.’ Via crowdfunding kon ze het onderzoeksbureau CE Delft inhuren om door te rekenen waar de meeste winst te behalen viel voor de gemiddelde Nederlander.

Impact

Het geeft écht een kick, het is ook écht leuk, groen leven!

Babette Porcelijn

De resultaten staan in haar boek De verborgen Impact. ‘Je denkt bij vervuilend gedrag vooral aan autorijden en energie in huis, maar spullen kopen of vlees eten zijn veel vervuilender. Als je dat vermindert door alleen tweedehands kleding te kopen en vegetarisch te eten bijvoorbeeld, heb je twee keer zoveel impact.’ Zelf heeft ze de auto weggedaan, vliegt niet meer, is kleiner gaan wonen, koopt alleen in de kringloopwinkel en probeert nu veganistisch te eten. Ze worstelt nog met de sojamelk die ze nogal vies vindt en maakt haar muesli nu half-om-half om langzaam te wennen.

‘Het klinkt wel als afzien’, stamel ik.

‘Nee joh, het geeft écht een kick, het is ook écht leuk, groen leven!’, zegt ze, met en monalisalachje en priemende ogen: ‘Ik beweeg meer, ben gezonder, houd geld over, ga op spannende fietsvakanties. We moeten natuurlijk wel ook een wereld schetsen die zo gaaf is dat iedereen die wil nastreven. Een stip op de horizon.’ Hoe die er dan uitziet, dat moet ze nog onderzoeken voor haar volgende boek. Maar het zal iets zijn met ‘schone lucht’, ‘mooie natuur’, ‘armoedebestrijding’ en ‘altruïsme, waar je als mens pas echt gelukkig van wordt’.

Samen duurzaam

Eenmaal thuis vervang ik op de dagen dat ik kook stilletjes het vlees door vegetarische producten – dan gaat er ook niemand mekkeren – kondig aan dat we alleen nog bij hoge uitzondering met de auto gaan, zet nog een vijfde recyclebak neer voor groentenafval en draai als ik thuiswerk de thermostaat uit (tot ergernis van mijn huisgenoten: ‘Je ziet eruit of je bent weggelopen uit Scrooge and Marley met die… wat zijn dat eigenlijk? Oh my god, armwarmers!’).

Om het huis klimaatproof te maken word ik ook lid van de buurtcoöperatie en ga half januari naar de informatieavond ‘van het gas af’. Door samen duurzaam te zijn, breng je het abstracte probleem van de mondiale opwarming dichterbij, schrijft Stoknes. Daarbij zijn we nu eenmaal groepsdieren: peer-gedrag bepaalt voor een groot deel wat we doen. Kijk maar naar het onderzoek van het I&O over de gemiddelde Nederlander die wel wil verduurzamen, maar wacht op de overheid en anderen om hem voor te gaan. De beïnvloedingswetenschapper Robert Cialdini ontdekte dat als je weet dat je buren minder energie verbruiken dan jij, je zelf ook energiezuiniger gaat leven (van 14,5 naar 12 kilowatt per dag). Juist als we mensen onzeker zijn kijken ze naar wat hun peers doen.

Door samen duurzaam te zijn, breng je het abstracte probleem van de mondiale opwarming dichterbij

Praktische gemor

In een oud spoorweggebouw zit een man of veertig bij elkaar – veel grijze hoofden, een paar veertigers. Een scheefstaande beamer op een krukje. Een ambtenaar van de gemeente Haarlem vertelt hoe de stad in 2030 klimaatneutraal wil worden en in 2040 van het aardgas af. Een echt plan lijkt er nog niet te zijn maar ze heeft een bureau wel laten doorrekenen wat de efficiëntste oplossing is: voor onze wijk een palletkachel. ‘Maar die stoot toch ook CO2 uit?’ vraagt een vrouw van middelbare leeftijd. ‘Ik heb trouwens ontzettende last van al die houtkachels in deze buurt. Wie heeft er eigenlijk allemaal…’ Ze wordt onderbroken: ‘Als de gemeente wil dat ik van het gas af ga, waarom moet ik dan een boete betalen aan netbeheerder Liander als ik afgesloten wil worden?’

De ambtenaar wordt gered door een bestuurslid van de buurtcoöperatie die een bruggetje maakt naar het belang van het ‘buurtonderhoudsplan’, waarvoor we ons kunnen aanmelden. Maar ook hier verzandt de discussie in mitsen en maren. Ik merk dat ik gemakkelijk mee ga in het praktische gemor en dat er weinig over is van de hoopvolle energie waarmee ik naar deze bijeenkomst ging: de overheid doet misschien weinig, maar wij gaan dit als bewoners zelf wel even fixen.

Een modderstroom in Californië, VS.
Een modderstroom in Californië, VS. © AFP

Hybride warmtepomp

Tot ik Andries Tieleman spreek die tijdens de borrel na afloop aan geïnteresseerden op zijn iPad laat zien hoe hij zijn huis – een van de twaalf ‘pionierswoningen’ in de wijk – heeft verduurzaamd. Van huis uit werktuigbouwkundige geloofde hij niets van het verhaal dat je oude huizen moeilijk klimaatneutraal krijgt. Hij is nu een tijdje bezig en heeft zijn energieverbruik met tweederde naar beneden gebracht met zonnepanelen, een hybride warmtepomp, isolatie, voorzetramen en een systeem waarmee hij de temperatuur per kamer kan regelen.

Misschien is hij wel de ‘blockleader’ waar Steg het over had: bewoners die inspireren en een voortrekkersrol spelen. Wil je mensen duurzaam maken, dan is de inzet van dit soort types de meest effectieve manier. ‘Mensen nemen het meest aan van mensen die op hen lijken en die ze meer vertrouwen dan bedrijven of de overheid.’

Desastreuze grafieken

Tieleman woont in een huis uit 1892, glas-in-loodramen, een verweerde houten vloer, bewerkte hoge plafonds, overal lampjes van gekleurd glas, brokaten gordijnen, in het midden van de kamer een grote Bechstein-vleugel van zijn vrouw die operazangeres is. Tieleman is het gewoon gaan doen om mensen te laten zien dat het kan. Volgens Urgenda wordt 23 procent van de CO2-uitstoot in Nederland veroorzaakt door woningen. ‘Daar valt echt wat te winnen. Technisch kan het sowieso, een klimaatneutrale samenleving in 2030. We moeten het alleen willen.’

Maakt hij zich weleens zorgen? ‘Grote zorgen!’ Hij tovert desastreuze grafieken op zijn iPad van de gemiddelde wereldtemperatuur door de tijdvakken heen. Het is de reden dat hij ontslag heeft genomen bij het bedrijf in de luchtvaartindustrie waar hij in het managementteam zat, maar waar niemand over de gevolgen van de op handen zijnde energietransitie wilde nadenken. Hij wil er juist aan bijdragen. ‘Het leuke is dat duurzame energie decentraal is. Je hebt geen grote fabrieken of installaties nodig; je hoeft niet op de overheid te wachten om te veranderen, je kunt het zelf gewoon gaan doen. En het kan ook snel gaan. Het is als met de smartphone – binnen een paar jaar had iedereen zo’n ding en kan niemand meer zonder.’

Thuis leidt dat ‘samen iets duurzaams doen’ allerminst tot een hartverwarmende yes-we-can-verbroedering

Betekenisvol leven

Vol goede moed, verlaat ik het huis in de storm – weer zo’n omineus teken – die later heel Nederland platlegt. Het kán dus. Ook in onze huizen. Dit is wat Steg de warm glow noemt: mensen die iets duurzaams doen, voelen zich gelukkig. ‘Als je iets altruïstisch doet, krijgt je zelfbeeld een boost. Mensen willen immers betekenisvol leven; een bijdrage leveren aan het grotere geheel.’ Eudemonia – Aristoteles had het er al over.

Thuis leidt dat ‘samen iets duurzaams doen’ trouwens allerminst tot een hartverwarmende yes-we-can-verbroedering. Onderwerpen als autorijden (‘We rijden vergeleken met anderen al heel weinig’), eten (‘Ik houd gewoon van vlees!’), verwarming (’17 graden is echt kindermishandeling’) en spullen kopen (‘Dit is geen refurbished beeldscherm, het is een afgedankte tv’) monden steevast uit in geruzie: ‘Ze is gewoon een fundamentalistische klimaatactivist geworden’, vindt mijn zoon. Zijn vader vraagt of ik tenminste een oplossing kan verzinnen voor de inmiddels ‘Napolitaanse afvalverwerkingstaferelen’ in de keuken.

Doorleef je klimaatdepressie- zeg dat wel.

Overstroming na de orkaan Harvey in Houston, VS.
Overstroming na de orkaan Harvey in Houston, VS. © AP

Moraalridder

Je moet uitkijken dat je geen zendeling wordt, die anderen vertelt hoe het moet

Kim Reek, groepscoach KlimaatGesprekken

‘Het is soms gewoon ploeteren’, zegt Kim Reek, groepscoach bij de KlimaatGesprekken in De Bilt. Ook hij ligt af en toe overhoop met zijn omgeving. ‘Dat onderhandelen over of de thermostaat een graadje lager kan – trek toch gewoon een trui aan!’ Daardoor voel je je weleens alleen, denkt hij. Juist als hij aan zijn twee jonge kinderen denkt, kan de paniek toeslaan. ‘Dan moet je uitkijken dat je geen zendeling wordt, zo’n moraalridder die anderen vertelt hoe het moet. Daar hebben mensen terecht ontzettend de pest aan. Tegelijkertijd wil je je omgeving wakker schudden: we moeten nú iets doen.’

De laatste bijeenkomst van de KlimaatGesprekken gaat dan ook over gesprekken met anderen. De Britse psychotherapeut Rosemary Rendall, die de oorspronkelijke Carbon Conversations in 2006 bedacht, merkte dat mensen die de betekenis van klimaatverandering ten volle tot zich lieten doordringen, zich vaak alleen, somber en hulpeloos voelden. ‘Kleine groepen van gelijkgestemden die praten over hun problemen is in de psychotherapie een beproefd concept’, laat ze via de mail weten. Ook om te leren hoe je er met je omgeving over praat. Luisteren is het belangrijkste.

Rollenspel

In de huiskamer van Kim Reek merkt iedereen hoe lastig dat is: ze willen allemaal vooral overtuigen – ‘o god, ik zit maar te lullen!’, zegt Kim Reek, die in een rollenspel zijn vrouw wil bewegen om minder te vliegen. Gelach. Judith probeert haar vriend op vegetarische kipstukjes over te laten stappen zonder een dwingende Jehova’s getuige te worden.

Natuurlijk zijn al die individuele acties op zich niet genoeg om het klimaat te redden. Maar volgens Stoknes bouw je zo wel ‘bottum-up support’ voor politici en wet- en regelgeving die dat wel kunnen. Een heldere boodschap voor al die mensen die volgens het I&O onderzoek wel willen verduurzamen, maar wachten op de overheid en elkaar.

Een begin

Ik realiseer me na de KlimaatGesprekken dat ik het thuis volkomen verkeerd heb aangepakt. ’s Nachts schiet ik nu weliswaar niet meer wakker van dromen over dijkdoorbraken, maar moet ik wel opboksen tegen een soort klimaatgekkie-imago. De eerstvolgende keer aan tafel probeer ik het in de geest van Rosemary Randell met een vraag die mijzelf nogal kwezelig in de oren klinkt – ‘wat willen jullie dan veranderen’ – en tot mijn stomme verbazing komen er ideeën: de geërfde auto van opa inruilen voor een klein model, zonnepanelen en, een heel overtuigende: geen vlees meer maar dan wel iedere dag kaassoufflés.

Het is een begin.

. . . 
<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

Stadstuinbouw: lessen uit Gent, Philadelphia en Warschau

Initiatieven voor stadstuinbouw hebben een grotere slaagkans 
als er structurele steun is door de stad of gemeente én 
als er een balans is tussen het streven naar economische 
haalbaarheid en het vergroten van de sociale gelijkheid 
in de stad. 
Dat concludeerde ILVO-UGent onderzoekster Charlotte Prové 
na een vergelijkende studie over stadslandbouw in Gent, 
Philadelphia en Warschau. . . . . lees hieronder verder
Vlaanderen

ILVO persbericht – donderdag 1 februari 2018

Stedelijk beleid rond stadslandbouw maakt het verschil: lessen uit Gent, Philadelphia en Warschau

Initiatieven voor stadslandbouw hebben een grotere slaagkans als er structurele steun is door de stad of gemeente, én als er een balans is tussen het streven naar economische haalbaarheid en het vergroten van de sociale gelijkheid in de stad. Dat concludeerde ILVO-UGent onderzoekster Charlotte Prové na een vergelijkende studie over stadslandbouw in Gent, Philadelphia en Warschau. Het model van voedselraden, talrijk aanwezig in de VS maar nieuw in Europa, kan stadlandbouw een boost geven, mits een doorgedreven participatie en een doordachte visie die past bij de mogelijkheden van de stad in kwestie.

Op 2 februari 2018 verdedigt Charlotte Prové haar doctoraat “The politics of urban agriculture: an international exploration of governance, food systems, and environmental justice”. De publieke verdediging gaat door in zaal E 2.009 op de Campus Coupure (Faculteit. Bio-Ingenieurswetenschappen), Coupure 653, 9000 Gent. Promotoren van het doctoraat zijn Prof. Joost Dessein en dr. Michiel de Krom.

stadsdeeltuin

Stadslandbouw: veel aandacht, veel actoren en formules, beperkt succes en groei

Roof Food in Gent, PAKT in Antwerpen, Abattoir in Anderlecht: innovatieve ondernemingen in de stadslandbouw kunnen steevast op veel media-aandacht rekenen. De gedachte dat steden meer verantwoordelijkheid moeten nemen in het voorzien van gezonde en duurzame voeding kan op veel sympathie rekenen. Dat komt doordat stadslandbouw sterk wordt gelinkt aan sociale, economische en ecologische duurzaamheid: het verbindt mensen, het biedt kansen voor nieuwe verdienmodellen, en het verplaatst het voedselvraagstuk van het globale naar een meer lokaal niveau. Daardoor kan er meer doordacht met natuurlijke bronnen worden omgegaan. De vele initiatieven die in de steden zijn gegroeid vertonen een grote variatie aan praktijken. Bij de actoren ziet de onderzoekster erg diverse profielen: professionele landbouwers, nieuwe ondernemers, onderzoekers, architecten, sociale en culturele instellingen, onderwijsinstellingen, en overheidsinstellingen, maar ook burgers.

Vraag en aanbod zijn dus allebei duidelijk aanwezig, maar toch kent stadslandbouw een trage groeicurve. Charlotte Prové: “Ondanks veel bereidheid zie ik stadslandbouw in de Vlaamse steden en gemeenten nog niet echt op een grotere schaal van de grond komen. De ontwikkeling verloopt traag, veel projecten zijn tijdelijk of experimenteel, vaak plukt enkel de middenklasse de vruchten”. Een cruciale verklaring voor het matige succes ligt volgens de onderzoeker bij de rol die de lokale overheid al dan niet speelt.

Structurele steun door stedelijk beleid maakt een verschil

ILVO-UGent onderzoekster Charlotte Prové trok naar Gent, Warschau en Philadelphia om inzicht te krijgen in de barrières. Daarbij nam ze de rol van de stad in het ondersteunen van stadslandbouw onder de loep. Aan de hand van interviews met burgers, ondernemers, en beleidsmakers, via de analyse van documenten, en via deelname aan activiteiten, debatten, en vergaderingen van onder andere voedselraden kon ze vergelijken welke al dan niet succesvolle rol er kan worden gespeeld door een stedelijk beleid. “Ik ontdekte heel wat manieren waarop stedelijke overheden stadslandbouw kunnen ondersteunen, gaande van zachte maatregelen zoals ruchtbaarheid geven, promotie, en financiering, tot structurele ondersteuning zoals permanent ruimte bieden aan stadslandbouw, en het opzetten van een voedselraad (of in het Engels ‘food policy council’).”

In Warschau wordt stadslandbouw niet gesteund door lokale overheidsinstellingen. Bijgevolg blijven de projecten informeel en tijdelijk, en blijft stadslandbouw onder de radar. In Gent en Philadelphia is er formeel beleid rond duurzame en lokale landbouw en voeding opgesteld, en dat opent deuren voor stadslandbouw. In Philadelphia werd een grondbank opgericht waarbij publieke en braakliggende gronden permanent kunnen worden ingezet voor stadslandbouw. Bij het organiseren van deze grondbank zijn heel wat organisaties en instellingen betrokken, waardoor er brede ondersteuning is voor de grondbank. Het voordeel van permanente ruimte voor stadslandbouw is dat, anders dan in tijdelijke stadslandbouwprojecten, het de moeite loont om te investeren in de grond, dat er langetermijndenken mogelijk is, en dat stadslandbouw ook een vaste waarde in de stad wordt.

Ook de formule van een voedselraad, overgewaaid vanuit Amerika, blijkt veelbelovend. Zo’n voedselraad brengt alle betrokken actoren uit de overheid, markt, en maatschappij rond de tafel om een lokale voedselstrategie te ontwikkelen en promoten. Gezonde, duurzame, en/of lokale voeding staan hierin centraal.

Vier uitdagingen in het voedselbeleid

“Via Voedselraden worden netwerken gevormd, wordt er op lokaal niveau geleerd om naar alle schakels van het voedselsysteem tezelfdertijd te kijken, en vinden actoren die nodig zijn voor systeemveranderingen elkaar.”, zegt Charlotte Prové, “Dat klinkt super, maar voedselraden zijn in veel gevallen beperkt: niet alle stadslandbouwpraktijken, actoren, en doelstellingen worden altijd weerspiegeld. Bijgevolg worden sommige praktijken reeds op voorhand uitgesloten in het beleid of besluitvormingsprocessen. Er zijn dus heel wat uitdagingen rond het opstellen van een integraal stedelijk voedselbeleid.” Charlotte Prové licht er vier kort toe.

  1. Stadslandbouw kan pas werken als het principe groeit vanuit de eigenheid van de stad. In Warschau bijvoorbeeld besteden voortrekkers van stadslandbouw veel energie en tijd aan het aantonen van de relevantie van stadslandbouw door tijdelijke demonstraties en experimenten in publieke ruimtes. Daarbij “vergeten” ze echter het historisch hoge aantal volkstuinen die nauw kunnen aansluiten bij de stadslandbouwbeweging en deze kunnen versterken. In Gent en Philadelphia daarentegen, werden respectievelijk ruimtelijke en socio-economische studies uitgevoerd die eerst de kansen en barrières voor stedelijke landbouw in kaart brengen. Dit zijn belangrijke inzichten om toekomstige ondersteuning constructief op te bouwen.
  2. De doelstellingen die voedselraden voorop stellen hebben een grote invloed op de ontwikkeling van stadslandbouw. In Philadelphia heeft een sterke focus op toegang tot voeding en sociale inclusie er toe geleid dat professionele landbouwers in de bijeenkomsten en in de activiteiten over het hoofd worden gezien. In Gent gebeurt net het omgekeerde. Een lokaal en duurzaam voedselsysteem als hoofddoel in het beleidsplan verschuift de focus naar productie en opschalen van lokale voeding, en leidt de aandacht af van andere problemen zoals toegang tot voeding, armoede, en sociale inclusie.
  3. Bij het uitstippelen van stedelijk beleid rond voedsel is de participatie van verschillende actoren essentieel. “Uit mijn studie blijkt dat stadslandbouw best gedijt waar zowel economische als sociale doelen tezelfdertijd worden nagestreefd. Beide zijn nodig om de identiteit van stadslandbouw vorm te geven.”, zegt Charlotte Prové. Een voorbeeld zijn de boerenmarkten in Philadelphia, waar personen die in financiële moeilijkheden zitten met voedselbonnen worden aangemoedigd om groenten, fruit, en zuivel te kopen.
  4. Zowel in Gent, Warschau als Philadelphia geven promotiefilms, foto’s en verslaggeving de indruk dat stadslandbouw en het beleid errond bijdragen tot een meer sociale en inclusieve stad. In de realiteit worstelen stadslandbouwpraktijken, maar ook voedselraden – vaak onbewust – met brede participatie, diversiteit, besluitvorming, en nieuwe machtsverhoudingen. Het is daarom van groot belang dat voedselraden tijd en energie investeren in hun organisatie en waken over een continue en evenwichtige rekrutering van nieuwe actoren. In Philadelphia zijn er bijvoorbeeld naast de thematische werkgroepen ook twee werkgroepen die zich specifiek richten op participatie en communicatie.

De toekomst van stadslandbouw

Om stadslandbouw te bestendigen is steun aan bestaande stadslandbouwactiviteiten nodig, maar vooral ook kritische aandacht voor hoe het stedelijk beleid stadslandbouwinitiatieven aanpakt en breed kan ondersteunen. Er is nu ruime aandacht en grote bereidheid om tijd, energie, en soms zelfs financiële middelen te investeren in stadslandbouw. Daarom moet er dringend ruimte worden gegeven aan experimenten. Daar is Gent een koploper in, door o.a. ruimte te bieden aan een nieuw professioneel landbouwbedrijf met sociale functies in Afsnee, of het uitschrijven van onderzoeksprojecten rond het opschalen van korte keten.

Aangezien voedselraden een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van stadslandbouw, moeten ook zij hun strategie kritisch(er) gaan uitbouwen. Welke innovatieve manieren zijn er om op een echt participatieve en inclusieve manier een lokale voedselstrategie uit te bouwen? Welk soort voedselsysteem willen we? Hoe zetten we schaarse middelen in de stad in? Aan wie verlenen we toegang tot stadslandbouw? “Stadslandbouw is niet alleen een zaak voor landbouw- en milieudepartementen”, besluit Charlotte Prové. “Om echt de vruchten te kunnen plukken van alle aspecten van stadslandbouw en om dus ook de relevantie van stadslandbouw juist te kunnen inschatten, moet het beleid alle stedelijke functies in rekening brengen en stadslandbouw op een geïntegreerde manier benaderen”.

Contact

Greet Riebbels, ILVO communicatie: greet.riebbels@ilvo.vlaanderen.be, M 0486 26 00 14
Charlotte Prové, doctorandus: charlotte.prove@ilvo.vlaanderen.be, M 0478 78 71 33

. . . 
<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

‘Als verduurzamen huizen eenmaal loopt, kan het ook heel snel gaan’

Aangepast

Een rijtje sociale huurwoningen in Hoogeveen ANP
Geschreven door

Flip de Jong  redacteur Economie

Voorzitter Wientjes van de Taskforce Bouw is niet pessimistisch over de doelstelling dat 2050 alle acht miljoen gebouwen in ons land CO2-neutraal zijn. Hij vindt het een enorme inspanning, maar als het eenmaal gaat lopen, kan het ook heel snel gaan, zegt hij.

De oud-werkgeverstopman Wientjes is voorzitter van de taskforce die de verduurzaming van het gebouwenbestand moet aanjagen. Hij pleit voor een meer dwingende aanpak van huurwoningen en voor een rol van pensioenfondsen bij het verduurzamen van scholen en particuliere woningen.

Huurwoning gedwongen aangepast

Wientjes stelt voor het voor woningcorporaties makkelijker te maken om sociale huurwoningen te verbouwen. Nu mag een blok woningen alleen gerenoveerd worden als 70 procent van de bewoners daarmee instemt. Hij wil af van die voorwaarde. Tegelijkertijd moeten huurders wel verleid worden om vrijwillig mee te doen. Dat kan volgens Wientjes door bij het verduurzamen van de huurwoning ook achterstallig onderhoud weg te werken en bijvoorbeeld ook de badkamer en keuken te verbeteren.

Ronald Paping, directeur van de Woonbond, ziet daar helemaal niets in. “Die 70 procent instemming is van groot belang om ervoor te zorgen dat er draagvlak onder huurders is. Het is echt een heilloze weg dat ter discussie te stellen want dan gaat iedereen de hakken in het zand zetten.”

Uit onderzoek van de Woonbond blijkt volgens Paping dat bij 90 procent van de renovaties de instemmingsvoorwaarde geen vertraging oplevert. Bij de rest zie je dat de plannen niet goed zijn of de communicatie met huurders onvoldoende is, zegt Paping.

Overigens zijn de betrokken partijen het er wel over eens dat de woonlasten niet omhoog mogen. De huur mag na de verbouwing niet meer stijgen dan de energiekosten dalen. Zo komt de rekening van het verduurzamen dus niet bij de huurder te liggen. Wientjes denkt dat de verbouwingen goedkoper worden als er echt grootschalig verduurzaamd wordt.

Tienduizenden euro’s per koopwoning

Voor de 4 miljoen particuliere woningen stelt Wientjes voor om een lening voor het verduurzamen aan het huis te koppelen in plaats van aan de eigenaar. Dat betekent dat bij verkoop van het huis de nieuwe eigenaar de lening overneemt. In het regeerakkoord wordt dit ook al aangegeven als mogelijkheid. De leningen zouden volgens Wientjes gefinancierd kunnen worden door de pensioenfondsen. Het gaat volgens hem al snel om 30.000 tot 50.000 euro per huis.

Dat kan goedkoper zegt Urgenda-directeur Marjan Minnesma. Volgens haar zie je twee stromingen van mensen die proberen huizen energie-neutraal te maken. De ene stroming pakt huizen opnieuw in met bijvoorbeeld een compleet nieuw dak en gevel. Dat is heel duur. De andere groep isoleert beperkt en werkt verder vooral met installaties als zonnepanelen en warmtepompen. Dat kost meestal maar de helft.

Volgens Minnesma is de taskforce “meer gericht op de bouw en de duurdere oplossingen”.

Schoolgebouwen naar pensioenfonds

Ook voor de aanpak van schoolgebouwen ligt al een plan klaar, al moeten de betrokken partijen daar nog over aan tafel volgens Wientjes.

Voor de financiering van het verduurzamen van schoolgebouwen ziet Wientjes ook een rol voor de pensioenfondsen. Die zouden scholen moeten bouwen en het eigendom van bestaande gebouwen moeten overnemen om met de vernieuwing aan de slag te gaan. De scholen kunnen het gebouw dan huren, zegt Wientjes.

Om het voor de nieuwe eigenaar aantrekkelijk te maken zouden er bijvoorbeeld extra gebouwen of huurwoningen op het terrein kunnen worden gebouwd.

De Vereniging Openbaar Onderwijs wijst de voorstellen van Wientjes af. “Scholen moeten met schoolbesturen en lokale overheden de handen ineen slaan voor duurzame investeringen, in plaats van gebouwen en terreinen aan op winst gerichte marktpartijen te verkopen”.

De PO-Raad, de sectororganisatie voor het primair onderwijs, zegt nog niet eerder van dit voorstel gehoord te hebben. De raad wijst er op dat er voor het verduurzamen van basisschoolgebouwen zeker 10 miljard euro nodig is. Ook zou het overdragen van het eigendom van de schoolgebouwen ingewikkeld zijn.

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

Buren slaan eigen zonnestroom op in buurtbatterij

Van: op 25 november 2017

buurtbatterij energieopslag

Voor het eerst in Nederland wordt een buurtbatterij in een wijk ingezet. In de buurtbatterij wordt zelf opgewekte zonne-energie opgeslagen als je die niet gebruikt. Op het moment dat je de stroom nodig hebt, kan je die er weer af halen. In het dorp in Haarlemmermeer testen 35 huishoudens het komende jaar deze unieke batterij samen met Lyv smart Living, netbeheerder Liander en Tegenstroom, het lokale energiebedrijf van de gemeente Haarlemmermeer.

Het energiemanagementsysteem met een bijbehorende app registreert als energie wordt opgeslagen in de buurtbatterij en wanneer de bewoner die er weer af haalt. Aan de hand van het actuele energiegebruik van de bewoners en de hoeveelheid opgewekte energie wordt bepaald of de energie het beste gebruikt, opgeslagen of teruggeleverd kan worden aan het net. Als een bewoner in de wijk energie nodig heeft dan levert het systeem zijn resterende deel uit de batterij terug. Zo kunnen bewoners maximaal hun eigen opgewekte energie gebruiken en wordt het energienet ontlast.

 

Energievoorziening door de wijk

Door eerst de beschikbare, duurzame energie uit de buurt te gebruiken, kunnen wijken in de toekomst steeds meer in hun eigen energie voorzien. Ook kan het een oplossing zijn voor de forse toename van zonnepanelen op woningen en de bijbehorende energie die verwerkt moet worden. Door de duurzame energie in een batterij op te slaan wordt het elektriciteitsnet minder belast.

Nederland maakt steeds meer gebruik van wisselende energiebronnen zoals zonne- en windenergie. Bovendien verbruiken we op bepaalde momenten van de dag steeds meer elektriciteit, bijvoorbeeld als we tegelijkertijd thuiskomen, onze elektrische auto willen opladen en gaan koken. Het huidige elektriciteitsnet is niet aangelegd voor die piekmomenten en zal daardoor in de toekomst sneller overbelast raken. Bovendien kan de toename van zonnepanelen en warmtepompen gevolgen hebben voor de spanningskwaliteit op het net. Daardoor kunnen apparaten in huis kapot gaan en meer stroomstoringen ontstaan. Dit kan voorkomen worden door het elektriciteitsnet aan te passen en een zwaardere kabel neer te leggen maar dat is duur en ingrijpend. Dat wil Liander voorkomen en onderzoekt daarom of energie opslag in bijvoorbeeld een buurtbatterij een meer betaalbaar en een betrouwbaar alternatief is.

 

Testen lokale energienet

Liander gebruikt de batterij uitsluitend om te testen wat de gevolgen ervan zijn voor het lokale energienet en of het één van de oplossingen kan zijn  om het lokale net te ontlasten. Om te begrijpen wat de dynamiek en impact is van het gebruik van batterijen op het elektriciteitsnetwerk doet de netbeheerder onderzoek naar oplossingen als de Buurtbatterij. De eerste voorlopige resultaten laten zien dat er een toename is van zo’n  100% in het gebruik van de eigen opgewekte energie met behulp van de batterij. Dit verlaagt de impact op het netwerk en daarbij kan de batterij de spanningskwaliteit regelen.

Later in het jaar worden marktpartijen gevraagd om de restenergie uit de batterij te verhandelen. Geïnteresseerde marktpartijen kunnen zich via een aanbesteding inschrijven. Samen met de gekozen marktpartij wordt zowel de haalbaarheid van de batterij onderzocht als het verhandelen van energie uit de batterij. Daardoor is de kans op realisatie het grootst. De uitkomsten van het demonstratieproject worden gedeeld met marktpartijen en andere geïnteresseerden.

 

Over Tegenstroom

Tegenstroom is een professionele leverancier van stroom én gas, opgericht door de gemeente Haarlemmermeer. Tegenstroom is de groenste leverancier van Nederland en heeft geen winstoogmerk.  Tegenstroom adviseert en investeert in lokale opwekking van schone energie in de polder. Als klant draag je dus direct bij aan de overgang naar een schone, toekomstbestendige energievoorziening in Haarlemmermeer, onafhankelijk van minder stabiele regio’s in de wereld.  https://tegenstroom.nl

Lees meer over: ,

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

Wijk in Nieuwegein draait straks op zonne-energie en regenwater

Duurzaamheid

Een nog te bouwen zonnepark gaat een nieuwbouwwijk in Nieuwegein rond 2025 van zuiver water en energie voorzien.

Dorine Schenk  / 

Nu is het nog een verwilderd grasveld, maar volgend jaar ligt het stuk grond in Nieuwegein vol met zonnepanelen. De 8,6 megawattpiek energie die daarmee opgewekt gaat worden, kan de nabijgelegen nieuwbouwwijk van 900 woningen voorzien van alle nodige energie voor elektrische apparaten, verlichting, verwarming en transport. Ook gaan de panelen regenwater opvangen dat gebruikt kan worden voor de productie van waterstof; de brandstof van de toekomst, volgens Ad van Wijk, specialist Energie en Water bij onderzoeksinstituut KWR en hoogleraar aan de TU Delft. De wijk moet rond 2025 klaar zijn.

De nieuwbouwwijk wordt beschreven in Solar Power to the People, dat vorige week uitgebracht werd. Dit gratis verkrijgbare boek gaat niet alleen over verduurzaming op wijkschaal, maar begint een stap ambitieuzer: de auteurs, onder wie Van Wijk, schrijven dat het wereldwijde energieverbruik opgewekt kan worden door 5 procent van de Sahara te vullen met zonnecellen, of 1,5 procent van het oppervlak van de Grote Oceaan met windturbines. Die energie moet dan nog wel op het juiste moment naar de juiste plek. De rest van het boek beschrijft technieken om de opslag en het transport van die energie mogelijk te maken. Bijvoorbeeld door met de opgewekte elektriciteit water om te zetten in waterstof, dat vervolgens met schepen en pijpleidingen vervoerd kan worden.

Demiwater en elektrolyse

In de laatste hoofdstukken wordt gekeken naar verduurzaming op wijkschaal, met de toekomstige nieuwbouwwijk Rijnhuizen als voorbeeld. Daar moet de energie uit het toekomstige zonnepark (op het terrein van Watertransportmaatschappij Rijn-Kennemerland) de wijk van alle gemakken gaan voorzien. „Het zonnepark gaat per jaar 7 miljoen kilowattuur (kWh) aan energie leveren en als er ook zonnepanelen op de daken van de woningen geplaatst worden, komt er nog eens 3 miljoen kWh bij”, vertelt Van Wijk.

De panelen gaan ook regenwater opvangen. Daarvan wordt demiwater gemaakt: water dat ontdaan is van verontreinigingen, mineralen en zouten.

Met de elektriciteit van de zonne-energie wordt een deel van het demiwater omgezet in waterstof. Dat gaat via elektrolyse, een klassieke reactie uit het scheikundepracticum op de middelbare school: twee elektroden in een bak met water, aan de ene ontstaat zuurstof, aan de andere waterstof. Waterstof kan gebruikt worden om bijvoorbeeld auto’s en bussen op te laten rijden. En het overige demiwater kan naar de wasmachines en vaatwassers van de bewoners. „Omdat dat extreem schoon water is, heb je bovendien minder zeep nodig en verkalken je machines niet, waardoor de levensduur verlengd wordt”, vertelt Els van der Roest, onderzoeker Energie en Water bij KWR. De woningen worden wel aangesloten op het gewone elektriciteits- en waternet voor bijvoorbeeld drinkwater en douches.

Warmteopslag

Een ander deel van de zonne-energie kan gebruikt worden om batterijen van onder andere elektrische auto’s op te laden. Verder gaat er bij het zonnepark een warmtepomp gebouwd worden, waarmee in de zomer de warmte in de grond opgeslagen kan worden door het grondwater te verwarmen. In de winter kunnen woningen daarmee verwarmd worden.

Dergelijke warmte-koudeopslag wordt vaker gebruikt. Daarbij wordt het grondwater meestal verwarmd tot een temperatuur van 20 graden. Dat is niet genoeg om een huis te verwarmen. Daarom zijn er in de winter elektrische warmtepompen nodig om de temperatuur te verhogen. In Rijnhuizen willen ze voorkomen dat er in de winter extra energie nodig is voor een warmtepomp, door in de zomer warmte van maar liefst 40 tot 60 graden op te slaan onder de grond.

Nu wordt er nog niet op deze schaal zoveel warmte in de grond opgeslagen. „We weten dus nog niet precies welke processen plaatsvinden in de bodem op deze temperaturen ”, vertelt Van der Roest. Daarom wordt er de komende tijd in het lab getest wat er gebeurt als het water in de bodem tot die temperatuur verwarmd wordt. Van der Roest: „We gaan kijken of het geen problemen oplevert voor de kwaliteit van de bodem en de drinkwaterwinning daar.”

„De wijk Rijnhuizen is de eerste aanzet om een systeem voor een groter gebied op te zetten”, zegt Van Wijk. Als er in de toekomst op grote schaal elektriciteit opgewekt kan worden met zonne- en windenergie, kan daarmee waterstof geproduceerd worden. Dat is makkelijker te vervoeren en op te slaan dan elektriciteit.

Van Wijk wil benzine en aardgas uiteindelijk vervangen door waterstof, auto’s kunnen erop rijden en huishoudens kunnen ermee verwarmen en koken. „Het boek beschrijft hoe de hele wereld voorzien kan worden van duurzame energie, opgewekt met zonnepanelen en windturbines”, zegt hij. „Met Rijnhuizen willen we in de praktijk laten zien dat deze manier van energieopwekking en -opslag mogelijk is.”

 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 

16/10/2017

Organisaties achter keurmerken bepleiten afschaffing BTW op duurzame voeding

De organisaties achter 11 keurmerken roepen de politiek op om de BTW-verhoging van 6% naar 9% aan te grijpen om de BTW op duurzame voedingsproducten af te schaffen. Deze maatregel past in het rijtje aan klimaatmaatregelen van het nieuwe kabinet onder het motto ’de vervuiler betaalt’. En doet recht aan de ‘echte prijs’ van produkten.

Duurzame voeding, herkenbaar aan keurmerken, is aan een sterke opmars bezig. Het afgelopen jaar steeg de omzet volgens de Monitor Duurzaam Voedsel 2016 van 3 naar 3,7 miljard euro. De overheid juicht dit toe. Logisch, want het is maatschappelijk zeer gewenst dat voeding dier-, milieu-, klimaat- en mensvriendelijk wordt geproduceerd. Dat lost tal van problemen op en bespaart kosten. Daarom roepen de organisaties achter 11 keurmerken de politiek op om de BTW-verhoging van 6% naar 9% aan te grijpen om de BTW op duurzame voedingsproducten juist af te schaffen.

Duurzame producten zijn vaak iets duurder, omdat maatschappelijke verbeteringen in de prijs opgenomen zijn. Denk aan een eerlijke prijs voor de boer, weidegang voor koeien, goede arbeidsomstandigheden en milieuvriendelijke productiemethodes. Veel duurzame producten zouden nu al goedkoper zijn dan ‘gewone producten’ als werkelijke kosten voor deze verbeteringen doorberekend zouden worden. Met de aankoop van duurzame producten wordt op kosten bespaard voor onder meer ontwikkelingshulp, natuurbescherming, klimaatverandering, dierenwelzijn en gezondheid. De sterke stijging van de duurzame aankopen bewijst dat consumenten hier waarde aan hechten.

Nu het nieuwe kabinet heeft besloten om het lage BTW-tarief te verhogen van 6% naar 9% roepen de organisaties achter de keurmerken de politiek op om de BTW op duurzame producten helemaal af te schaffen. Dat is de snelste route naar een wereld van duurzame productie, die op termijn de overheidsuitgaven verlaagt op alle maatschappelijke thema’s die met landbouw en voeding samenhangen. De oproep is ondertekend door:

  • Esther Luiten, commercieel directeur, Aquaculture Stewardship Council
  • Marijke de Jong, programmamanager, Beter Leven keurmerk, Dierenbescherming
  • Bavo van den Idsert, directeur Bionext
  • Bert Ruitenbeek, directeur Demeter
  • Bas Rüter, voorzitter, Stichting EKO-keurmerk
  • Hans Nieuwenhuis, Program Director Benelux, Marine Stewardship Council
  • Peter d’Angremond, directeur Max Havelaar
  • Gijs Dröge, directeur Milieukeur
  • Marcel Clemont, directeur Markets Transformation, Rainforest Alliance Europe
  • Inke van der Sluijs, Technical Manager, Roundtable On Sustainable Palm Oil (RSPO)
  • Han de Groot, Executive Director, Utz

bron: Bionext, 16/10/17

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

Bijendiversiteit in kaart gebracht in Atlas Natuurlijk Kapitaal

Op Atlas Natuurlijk Kapitaal zijn 5 kaarten te zien over bestuiving. De nieuwste kaart toont de bijendiversiteit in Nederland. Deze kaart geeft per gridcel van 100 x 100 meter het aantal bijensoorten weer dat er gemiddeld voorkomt. Hoe groener het vlakje, hoe meer bijensoorten te vinden zijn in dit gebied. Op basis van waarnemingen door het kenniscentrum voor insecten en andere ongewervelden EIS, is een model gemaakt van de bijendiversiteit in heel Nederland.

 

Klik hier om verder te lezen                                     

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 

 

 

Mensen & bedrijven             

Steeds meer bedrijven vergroenen

DNV GL onderzoekVoor bedrijven is milieumanagement uitgegroeid van een groene optie tot een strategische waarde. Vaak reageren bedrijven op consumenten die een voorkeur voor duurzame producten hebben. Dit blijkt uit onderzoek van DNV GL en onderzoeksbureau GfK Eurisko.

Het onderzoek

Het onderzoek bestaat uit een internationale enquête onder ruim 1.700 professionals. De onderzoeksresultaten van 2017 zijn vergeleken met de resultaten van een soortgelijk onderzoek in 2014. Zo kunnen eventuele trendbreuken opgespoord worden.

Uit het onderzoek blijkt het belang van de stem van de klant. Verzoeken van klanten vormen 50 procent van de drijfveren. Deze drijfveer stijgt met 15 procent ten opzichte van 2014. Hiermee wint deze het meeste aan belang. Het is de op één na belangrijkste drijfveer. De belangrijkste is naleving van wet- en regelgeving. Dit is met 77 procent de voornaamste beweegreden. 25 procent van de respondenten noemt de druk van andere stakeholders. Dit is een stijging van 10 procent ten opzichte van het vorige onderzoek.

Bedrijven staan voor dezelfde uitdagingen als drie jaar geleden. De voornaamste risico’s zijn verbonden met afvalmanagement, met name de afvalverwerking (55 procent), de verwerking van gevaarlijke materialen (44 procent) en het lozen van afvalwater (36 procent).

Groeiende investeringen

Van de ondervraagde bedrijven verklaart 74 procent dat milieumanagement van belang is voor hun overkoepelende bedrijfsstrategie. 45 procent zegt dat hun bedrijf de investeringen in milieumanagement in de toekomst gaat vergroten. Dat is een stijging van bijna 10 procent ten opzichte van het vorige onderzoek.

Wereldwijd heeft 96 procent van de bedrijven minimaal één actie ondernomen om de milieurisico’s in 2017 te beoordelen of te beperken. Tot de belangrijkste initiatieven behoren de bewaking van het proces om naleving van de wettelijke eisen te controleren (73 procent), het uitvoeren van regelmatig onderhoud om milieueffecten te beperken (70 procent) en de doorlopende analyse van milieueffecten (65 procent).

Terwijl de aandacht voor de eigen activiteiten toeneemt, beschikt slechts een derde van de bedrijven over een milieumanagementprogramma voor leveranciers. Dat aandeel is lager dan verwacht, aangezien externe stakeholders de focus op leveranciers van cruciaal belang achten.

Milieumanagement

Van de bedrijven noemt 52 procent de vermindering van het aantal milieuongevallen als het belangrijkste voordeel van milieumanagement. Dit percentage wordt gevolgd door verbeterde relaties met overheden (48 procent), kostenbesparingen (40 procent) en concurrentievoordelen (36 procent).

80 procent van de onderzochte bedrijven is overtuigd van de toegevoegde waarde van een milieumanagementsysteem dat is gebaseerd op de internationale ISO 14001-norm en certificering door derden. Bedrijven beschouwen dit met name als een instrument om aan wettelijke eisen te voldoen (77 procent) en de prestaties te verbeteren (72 procent).

Meer informatie: DNV GL Business Assurance

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 

Circulariteit is oneindig beschikbaar maken van bouwmaterialen

Circulariteit in de bouw is in Nederland nog lang niet waar het zou moeten zijn. Dat stellen Thomas Rau en Patrick Schreven in hun visie op dit onderwerp.

Stalen buizen bij elkaar gebonden


Thomas Rau
Architect, Inspirator en Visionair

Rau: “De behoefte aan circulair bouwen is ontstaan uit onze verkeerde perceptie waarmee de huidige economie is georganiseerd. De aarde is een gesloten systeem en we hebben een limited edition.

Circulariteit gaat over het eindige oneindig beschikbaar maken. Bij circulair bouwen is er geen afval meer.

Afval is slechts bouwmateriaal dat in de anonimiteit is gekomen. Als we dat afval een identiteit geven, een paspoort, dan is het niet langer anoniem en dus geen afval meer.

Zes jaar geleden zijn we begonnen met inventariseren welk materiaal in welk gebouw verwerkt is. Als we alle bouwmaterialen in elk gebouw kunnen inventariseren, hoeft niemand meer bouwmateriaal te kopen.

Want dan is er bekend wat er wanneer vrijkomt en dus hergebruikt kan worden. Om dat te bewerkstellingen hebben we de Madaster foundation opgericht die in september officieel van start gaat.

Daardoor krijgt bouwmateriaal een waarde en is de waarde van een gebouw aan het eind van de levensduur nooit meer nul.

Bouwmaterialen krijgen door het Madaster een maximale en minimale waarde en kunnen oneindig hergebruikt worden.”

Gebruik in plaats van bezit

Rau schetst dat door het gebruik van een materiaalpaspoort het mogelijk wordt dat bouwers enkel nog betalen voor het gebruik ervan. Na de levensduur van het gebouw, gaan deze weer terug naar de leveranciers.

Thomas Rau: “Bouwmateriaal wordt in de toekomst een service”

Rau stelt dat circulariteit in de bouw een verandering is en dat velen daar nog niet aan willen.

“Het gaat over houding; het is een mentale uitdaging. Het Madaster zou door de overheid gefacilieerd moeten worden, maar deze overheid is haar rol kwijtgeraakt.

Circulariteit is niet het doel, maar een middel om ervoor te zorgen dat eindige grondstoffen behouden blijven.”

Voor de toekomst ziet Rau bouwmateriaal een service worden. “Daar is een nieuwe keten voor nodig die waardecreatie en waardebehoud voorstaat.

De producent blijft eigenaar van het materiaal en tegen een vergoeding kunnen bouwers dit ‘lenen’ voor een bepaalde duur.”



Patrick Schreven
Voorzitter EcoBouw Nederland

Hergroeibare bouwmaterialen

Patrick Schreven: “Circulair bouwen is belangrijk omdat het, mits juist gedefinieerd, de oplossing is voor een wereldproblematiek.

Het gaat uit van een biologische en technologische kringloop. Daarmee zijn voorradige grondstoffen onbeperkt te gebruiken.

” Schreven stelt dat in de biologische kringloop natuurlijke bouwmaterialen hergroeibaar zijn en tijdens die groei ook nog eens CO2 opslaan.

“Dat blijft in het materiaal opgesloten tot het gecomposteerd of verbrand wordt.

 

In de technologische kringloop kan bijvoorbeeld staal omgesmolten en hergebruikt worden. Als de bouw het meest put uit de natuurlijke kringloop, is er minder CO2 uitstoot.”

Hip

Schreven zegt: “De wereldbevolking groeit nog steeds en daarom moeten we zuinig omspringen met grondstoffen. Het gebruik van natuurlijke materialen helpt daarbij én bij het oplossen van de klimaatproblemen. Dat gebruik loopt in Nederland echter ver achter bij de door ons omringende landen, door vooroordelen.

Patrick Schreven: “Natuurlijke bouwmaterialen hebben bijzondere eigenschappen”

Deze komen voort uit onze cultuur en onbekendheid. De bijzondere eigenschappen – gezondheid, comfort en energiezuinigheid – van natuurlijke bouwmaterialen worden echter steeds bekender en het stoffige imago is er allang vanaf.

Het is nu juist hip. Om in 2050 de gehele bouw circulair te hebben, is het nodig om duurzaam, ecologisch en biobased te combineren in een circulaire economie.”

Upgrade

Schreven: “Hout is net zo goed, zelfs beter, om huizen van te bouwen. We lijden in Nederland nog aan het drie biggetjes syndroom; ‘stro en hout deugen niet, alleen een stenen huis biedt voldoende bescherming’.

Een houten huis is echter geen downgrade, maar juist een upgrade gezien de bijzondere eigenschappen.” Om meer biologisch bouwmateriaal te gaan gebruiken, is het volgens Schreven nodig een duidelijker uitleg te geven over de begrippen ecologisch, biobased en circulair.

“We zien de trend al dat particulieren bewuster leven en anders nadenken over voedsel en kleding, nu zijn woningen en bedrijfsgebouwen aan de beurt. Daarnaast zou een CO2 tax een prima oplossing zijn.”

 . . . . . .

 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

‘Enorme investeringen nodig in klimaattechnologie om ‘Parijs’ te halen’

Hoewel de uitstoot van CO2 uit energieopwekking wereldwijd al drie jaar niet stijgt, doen we nog veel te weinig om de klimaatdoelstellingen van Parijs te halen, stelt het IEA.

Deelnemers aan de Peoples Climate March. Ze roepen het aankomende kabinet op voor ambitieus klimaatbeleid te kiezen. Foto Koen van Weel/ANP 

Klimaatbeleid en technologische ontwikkelingen zouden op dit moment een gunstig effect kunnen hebben op de CO2-uitstoot, schrijft het Internationaal Energie Agentschap voorzichtig in zijn jaarlijkse energierapport dat dinsdag verschijnt.

Al drie jaar blijft het niveau van CO2 die wordt uitgestoten bij het opwekken van energie, nagenoeg hetzelfde, wereldwijd zo’n 32 gigaton per jaar.

Maar dat is bij lange na niet genoeg om in de buurt te komen van de doelstellingen van het klimaatakkoord van Parijs.

De energievraag zal de komende jaren nog sterk groeien: 1,2 miljard mensen hebben op dit moment nog geen toegang tot elektriciteit. Ook zij willen in de toekomst hun huizen verwarmen, het licht aan kunnen doen, de airco laten draaien en hun computer aanzetten. Zonder extra maatregelen zal de vraag naar energie tot 2060 met 50 procent toenemen.

Om in de buurt te komen van de doelstellingen van Parijs zou de opwekking van energie in 2060 CO2-neutraal moeten zijn. Het Internationale Energie Agentschap – dat ooit is opgericht als westerse tegenhanger van het OPEC-kartel en dus zelf een sterk fossiel verleden heeft – zet een aantal scenario’s op een rij.

In het eerste worden alle beloftes doorgerekend die tot nog toe gedaan zijn door de 195 landen (inclusief de VS) die het klimaatakkoord hebben ondertekend. Het resultaat is schokkend. In plaats van CO2-neutraal, groeit de uitstoot in dat geval naar 40 gigaton.

Het tweede scenario laat zien wat er zou moeten gebeuren om de opwarming van de aarde deze eeuw te beperken tot maximaal 2 graden. En het derde tekent de situatie van de eigenlijke uitkomst van Parijs: ruim onder de 2 graden en 0 procent CO2-uitstoot.

Het verschil is duizelingwekkend en volgens het IEA alleen maar te overbruggen door enorm te investeren in technologische innovatie. „Koolstof-neutraliteit in 2060 vergt technologiebeleid en investeringen die hun weerga niet kennen”, schrijft de Parijse denktank.

In het vuistdikke rapport onderscheidt het IEA een aantal terreinen waarop dringend vooruitgang is vereist. Bovenaan staan energiebesparing en wat in het jargon „de gebouwde omgeving” heet: kantoren, woonwijken, fabrieken. Daarnaast het transport dat nu nog hoofdzakelijk op fossiele brandstoffen draait. De verdere ontwikkeling van biobrandstoffen heeft hoge prioriteit. Net zo als schonere kolencentrales, want de IEA voorziet dat er zonder steenkool voorlopig niet aan de energievraag kan worden voldaan, zonder de leveringszekerheid in gevaar te brengen. Maar wel met CCS, het afvangen en opslaan van CO2 bij energiecentrales.

Op deze gebieden gebeurt veel te weinig, zegt het rapport dat overigens wel lof heeft voor de ontwikkeling van energie uit zon en wind, opslag van energie en de ontwikkeling van elektrische auto’s. Het gaat de goede kant op, zegt het IEA, maar ook hier gaat het te langzaam om binnen het tweegraden-scenario te blijven.

Een week nadat de Amerikaanse president Trump het klimaatverdrag heeft opgezegd klinkt dat misschien misplaatst, maar het IEA roept op tot meer coördinatie tussen landen en verschillende soorten technologie. De rol van, duurzaam opgewekte, elektriciteit zal sterk toenemen. Bijna driekwart van de elektriciteit die in 2060 wereldwijd gebruikt wordt, zal duurzaam moeten worden opgewekt, kernenergie moet 15 procent leveren en de rest (10 procent) zal nog worden opgewekt met fossiele brandstoffen die worden afgevangen en opgeslagen.

Alleen al dat laatste is een gigantisch probleem, weten we in Nederland. Al jaren wordt er in de Rotterdamse haven gewerkt aan een project om afgevangen CO2 op te slaan in lege gasvelden voor de kust. Financieel is dat tot nog toe niet haalbaar gebleken, ondanks de nadrukkelijk uitgesproken ambitie van het Rotterdamse Havenbedrijf.

Het is een kwestie van keuzes maken, zegt het IEA. „Iedere regering moet nu zijn plan trekken en aangeven hoe zij dat denkt te verwezenlijken.” En er moet geld komen, heel veel geld om innovatie te stimuleren. Nu gaat er ongeveer 26 miljard dollar per jaar naar onderzoek en ontwikkeling. Dat zou minstens 40 miljard moeten zijn. Ter vergelijking: dat is niet meer dan de grote drie IT-bedrijven nu al jaarlijks in hun onderzoek en ontwikkeling steken, stelt het IEA vast.

.

. . . . . .  

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . . . . .

. . . . . .

Lokaal geteelde producten worden belangrijk voor supermarkten

Wat begon als een kleine marketinginspanning om te profiteren van de toenemende interesse voor lokale producten en Community Supported Agriculture (CSA, Gemeenschap Ondersteunende Landbouw), is nu uitgegroeid tot een belangrijke groeimarkt. Consumenten wensen verse voeding, opkomende merken, unieke smaken en eerlijkheid. Dat wekte de interesse van kleine winkels tot aan grote winkelketens zoals Wal-Mart. Ze investeren in producten die geteeld, gebakken, geslacht en vervaardigd zijn in dezelfde gemeenschappen waar hun winkels zijn.

De U.S. Department of Agriculture voorspelt dat de verkoop van lokaal geteelde voeding in 2019 $20 miljard (€18,4 miljard) zal bereiken, terwijl dit in 2014 nog $12 miljard (€11 miljard) was. Managementadviesbureau AT Kearney ontdekte dat 78% van de consumenten meer voor lokale producten willen betalen.

De processen, die de producten van de volle grond, bakkerijen en kleine faciliteiten naar de winkel verplaatsen, kunnen echter nauwelijks bijgehouden worden. Iedereen, van leveranciers tot distributeurs en retailers, willen een systeem opzetten dat kleine hoeveelheden producten van veel verschillende producenten verwerkt.

Investeren in lokaal gebied

North Carolina heeft een sterk en groeiend netwerk van kleine telers. Daarnaast is het een centrum van retailgroei met bedrijven als Wegman’s, Publix en Lidl die zich er gaan vestigen, samen met reeds gevestigde bedrijven zoals Ingles en Food Lion.

Fred Broadwell is directeur van Local Organic Y’All, een organisatie die lokale en duurzame landbouw steunt. Volgens Broadwell verloopt het samenwerken tussen telers en winkeliers nog niet soepel. Kleine boerderijen hebben hun productiecapaciteit verhoogd om te voldoen aan de vraag van boerenmarkten en CSA’s, maar ze moeten meer investeren om de vraag van de supermarkten te beantwoorden. Afgelopen jaar beoordeelde Local Organic Y’All 16 supermarkten uit North Caroline op hun lokale aanbiedingen. Ze kregen scores toebedeeld, waarbij gekeken werd naar verscheidenheid, investeringen in het lokale voedingssysteem en plannen voor de toekomst. Met uitzondering van Whole Foods en Lowe’s Foods, scoorden alle retailers minder dan 50 punten uit 100 punten.

Een deel van het probleem is dat ‘lokaal’ nog geen wettelijk bepaalde term is. Voor sommige retailers, zoals Wegmans, betekent het 100 mijlen (160,9 km) binnen het bereik van de winkel. Anderen zien het begrip als binnen een en dezelfde staat of een algemeen gedefinieerd gebied. Bij niet-gedefinieerde bevoorradingsstandaarden wordt er vaak voor grote bedrijven bedrijven gekozen, terwijl dit in strijd is met de definitie die consumenten van het begrip ‘lokaal’ hebben.  Een recente peiling door AT Kearney toont aan dat 96% van de consumenten het begrip ‘lokaal’ bepalen als alles wat afkomstig is binnen 100 mijlen van de winkel.

Fred Broadwell, Hoofd van Local Organic Y’All in North Carolina, zei dat lokale telers graag met supermarkten willen samenwerken. Ze hebben echter ook retailers nodig die met hen samen willen werken. Om de aanvoer en werkzaamheden te versnellen is tijd en investering nodig, terwijl de normen in voedingsveiligheid en andere sectoren vaak omslachtig zijn. De meeste lokale telers, die retailmarkten willen bevoorraden, zullen door de USDA’s Good Agricultural Practices (GAP) programma gecertificeerd worden. Sommige retailers hebben duurdere, internationale certificatie nodig. Broadwell: “Sommigen zijn bezorgd dat het voor kleine en middelgrote bedrijven onmogelijk wordt om in het systeem te komen”.

Grote bedrijven kiezen voor lokaal
Veel grote retailers verhogen hun aanvoer. Southeastern Grocers, waarbij ongeveer 30% van de productie van lokale telers komt, kondigde een nieuw beleid aan. Dit beleid houdt in dat ze de prioriteit geven aan groenten en fruit die in het zuidoosten van de Verenigde Staten worden geteeld. Meijer geeft elk jaar meer dan $100 miljoen (€91 miljoen) uit aan lokale producten.

Wal-Mart, de grootste supermarkt van de VS, beloofde in 2010 de verkoop van lokaal geteelde producten te verdubbelen. In 2015 behaalde het bedrijf dat doel met een omzetgroei van $825 miljoen (€751 miljoen), meer dan 10% van de totale productomzet. Het bedrijf wil de verkoop tegen 2025 weer verdubbelen naar $1,65 miljard (€1,5 miljard). De reacties op deze groei waren gemengd. Sommigen vinden dat er door het initiatief meer aandacht komt voor het lokaal telen. Anderen merken op dat Wal-Mart de prijzen laag wil houden en dat ze het hele jaar door willen leveren. Dit is meer een last dan een voordeel voor de telers.

Sam’s Club, de clubretailer van Wal-Mart, voert de aanvoer van lokale producten op. De keten begon onlangs lokale managers in dienst te nemen. Zij moesten meer lokale en biologische producten inkopen. De managers moeten ook nieuwe, veelbelovende producten uitzoeken voor de Road Shows, waarbij de managers alle winkels bezoeken om presentaties te geven. Todd Matherly, Senior Vice President van droge voeding en drankjes bij Sam’s Club: “Het is niet ongewoon dat onze clubmanagers lokale ondernemers ontmoeten, die een geweldig product hebben. De informatie delen we met het Road Show team om hun producten eventueel te testen in onze winkel.”

Retailers hebben geen geld of personeel om zulke producten uit te zoeken. Daarom zijn ze op zoek naar een derde bedrijf die producten voor hen keurt en verspreidt. Zulke bedrijven verzamelen producten van verscheidene lokale leveranciers en bereiden hen voor op de levering van grote hoeveelheden.

Good Natured Family Farms in Bronson, Kansas, levert eieren, vlees en andere producten van kleine telers, die binnen 100 mijl van Kansas City gevestigd zijn, naar de lokale Hen House Market en winkels van Price Chopper. Cherry Capital Foods, een lokaal knooppunt dat voeding uit Michigan verzamelt en verspreidt, neemt leveranciers aan en biedt productlijsten aan. Stephanie Pierce, Sales Manager bij Cherry Capital Foods: “Retailers hebben geen individuele relatie met alle leveranciers en telers. Het is inefficiënt voor een teler met een beperkte marge om al die relaties te onderhouden.” Cherry Capital levert aan supermarkten in de staat, waaronder Fresh Thyme, Earth Fare en Lucky’s Markets.

Doordat de interesse in lokale levering groeit, gaat technologie een belangrijke rol spelen om beter samen te werken. FoodHub biedt kopers bijvoorbeeld een database van telers, fabrikanten, brouwers en andere leveranciers aan. Forager is een programma dat een platform aanbiedt voor kopers, waar ze de producten kunnen zien, bestellingen kunnen plaatsen en de levering kunnen bepalen.
Veel jonge telers zijn op digitaal gebied bedreven en geven de voorkeur aan een softwareprogramma om hun inventaris te beheren. Forager heeft onlangs een programma voltooid, dat lokale leveranciers met telers en retailers verbindt.

Leveranciers proberen hun merk, productkwaliteit en werkzaamheden te verbeteren. Portland’s KitchenCure helpt leden een website op te zetten voor hun product. Daarnaast biedt het bedrijf verkoopondersteuning aan door connecties met lokale retailers.

Union Kitchen in Washington, D.C., werkt in alle drie de gebieden van de retailsector: productie, distributie en winkelomzet. Het bedrijf runt een gezamenlijke keuken en een bedrijfsontwikkelingsprogramma. Hier kunnen startende bedrijven alles maken, van koekjes tot koffie, waarbij ze werken voor een retailcontract. Union Kitchen verspreidt ook producten aan meer dan 200 retailers in het D.C. gebied. De producten zijn in hun eigen keuken ontwikkeld. Cullen Gilchrist, medeoprichter en CEO van Union Kitchen: “We helpen hen bij de start van hun bedrijf. Wij zijn in staat om betere deals te sluiten dan zijzelf hadden gekund.”

Twee jaar geleden besloot Union Kitchen om nog een stap verder te nemen. Het bedrijf opende een supermarkt waar veel zelfontwikkelde producten aangeboden worden. Eerder dit jaar openden ze een nieuwe locatie. Om zo veel mogelijk klanten aan te trekken, biedt de winkel conventionele producten, natuurlijke producten en biologische merken aan. Gilchrist: “We zien de omzet stijgen. Vaak kiezen klanten voor onze lokale producten.”

 

Publicatiedatum: 5-5-2017

 

 

 

. . . . . . . . . . .

 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

Natuur als blauwdruk voor een duurzame toekomst

gezonde gebouwen

 Auteur: Geanne van Arkel Natuur als blauwdruk voor een duurzame toekomst

Met meer dan 3,8 miljard jaar aan ervaring in research and development heeft de natuur fantastische probleemoplossende vaardigheden ontwikkeld. Ze heeft strategieën ontwikkeld voor vraagstukken, waarvoor wij een oplossing voor zoeken. Dit leren van de natuur wordt sinds de jaren 90 biomimicry genoemd. De bouwwereld staat nu voor de uitdaging deze lessen toe te passen.

Zo hebben planten een eigen methode ontwikkeld voor het opwekken van zonne-energie: fotosynthese. Daarnaast zijn er meerdere voorbeelden van dieren, die met minimaal energieverbruik kunnen reizen: van de hydrodynamische vorm van dolfijnen tot albatrossen die met gebruikmaking van thermiek door de lucht weten te zweven. Bacteriën produceren op een duurzame manier complexe chemicaliën om water te reinigen en zo de kwaliteit van het milieu te verbeteren.

Evolutie van biomimicry

De Amerikaanse biofysicus Otto Schmitt gebruikte voor het eerst de term ‘biomimetics’ in de jaren 50 van de vorige eeuw om apparaten te beschrijven, die modellen en systemen uit de natuur nabootsten. De mensheid keek echter al eeuwen eerder naar de natuur om inspiratie op te doen voor het oplossen van complexe vraagstukken. Zo vond Leonardo da Vinci inspiratie in vogels door de anatomie van hun vleugels en hun bewegingen tijdens de vlucht te bestuderen, toen hij in de 15e eeuw zijn eerste modellen voor vliegmachines ontwierp. Hoewel zijn ontwerpen niet succesvol waren, vormden zij wel de inspiratie voor de gebroeders Wilbur en Orville Wright, de vliegtuigpioniers en uitvinders van het eerste functionerende vliegtuig. Dankzij de Amerikaanse Janine Benyus, grondlegster van de term biomimicry, heeft dit leren van de natuur zich door de jaren heen steeds meer als wetenschappelijke discipline ontwikkeld. Zij zette in 1997 de toon met haar boek ‘Biomimicry: Innovation inspired by nature’. Biomimicry heeft ons niet alleen leren vliegen, maar kan ons ook veel leren over duurzaam bouwen.

Leonardo da Vinci vond zijn inspiratie in vogels door de anatomie van hun vleugels en hun bewegingen tijdens de vlucht te bestuderen, toen hij in de 15e eeuw zijn eerste modellen voor vliegmachines ontwierp.’

Geanne van Arkel, Interface

Airco gebaseerd op systeem in termietenheuvel

Het kantoor- en winkelcentrum Eastgate Centre in Harare (Zimbabwe) heeft een airconditioningssysteem ontworpen dat is gebaseerd op systemen zoals die in termietenheuvels in het zuiden van Afrika aangetroffen zijn. Natuurlijke termietenheuvels zijn gemaakt van modder met een hoge thermische massa en in de basis van de structuur zitten ventilatiegaten die gedurende de dag open en dicht worden gezet door de termieten zelf. Zo zorgen de insecten ervoor dat binnen in de heuvel een constante temperatuur van 30 graden is, ondanks het feit dat de buitentemperatuur enorm schommelt. Door dit principe toe te passen, verbruikt het ventilatiesysteem in het gebouw in Harare negentig procent minder elektriciteit dan conventionele ventilatiesystemen.

Neusgaten van kamelen

Architect Michael Pawlyn is onder de naam Sahara Forest Project een proefproject gestart, waarbij 10.000 m2 woestijngrond in Qatar vruchtbaar wordt gemaakt. Zonlicht wordt geconcentreerd om superhete stoom op te wekken. Door hiermee zeewater te verdampen, gaat de luchtvochtigheid in de gebouwde kassen omhoog en de temperatuur naar beneden. Dit idee ontleende Pawlyn aan de manier waarop neusgaten van kamelen werken. Met deze inspiratie is nu in de woestijn een gunstig groeiklimaat voor planten gecreëerd. Buiten de kassen worden speciale heggen geplant, die kunnen leven op het relatief zoute afvalwater. Een ander deel van het zoute water wordt gebruikt om algen in te kweken, die als meststof of biomassa kunnen worden ingezet. Dit zorgt ervoor dat er niet alleen weer planten en bomen in de woestijn groeien, maar dat ook de biodiversiteit toeneemt.

Volledig zelfvoorzienend dorp

Het Sahara Forest Project is een mooi voorbeeld van een industriële ecologie; verschillende systemen die samen een ecosysteem vormen. In Almere wordt gebouwd aan het ecosysteem voor een volledig zelfvoorzienend dorp, waarin mensen weer met elkaar en de natuur worden verbonden. De bewoners van dit dorp worden in staat gesteld hun energie, water en voedsel uit hun eigen huis en tuin te halen. James Ehrlich van Stanford Universiteit heeft samen met architectenbureau Effekt het concept ontwikkeld van ReGen Villages. Het model draagt niet alleen bij aan een duurzamere wereld, maar zorgt er ook voor dat gezinnen maatschappelijk en fi nancieel worden versterkt. Het gedachtengoed van dit project uit Almere ligt ook ten grondslag aan het project The Valley. Op een nog te ontwikkelen terrein bij Hoofddorp worden organisaties uitgedaagd om samen te werken aan een inclusieve en
circulaire manier van leven.

Duurzaam bouwen gaat tegenwoordig om regenererend bouwen, waarbij maatschappelijke verbondenheid wordt gestimuleerd.’

Geanne van Arkel

Stimulans maatschappelijke verbondenheid

Duurzaam bouwen draait niet alleen meer om efficiënt bouwen en ruimtes creëren waarin mensen zich prettig voelen. Het gaat tegenwoordig ook om regenererend bouwen, waarbij maatschappelijke verbondenheid wordt gestimuleerd. Een mooi voorbeeld van deze verbondenheid in de natuur – mutualistische symbiose genoemd – is die tussen de acacia en de mier. De acacia heeft grote, holle stekels die mieren als behuizing gebruiken, en de boom scheidt ook een zoete stroop uit die de mieren opeten. Daarmee fungeert de acacia tegelijkertijd als een huis en een supermarkt voor de mier. De mieren beschermen op hun beurt hun huis, en daarmee de acacia, door venijnig in de tong van een planteneter te bijten zodra deze probeert de acacia te eten. Laat dit mooie voorbeeld van mutualistische symbiose en de genoemde projecten in Almere, Hoofdorp en het buitenland, die allen gebaseerd zijn op biomimicry, een inspiratie zijn om in 2017 in de bouw niet alleen te streven naar een verlaging van de impact op het milieu, maar ook een regenererende bijdrage te leveren waardoor bewoners maatschappelijk en financieel worden gesterkt. De uitdaging voor de bouw is nu om bouwprojecten, renovatie en nieuwbouw, te laten functioneren als een bos. En met de innovatieve kracht in deze sector gaat dat zeker lukken.

Natuur als blauwdruk voor een duurzame toekomstDeze expertblog van Geanne van Arkel is als marktvisie verschenen in Duurzaam Gebouwd Magazine #36.

Dit vakblad is te lezen via DuurzaamGebouwd.nl/Duurzaam-Gebouwd-Magazine.

 . . . . . . . . . . .

 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . . . . . . . . . . . .

 Buren slaan eigen zonnestroom op in buurtbatterij

Van: op 25 november 2017

buurtbatterij energieopslag

Voor het eerst in Nederland wordt een buurtbatterij in een wijk ingezet. In de buurtbatterij wordt zelf opgewekte zonne-energie opgeslagen als je die niet gebruikt. Op het moment dat je de stroom nodig hebt, kan je die er weer af halen. In het dorp in Haarlemmermeer testen 35 huishoudens het komende jaar deze unieke batterij samen met Lyv smart Living, netbeheerder Liander en Tegenstroom, het lokale energiebedrijf van de gemeente Haarlemmermeer.

Het energiemanagementsysteem met een bijbehorende app registreert als energie wordt opgeslagen in de buurtbatterij en wanneer de bewoner die er weer af haalt. Aan de hand van het actuele energiegebruik van de bewoners en de hoeveelheid opgewekte energie wordt bepaald of de energie het beste gebruikt, opgeslagen of teruggeleverd kan worden aan het net. Als een bewoner in de wijk energie nodig heeft dan levert het systeem zijn resterende deel uit de batterij terug. Zo kunnen bewoners maximaal hun eigen opgewekte energie gebruiken en wordt het energienet ontlast.

 

Energievoorziening door de wijk

Door eerst de beschikbare, duurzame energie uit de buurt te gebruiken, kunnen wijken in de toekomst steeds meer in hun eigen energie voorzien. Ook kan het een oplossing zijn voor de forse toename van zonnepanelen op woningen en de bijbehorende energie die verwerkt moet worden. Door de duurzame energie in een batterij op te slaan wordt het elektriciteitsnet minder belast.

Nederland maakt steeds meer gebruik van wisselende energiebronnen zoals zonne- en windenergie. Bovendien verbruiken we op bepaalde momenten van de dag steeds meer elektriciteit, bijvoorbeeld als we tegelijkertijd thuiskomen, onze elektrische auto willen opladen en gaan koken. Het huidige elektriciteitsnet is niet aangelegd voor die piekmomenten en zal daardoor in de toekomst sneller overbelast raken. Bovendien kan de toename van zonnepanelen en warmtepompen gevolgen hebben voor de spanningskwaliteit op het net. Daardoor kunnen apparaten in huis kapot gaan en meer stroomstoringen ontstaan. Dit kan voorkomen worden door het elektriciteitsnet aan te passen en een zwaardere kabel neer te leggen maar dat is duur en ingrijpend. Dat wil Liander voorkomen en onderzoekt daarom of energie opslag in bijvoorbeeld een buurtbatterij een meer betaalbaar en een betrouwbaar alternatief is.

 

Testen lokale energienet

Liander gebruikt de batterij uitsluitend om te testen wat de gevolgen ervan zijn voor het lokale energienet en of het één van de oplossingen kan zijn  om het lokale net te ontlasten. Om te begrijpen wat de dynamiek en impact is van het gebruik van batterijen op het elektriciteitsnetwerk doet de netbeheerder onderzoek naar oplossingen als de Buurtbatterij. De eerste voorlopige resultaten laten zien dat er een toename is van zo’n  100% in het gebruik van de eigen opgewekte energie met behulp van de batterij. Dit verlaagt de impact op het netwerk en daarbij kan de batterij de spanningskwaliteit regelen.

Later in het jaar worden marktpartijen gevraagd om de restenergie uit de batterij te verhandelen. Geïnteresseerde marktpartijen kunnen zich via een aanbesteding inschrijven. Samen met de gekozen marktpartij wordt zowel de haalbaarheid van de batterij onderzocht als het verhandelen van energie uit de batterij. Daardoor is de kans op realisatie het grootst. De uitkomsten van het demonstratieproject worden gedeeld met marktpartijen en andere geïnteresseerden.

 

Over Tegenstroom

Tegenstroom is een professionele leverancier van stroom én gas, opgericht door de gemeente Haarlemmermeer. Tegenstroom is de groenste leverancier van Nederland en heeft geen winstoogmerk.  Tegenstroom adviseert en investeert in lokale opwekking van schone energie in de polder. Als klant draag je dus direct bij aan de overgang naar een schone, toekomstbestendige energievoorziening in Haarlemmermeer, onafhankelijk van minder stabiele regio’s in de wereld.  https://tegenstroom.nl

Lees meer over: ,