Categories

Archives

A sample text widget

Etiam pulvinar consectetur dolor sed malesuada. Ut convallis euismod dolor nec pretium. Nunc ut tristique massa.

Nam sodales mi vitae dolor ullamcorper et vulputate enim accumsan. Morbi orci magna, tincidunt vitae molestie nec, molestie at mi. Nulla nulla lorem, suscipit in posuere in, interdum non magna.

Artikelen


Puerto Rico na de orkaan Maria.

Puerto Rico na de orkaan Maria. © AFP

Wat je moet doen als je depressief wordt van alle onheilsboodschappen over het klimaat

Daphne van Paassen ligt er wakker van en wil iets doen

Wat doe je als je letterlijk depressief wordt van alle onheilsboodschappen over het klimaat en apathisch onder een dekentje wilt kruipen? Daphne van Paassen zoekt uit hoe ze in actie kan komen.

‘Ik ga jullie echt missen’, verzucht Judith Karis, ex-kok, zwart mini-jurkje met poncho, aan het eind van de avond. Ze kijkt het groepje rond. ‘Kennen jullie dat wetenschappelijke experiment?’ En ze beschrijft hoe een proefpersoon in een wachtkamer zit tussen acteurs die nadrukkelijk doen of er niets aan de hand is terwijl er steeds meer rook onder een deur vandaan komt. ‘De proefpersoon kijkt angstig maar blijft zitten omdat de anderen dat ook doen.’ Zit zo’n proefpersoon alleen in een wachtkamer dan loopt hij weg. Karis zet haar glas wijn neer en leunt achterover. ‘Zo voel ik me. Alsof ik in die volle wachtkamer zit. De wereld staat op ontploffen maar we doen of er niets aan de hand is.’

Minder eenzaam

Jullie gaven me het gevoel dat ik niet de enige ben die iets wil doen

Rosan op den Kelder

De twee jonge vrouwen en twee mannelijke veertigers rond de keukentafel in een nieuwbouwwijkje in De Bilt knikken geestdriftig: he-le-maal mee eens.

‘En het was dus fijn om met mensen te zijn die ook rook zien’, besluit ze.

‘Ik heb me ook minder eenzaam gevoeld’, zegt Rosan op den Kelder (24), in het dagelijks leven adviseur bij de Omgevingsdienst regio Utrecht. ‘Jullie gaven me het gevoel dat ik niet de enige ben die iets wil doen. Maar ook dat ik mijn struggles op tafel kon gooien.’

AA-meeting

Op den Kelder had sinds ze voor haar studie vakken over duurzaamheid volgde, depressieve gevoelens; vooral alle documentaires over klimaatverandering maakten haar somber. ‘Ik ging het mensen kwalijk nemen dat ze het zover hadden laten komen. Maar die negativiteit helpt je niet.’ Door veganistisch te eten en de natuur op te zoeken, heeft ze het plezier in het leven hervonden.

‘Gaaf’, reageert coach Kim Reek (41).

‘Het lijkt wel een AA-meeting’, giechelt Judith (46), ze smeert nog een toastje met veganistische boursin.

Bosbranden in Portugal.
Bosbranden in Portugal. © EPA

Regenachtige dag

Het is de laatste bijeenkomst van de KlimaatGesprekken, een serie ‘workshops’ waarin kleine groepjes onder leiding van een coach leren en uitwisselen hoe ze hun voetafdruk kunnen verkleinen op het gebied van wonen, eten en reizen – maar waarin ze vooral ook steun vinden bij elkaar. Afgelopen jaar deden zo’n tweehonderd mensen mee. Dit jaar verwacht de organisatie een verdriedubbeling. Belangrijkste reden voor mensen om zich aan te melden: leren wat ze nog meer kunnen doen en niet willen wachten op de overheid omdat er nú iets moet gebeuren.

Dat ik op een regenachtige dag in januari verzeild ben geraakt bij deze eco weight watchers, is geen toeval. Nieuws over de mondiale opwarming vliegt mij de laatste tijd naar de strot.

Verbijsterende nieuws

En dat was er het afgelopen jaar volop. 2017 was het jaar van extremen: recordbrekende orkanen, temperaturen van boven de 50 graden in Azië. 2017 stond net als 2016 en 2015 in de topdrie van warmste jaren ooit gemeten. Er was het verbijsterende nieuws dat er net over de grens met Duitsland driekwart van de insecten is verdwenen. En er waren ongehoorde hoeveelheden neerslag. Dus als het weer dagen achtereen hoost of als het zo hard stormt dat mensen als lege bierblikjes over straat rollen, dan drenst het in mijn hoofd: zie je, klimaatverandering.

Sinds ik voor een artikel over klimaatactivist Naomi Klein het probleem in zijn volle glorie tot me moest laten doordringen, lig ik wakker en maal. Over zeespiegelstijging en dijkdoorbraken (hebben anderen wel noodrantsoenen en opblaasbootje op zolder liggen?). Ik scheid braaf mijn afval, rijd bijna geen auto en ga per trein op stedentrip. Maar apathie dreigt: wat heeft dit gefröbel in de marge voor zin? Ik begin te lijken op John B. McLemore, de hoofdpersoon uit de succesvolle Amerikaanse non-fictie podcast S-town, die een moordzaak aan de kaak probeert te stellen, maar ondertussen overal tekenen ziet van de dreigende apocalyps en die volgens de lovende recensies lijdt aan klimaatdepressie.

Hoe kom ik hier vanaf?

Hittegolf in India.
Hittegolf in India. © EPA

Duurzaamheid en gedrag

Van klimaatwetenschappers was al bekend dat ze soms wanhopig worden van hun eigen verontrustende feiten en de laksheid waarmee de wereld erop reageert – wetenschapsvoorlichter Joe Duggan verzamelde op zijn website isthishowyoufeel.com handgeschreven brieven van klimaatwetenschappers over hun angsten als mens. Maar recent onderzoek van Sabrina Helm van de University of Arizona laat zien dat ook gewone burgers gevoelig zijn voor stress, angst en zelfs depressie door klimaatverandering. Vooral degenen die hoog scoren op ‘biosperic concern’ – mensen die begaan zijn met de natuur.

Linda Steg, hoogleraar omgevingspsychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, doet onderzoek naar duurzaamheid en gedrag. 90 à 95 procent van de Europeanen gelooft in klimaatverandering, blijkt uit een grote nog ongepubliceerde Europese studie. En bijna net zo’n grote groep is ook overtuigd van de menselijke invloed hierop, zegt Steg, die vanuit Nederland meewerkte aan het onderzoek. ‘Maar hele grote zorgen? Dat maken ze zich niet’, zegt ze.

Onze psyche

Die paradox – mensen zijn overtuigd van klimaatverandering, maar maken zich slechts enigszins zorgen – zou er weleens de reden van kunnen zijn dat ze nog niet massaal in actie komen, vermoedde de Noorse psycholoog en econoom Per Espen Stoknes, schrijver van What We Think About When We Try Not To Think Of Global Warming. Wetenschappers proberen ons wanhopig nog meer cijfers te voeren om ons te overtuigen, redeneert hij, maar die werken averechts. Hoe meer we weten, hoe dieper we onze kop in zand steken. Oorzaak? Onze psyche. Die kan slecht overweg met dit soort boodschappen die ver van ons af staan – global warming blijft voor veel mensen iets van zielige ijsberen en een verre toekomst. Onze aandacht gaat uit naar het hier en nu: liefde, kinderen, werk, huizen, vakanties.

80 procent van het nieuws over klimaatverandering gaat bovendien over onheil, verliezen en kosten – niemand, maar dan ook niemand wil daarmee te maken hebben en dus vermijden we de bronnen van deze ‘onheilsporno’.

Cognitieve dissonantie

Vier op de vijf Nederlanders wil best duurzamer wil leven, maar verwacht niet dat anderen dat ook zullen doen

En wanneer het zich toch aan ons voordoet, hebben we een heel scala aan vermijdingsmechanismen om er niets mee te hoeven doen. Eigenlijk verkeren we, zegt Stoknes, in een permanente cognitieve dissonantie. Omdat we weten dat de aarde opwarmt door de uitstoot van CO2, maar we tegelijkertijd met bijna alles wat we doen – eten, autorijden, spullen kopen, vliegen – zelf CO2 uitstoten, kampen we met een continue innerlijke tegenstrijdigheid. ‘Om van dat ongemakkelijke gevoel af te komen zoek je uitvluchten: de auto van mijn buren is veel groter en vervuilender dan die van mij, als ik de enige ben die niet vliegt, wat heeft het dan voor zin?’ ‘We voelen ons dan beter’, aldus Stoknes. Maar tegelijkertijd weerhoudt het er ons van om in actie te komen. Uit een recente enquête van I&O Research in opdracht van het Klimaatverbond blijkt dat vier op de vijf Nederlanders inderdaad best duurzamer wil leven, maar niet verwacht dat anderen dat ook zullen doen, waardoor het vaak bij goede voornemens blijft.

Stoknes adviseert me dan ook om die klimaatdepressie van mij te koesteren: ‘Verdiep hem, doorleef ‘m!’, mailt hij en tussen haakjes: ‘tongue-in-cheek’. ‘Stand up for your depression!’

Angsttherapie

Daphne van Paassen: 'Als het weer dagen achtereen hoost of als het heel hard stormt, drenst het in mijn hoofd: zie je, klimaatverandering.'
Daphne van Paassen: ‘Als het weer dagen achtereen hoost of als het heel hard stormt, drenst het in mijn hoofd: zie je, klimaatverandering.’ © Sanne De Wilde

Hij heeft gelijk, denkt Jaap van der Stel, lector ggz aan de Hogeschool Leiden, die een half jaar terug een symposium over geestelijk welzijn en klimaatverandering organiseerde. ‘Angst is op zich niet verkeerd. Die is een signaal dat er gevaar dreigt. Dat je moet vluchten. Of dus vechten; je ertegen verzetten. In angsttherapie ga je niet voor niets altijd op zoek naar mogelijkheden om iets te doen: om de situatie te beïnvloeden, zodat je weer een gevoel van controle krijgt.’ De beste remedie bij klimaatdepressie is dus iets duurzaams doen, stelt hij.

Hoogleraar Steg adviseert te beginnen met iets makkelijks. Maakt niet uit wat. ‘Onderzoeken laten zien dat als je je groen gedraagt je over jezelf gaat denken als duurzaam persoon waardoor je je gedrag daarmee in overeenstemming wilt brengen – we willen immers consistent zijn en dus ons gedragen naar het beeld dat we van onszelf hebben.’

Maar waar te beginnen?

Zure regen

Industrieel ontwerper Babette Porcelijn vroeg zich dat ook af toen zij op een zondagmiddag op de bank haar moment van de waarheid beleefde. ‘Ik kwam erachter dat de zestien grootste containerschepen evenveel CO2 uitstoten als alle auto’s ter wereld bij elkaar. Ik was in shock’, vertelt ze in haar atelier in Amsterdam. In het midden van het oude klaslokaal ligt een nep-ijsberenvel met kop – alsof het symbool van de klimaatverandering zojuist ter plekke is uitgestorven. ‘Ik dacht vroeger dat het wel de goede kant op ging met het milieu in Nederland: we hebben weer vis in de Rijn; we hebben geen zure regen meer. Maar we hebben onze ellende gewoon verplaatst. We laten al onze spullen in lagelonenlanden maken en zien daardoor de vervuiling niet meer.’

Gewend aan innovatief denken schoot ze naar eigen zeggen direct in de probleemoplossende modus. ‘Ik wilde een toptien van verborgen impact hebben – dus een toptien van dingen die het slechtst zijn voor het milieu, niet alleen in gebruik, maar ook door de voor ons vaak verborgen wijze van produceren en vervoer. Zo kon ik bepalen welk groen gedrag het meest effectief was.’ Via crowdfunding kon ze het onderzoeksbureau CE Delft inhuren om door te rekenen waar de meeste winst te behalen viel voor de gemiddelde Nederlander.

Impact

Het geeft écht een kick, het is ook écht leuk, groen leven!

Babette Porcelijn

De resultaten staan in haar boek De verborgen Impact. ‘Je denkt bij vervuilend gedrag vooral aan autorijden en energie in huis, maar spullen kopen of vlees eten zijn veel vervuilender. Als je dat vermindert door alleen tweedehands kleding te kopen en vegetarisch te eten bijvoorbeeld, heb je twee keer zoveel impact.’ Zelf heeft ze de auto weggedaan, vliegt niet meer, is kleiner gaan wonen, koopt alleen in de kringloopwinkel en probeert nu veganistisch te eten. Ze worstelt nog met de sojamelk die ze nogal vies vindt en maakt haar muesli nu half-om-half om langzaam te wennen.

‘Het klinkt wel als afzien’, stamel ik.

‘Nee joh, het geeft écht een kick, het is ook écht leuk, groen leven!’, zegt ze, met en monalisalachje en priemende ogen: ‘Ik beweeg meer, ben gezonder, houd geld over, ga op spannende fietsvakanties. We moeten natuurlijk wel ook een wereld schetsen die zo gaaf is dat iedereen die wil nastreven. Een stip op de horizon.’ Hoe die er dan uitziet, dat moet ze nog onderzoeken voor haar volgende boek. Maar het zal iets zijn met ‘schone lucht’, ‘mooie natuur’, ‘armoedebestrijding’ en ‘altruïsme, waar je als mens pas echt gelukkig van wordt’.

Samen duurzaam

Eenmaal thuis vervang ik op de dagen dat ik kook stilletjes het vlees door vegetarische producten – dan gaat er ook niemand mekkeren – kondig aan dat we alleen nog bij hoge uitzondering met de auto gaan, zet nog een vijfde recyclebak neer voor groentenafval en draai als ik thuiswerk de thermostaat uit (tot ergernis van mijn huisgenoten: ‘Je ziet eruit of je bent weggelopen uit Scrooge and Marley met die… wat zijn dat eigenlijk? Oh my god, armwarmers!’).

Om het huis klimaatproof te maken word ik ook lid van de buurtcoöperatie en ga half januari naar de informatieavond ‘van het gas af’. Door samen duurzaam te zijn, breng je het abstracte probleem van de mondiale opwarming dichterbij, schrijft Stoknes. Daarbij zijn we nu eenmaal groepsdieren: peer-gedrag bepaalt voor een groot deel wat we doen. Kijk maar naar het onderzoek van het I&O over de gemiddelde Nederlander die wel wil verduurzamen, maar wacht op de overheid en anderen om hem voor te gaan. De beïnvloedingswetenschapper Robert Cialdini ontdekte dat als je weet dat je buren minder energie verbruiken dan jij, je zelf ook energiezuiniger gaat leven (van 14,5 naar 12 kilowatt per dag). Juist als we mensen onzeker zijn kijken ze naar wat hun peers doen.

Door samen duurzaam te zijn, breng je het abstracte probleem van de mondiale opwarming dichterbij

Praktische gemor

In een oud spoorweggebouw zit een man of veertig bij elkaar – veel grijze hoofden, een paar veertigers. Een scheefstaande beamer op een krukje. Een ambtenaar van de gemeente Haarlem vertelt hoe de stad in 2030 klimaatneutraal wil worden en in 2040 van het aardgas af. Een echt plan lijkt er nog niet te zijn maar ze heeft een bureau wel laten doorrekenen wat de efficiëntste oplossing is: voor onze wijk een palletkachel. ‘Maar die stoot toch ook CO2 uit?’ vraagt een vrouw van middelbare leeftijd. ‘Ik heb trouwens ontzettende last van al die houtkachels in deze buurt. Wie heeft er eigenlijk allemaal…’ Ze wordt onderbroken: ‘Als de gemeente wil dat ik van het gas af ga, waarom moet ik dan een boete betalen aan netbeheerder Liander als ik afgesloten wil worden?’

De ambtenaar wordt gered door een bestuurslid van de buurtcoöperatie die een bruggetje maakt naar het belang van het ‘buurtonderhoudsplan’, waarvoor we ons kunnen aanmelden. Maar ook hier verzandt de discussie in mitsen en maren. Ik merk dat ik gemakkelijk mee ga in het praktische gemor en dat er weinig over is van de hoopvolle energie waarmee ik naar deze bijeenkomst ging: de overheid doet misschien weinig, maar wij gaan dit als bewoners zelf wel even fixen.

Een modderstroom in Californië, VS.
Een modderstroom in Californië, VS. © AFP

Hybride warmtepomp

Tot ik Andries Tieleman spreek die tijdens de borrel na afloop aan geïnteresseerden op zijn iPad laat zien hoe hij zijn huis – een van de twaalf ‘pionierswoningen’ in de wijk – heeft verduurzaamd. Van huis uit werktuigbouwkundige geloofde hij niets van het verhaal dat je oude huizen moeilijk klimaatneutraal krijgt. Hij is nu een tijdje bezig en heeft zijn energieverbruik met tweederde naar beneden gebracht met zonnepanelen, een hybride warmtepomp, isolatie, voorzetramen en een systeem waarmee hij de temperatuur per kamer kan regelen.

Misschien is hij wel de ‘blockleader’ waar Steg het over had: bewoners die inspireren en een voortrekkersrol spelen. Wil je mensen duurzaam maken, dan is de inzet van dit soort types de meest effectieve manier. ‘Mensen nemen het meest aan van mensen die op hen lijken en die ze meer vertrouwen dan bedrijven of de overheid.’

Desastreuze grafieken

Tieleman woont in een huis uit 1892, glas-in-loodramen, een verweerde houten vloer, bewerkte hoge plafonds, overal lampjes van gekleurd glas, brokaten gordijnen, in het midden van de kamer een grote Bechstein-vleugel van zijn vrouw die operazangeres is. Tieleman is het gewoon gaan doen om mensen te laten zien dat het kan. Volgens Urgenda wordt 23 procent van de CO2-uitstoot in Nederland veroorzaakt door woningen. ‘Daar valt echt wat te winnen. Technisch kan het sowieso, een klimaatneutrale samenleving in 2030. We moeten het alleen willen.’

Maakt hij zich weleens zorgen? ‘Grote zorgen!’ Hij tovert desastreuze grafieken op zijn iPad van de gemiddelde wereldtemperatuur door de tijdvakken heen. Het is de reden dat hij ontslag heeft genomen bij het bedrijf in de luchtvaartindustrie waar hij in het managementteam zat, maar waar niemand over de gevolgen van de op handen zijnde energietransitie wilde nadenken. Hij wil er juist aan bijdragen. ‘Het leuke is dat duurzame energie decentraal is. Je hebt geen grote fabrieken of installaties nodig; je hoeft niet op de overheid te wachten om te veranderen, je kunt het zelf gewoon gaan doen. En het kan ook snel gaan. Het is als met de smartphone – binnen een paar jaar had iedereen zo’n ding en kan niemand meer zonder.’

Thuis leidt dat ‘samen iets duurzaams doen’ allerminst tot een hartverwarmende yes-we-can-verbroedering

Betekenisvol leven

Vol goede moed, verlaat ik het huis in de storm – weer zo’n omineus teken – die later heel Nederland platlegt. Het kán dus. Ook in onze huizen. Dit is wat Steg de warm glow noemt: mensen die iets duurzaams doen, voelen zich gelukkig. ‘Als je iets altruïstisch doet, krijgt je zelfbeeld een boost. Mensen willen immers betekenisvol leven; een bijdrage leveren aan het grotere geheel.’ Eudemonia – Aristoteles had het er al over.

Thuis leidt dat ‘samen iets duurzaams doen’ trouwens allerminst tot een hartverwarmende yes-we-can-verbroedering. Onderwerpen als autorijden (‘We rijden vergeleken met anderen al heel weinig’), eten (‘Ik houd gewoon van vlees!’), verwarming (’17 graden is echt kindermishandeling’) en spullen kopen (‘Dit is geen refurbished beeldscherm, het is een afgedankte tv’) monden steevast uit in geruzie: ‘Ze is gewoon een fundamentalistische klimaatactivist geworden’, vindt mijn zoon. Zijn vader vraagt of ik tenminste een oplossing kan verzinnen voor de inmiddels ‘Napolitaanse afvalverwerkingstaferelen’ in de keuken.

Doorleef je klimaatdepressie- zeg dat wel.

Overstroming na de orkaan Harvey in Houston, VS.
Overstroming na de orkaan Harvey in Houston, VS. © AP

Moraalridder

Je moet uitkijken dat je geen zendeling wordt, die anderen vertelt hoe het moet

Kim Reek, groepscoach KlimaatGesprekken

‘Het is soms gewoon ploeteren’, zegt Kim Reek, groepscoach bij de KlimaatGesprekken in De Bilt. Ook hij ligt af en toe overhoop met zijn omgeving. ‘Dat onderhandelen over of de thermostaat een graadje lager kan – trek toch gewoon een trui aan!’ Daardoor voel je je weleens alleen, denkt hij. Juist als hij aan zijn twee jonge kinderen denkt, kan de paniek toeslaan. ‘Dan moet je uitkijken dat je geen zendeling wordt, zo’n moraalridder die anderen vertelt hoe het moet. Daar hebben mensen terecht ontzettend de pest aan. Tegelijkertijd wil je je omgeving wakker schudden: we moeten nú iets doen.’

De laatste bijeenkomst van de KlimaatGesprekken gaat dan ook over gesprekken met anderen. De Britse psychotherapeut Rosemary Rendall, die de oorspronkelijke Carbon Conversations in 2006 bedacht, merkte dat mensen die de betekenis van klimaatverandering ten volle tot zich lieten doordringen, zich vaak alleen, somber en hulpeloos voelden. ‘Kleine groepen van gelijkgestemden die praten over hun problemen is in de psychotherapie een beproefd concept’, laat ze via de mail weten. Ook om te leren hoe je er met je omgeving over praat. Luisteren is het belangrijkste.

Rollenspel

In de huiskamer van Kim Reek merkt iedereen hoe lastig dat is: ze willen allemaal vooral overtuigen – ‘o god, ik zit maar te lullen!’, zegt Kim Reek, die in een rollenspel zijn vrouw wil bewegen om minder te vliegen. Gelach. Judith probeert haar vriend op vegetarische kipstukjes over te laten stappen zonder een dwingende Jehova’s getuige te worden.

Natuurlijk zijn al die individuele acties op zich niet genoeg om het klimaat te redden. Maar volgens Stoknes bouw je zo wel ‘bottum-up support’ voor politici en wet- en regelgeving die dat wel kunnen. Een heldere boodschap voor al die mensen die volgens het I&O onderzoek wel willen verduurzamen, maar wachten op de overheid en elkaar.

Een begin

Ik realiseer me na de KlimaatGesprekken dat ik het thuis volkomen verkeerd heb aangepakt. ’s Nachts schiet ik nu weliswaar niet meer wakker van dromen over dijkdoorbraken, maar moet ik wel opboksen tegen een soort klimaatgekkie-imago. De eerstvolgende keer aan tafel probeer ik het in de geest van Rosemary Randell met een vraag die mijzelf nogal kwezelig in de oren klinkt – ‘wat willen jullie dan veranderen’ – en tot mijn stomme verbazing komen er ideeën: de geërfde auto van opa inruilen voor een klein model, zonnepanelen en, een heel overtuigende: geen vlees meer maar dan wel iedere dag kaassoufflés.

Het is een begin.

. . . 
<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

Stadstuinbouw: lessen uit Gent, Philadelphia en Warschau

Initiatieven voor stadstuinbouw hebben een grotere slaagkans 
als er structurele steun is door de stad of gemeente én 
als er een balans is tussen het streven naar economische 
haalbaarheid en het vergroten van de sociale gelijkheid 
in de stad. 
Dat concludeerde ILVO-UGent onderzoekster Charlotte Prové 
na een vergelijkende studie over stadslandbouw in Gent, 
Philadelphia en Warschau. . . . . lees hieronder verder
Vlaanderen

ILVO persbericht – donderdag 1 februari 2018

Stedelijk beleid rond stadslandbouw maakt het verschil: lessen uit Gent, Philadelphia en Warschau

Initiatieven voor stadslandbouw hebben een grotere slaagkans als er structurele steun is door de stad of gemeente, én als er een balans is tussen het streven naar economische haalbaarheid en het vergroten van de sociale gelijkheid in de stad. Dat concludeerde ILVO-UGent onderzoekster Charlotte Prové na een vergelijkende studie over stadslandbouw in Gent, Philadelphia en Warschau. Het model van voedselraden, talrijk aanwezig in de VS maar nieuw in Europa, kan stadlandbouw een boost geven, mits een doorgedreven participatie en een doordachte visie die past bij de mogelijkheden van de stad in kwestie.

Op 2 februari 2018 verdedigt Charlotte Prové haar doctoraat “The politics of urban agriculture: an international exploration of governance, food systems, and environmental justice”. De publieke verdediging gaat door in zaal E 2.009 op de Campus Coupure (Faculteit. Bio-Ingenieurswetenschappen), Coupure 653, 9000 Gent. Promotoren van het doctoraat zijn Prof. Joost Dessein en dr. Michiel de Krom.

stadsdeeltuin

Stadslandbouw: veel aandacht, veel actoren en formules, beperkt succes en groei

Roof Food in Gent, PAKT in Antwerpen, Abattoir in Anderlecht: innovatieve ondernemingen in de stadslandbouw kunnen steevast op veel media-aandacht rekenen. De gedachte dat steden meer verantwoordelijkheid moeten nemen in het voorzien van gezonde en duurzame voeding kan op veel sympathie rekenen. Dat komt doordat stadslandbouw sterk wordt gelinkt aan sociale, economische en ecologische duurzaamheid: het verbindt mensen, het biedt kansen voor nieuwe verdienmodellen, en het verplaatst het voedselvraagstuk van het globale naar een meer lokaal niveau. Daardoor kan er meer doordacht met natuurlijke bronnen worden omgegaan. De vele initiatieven die in de steden zijn gegroeid vertonen een grote variatie aan praktijken. Bij de actoren ziet de onderzoekster erg diverse profielen: professionele landbouwers, nieuwe ondernemers, onderzoekers, architecten, sociale en culturele instellingen, onderwijsinstellingen, en overheidsinstellingen, maar ook burgers.

Vraag en aanbod zijn dus allebei duidelijk aanwezig, maar toch kent stadslandbouw een trage groeicurve. Charlotte Prové: “Ondanks veel bereidheid zie ik stadslandbouw in de Vlaamse steden en gemeenten nog niet echt op een grotere schaal van de grond komen. De ontwikkeling verloopt traag, veel projecten zijn tijdelijk of experimenteel, vaak plukt enkel de middenklasse de vruchten”. Een cruciale verklaring voor het matige succes ligt volgens de onderzoeker bij de rol die de lokale overheid al dan niet speelt.

Structurele steun door stedelijk beleid maakt een verschil

ILVO-UGent onderzoekster Charlotte Prové trok naar Gent, Warschau en Philadelphia om inzicht te krijgen in de barrières. Daarbij nam ze de rol van de stad in het ondersteunen van stadslandbouw onder de loep. Aan de hand van interviews met burgers, ondernemers, en beleidsmakers, via de analyse van documenten, en via deelname aan activiteiten, debatten, en vergaderingen van onder andere voedselraden kon ze vergelijken welke al dan niet succesvolle rol er kan worden gespeeld door een stedelijk beleid. “Ik ontdekte heel wat manieren waarop stedelijke overheden stadslandbouw kunnen ondersteunen, gaande van zachte maatregelen zoals ruchtbaarheid geven, promotie, en financiering, tot structurele ondersteuning zoals permanent ruimte bieden aan stadslandbouw, en het opzetten van een voedselraad (of in het Engels ‘food policy council’).”

In Warschau wordt stadslandbouw niet gesteund door lokale overheidsinstellingen. Bijgevolg blijven de projecten informeel en tijdelijk, en blijft stadslandbouw onder de radar. In Gent en Philadelphia is er formeel beleid rond duurzame en lokale landbouw en voeding opgesteld, en dat opent deuren voor stadslandbouw. In Philadelphia werd een grondbank opgericht waarbij publieke en braakliggende gronden permanent kunnen worden ingezet voor stadslandbouw. Bij het organiseren van deze grondbank zijn heel wat organisaties en instellingen betrokken, waardoor er brede ondersteuning is voor de grondbank. Het voordeel van permanente ruimte voor stadslandbouw is dat, anders dan in tijdelijke stadslandbouwprojecten, het de moeite loont om te investeren in de grond, dat er langetermijndenken mogelijk is, en dat stadslandbouw ook een vaste waarde in de stad wordt.

Ook de formule van een voedselraad, overgewaaid vanuit Amerika, blijkt veelbelovend. Zo’n voedselraad brengt alle betrokken actoren uit de overheid, markt, en maatschappij rond de tafel om een lokale voedselstrategie te ontwikkelen en promoten. Gezonde, duurzame, en/of lokale voeding staan hierin centraal.

Vier uitdagingen in het voedselbeleid

“Via Voedselraden worden netwerken gevormd, wordt er op lokaal niveau geleerd om naar alle schakels van het voedselsysteem tezelfdertijd te kijken, en vinden actoren die nodig zijn voor systeemveranderingen elkaar.”, zegt Charlotte Prové, “Dat klinkt super, maar voedselraden zijn in veel gevallen beperkt: niet alle stadslandbouwpraktijken, actoren, en doelstellingen worden altijd weerspiegeld. Bijgevolg worden sommige praktijken reeds op voorhand uitgesloten in het beleid of besluitvormingsprocessen. Er zijn dus heel wat uitdagingen rond het opstellen van een integraal stedelijk voedselbeleid.” Charlotte Prové licht er vier kort toe.

  1. Stadslandbouw kan pas werken als het principe groeit vanuit de eigenheid van de stad. In Warschau bijvoorbeeld besteden voortrekkers van stadslandbouw veel energie en tijd aan het aantonen van de relevantie van stadslandbouw door tijdelijke demonstraties en experimenten in publieke ruimtes. Daarbij “vergeten” ze echter het historisch hoge aantal volkstuinen die nauw kunnen aansluiten bij de stadslandbouwbeweging en deze kunnen versterken. In Gent en Philadelphia daarentegen, werden respectievelijk ruimtelijke en socio-economische studies uitgevoerd die eerst de kansen en barrières voor stedelijke landbouw in kaart brengen. Dit zijn belangrijke inzichten om toekomstige ondersteuning constructief op te bouwen.
  2. De doelstellingen die voedselraden voorop stellen hebben een grote invloed op de ontwikkeling van stadslandbouw. In Philadelphia heeft een sterke focus op toegang tot voeding en sociale inclusie er toe geleid dat professionele landbouwers in de bijeenkomsten en in de activiteiten over het hoofd worden gezien. In Gent gebeurt net het omgekeerde. Een lokaal en duurzaam voedselsysteem als hoofddoel in het beleidsplan verschuift de focus naar productie en opschalen van lokale voeding, en leidt de aandacht af van andere problemen zoals toegang tot voeding, armoede, en sociale inclusie.
  3. Bij het uitstippelen van stedelijk beleid rond voedsel is de participatie van verschillende actoren essentieel. “Uit mijn studie blijkt dat stadslandbouw best gedijt waar zowel economische als sociale doelen tezelfdertijd worden nagestreefd. Beide zijn nodig om de identiteit van stadslandbouw vorm te geven.”, zegt Charlotte Prové. Een voorbeeld zijn de boerenmarkten in Philadelphia, waar personen die in financiële moeilijkheden zitten met voedselbonnen worden aangemoedigd om groenten, fruit, en zuivel te kopen.
  4. Zowel in Gent, Warschau als Philadelphia geven promotiefilms, foto’s en verslaggeving de indruk dat stadslandbouw en het beleid errond bijdragen tot een meer sociale en inclusieve stad. In de realiteit worstelen stadslandbouwpraktijken, maar ook voedselraden – vaak onbewust – met brede participatie, diversiteit, besluitvorming, en nieuwe machtsverhoudingen. Het is daarom van groot belang dat voedselraden tijd en energie investeren in hun organisatie en waken over een continue en evenwichtige rekrutering van nieuwe actoren. In Philadelphia zijn er bijvoorbeeld naast de thematische werkgroepen ook twee werkgroepen die zich specifiek richten op participatie en communicatie.

De toekomst van stadslandbouw

Om stadslandbouw te bestendigen is steun aan bestaande stadslandbouwactiviteiten nodig, maar vooral ook kritische aandacht voor hoe het stedelijk beleid stadslandbouwinitiatieven aanpakt en breed kan ondersteunen. Er is nu ruime aandacht en grote bereidheid om tijd, energie, en soms zelfs financiële middelen te investeren in stadslandbouw. Daarom moet er dringend ruimte worden gegeven aan experimenten. Daar is Gent een koploper in, door o.a. ruimte te bieden aan een nieuw professioneel landbouwbedrijf met sociale functies in Afsnee, of het uitschrijven van onderzoeksprojecten rond het opschalen van korte keten.

Aangezien voedselraden een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van stadslandbouw, moeten ook zij hun strategie kritisch(er) gaan uitbouwen. Welke innovatieve manieren zijn er om op een echt participatieve en inclusieve manier een lokale voedselstrategie uit te bouwen? Welk soort voedselsysteem willen we? Hoe zetten we schaarse middelen in de stad in? Aan wie verlenen we toegang tot stadslandbouw? “Stadslandbouw is niet alleen een zaak voor landbouw- en milieudepartementen”, besluit Charlotte Prové. “Om echt de vruchten te kunnen plukken van alle aspecten van stadslandbouw en om dus ook de relevantie van stadslandbouw juist te kunnen inschatten, moet het beleid alle stedelijke functies in rekening brengen en stadslandbouw op een geïntegreerde manier benaderen”.

Contact

Greet Riebbels, ILVO communicatie: greet.riebbels@ilvo.vlaanderen.be, M 0486 26 00 14
Charlotte Prové, doctorandus: charlotte.prove@ilvo.vlaanderen.be, M 0478 78 71 33

. . . 
<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

‘Als verduurzamen huizen eenmaal loopt, kan het ook heel snel gaan’

Aangepast

Een rijtje sociale huurwoningen in Hoogeveen ANP
Geschreven door

Flip de Jong  redacteur Economie

Voorzitter Wientjes van de Taskforce Bouw is niet pessimistisch over de doelstelling dat 2050 alle acht miljoen gebouwen in ons land CO2-neutraal zijn. Hij vindt het een enorme inspanning, maar als het eenmaal gaat lopen, kan het ook heel snel gaan, zegt hij.

De oud-werkgeverstopman Wientjes is voorzitter van de taskforce die de verduurzaming van het gebouwenbestand moet aanjagen. Hij pleit voor een meer dwingende aanpak van huurwoningen en voor een rol van pensioenfondsen bij het verduurzamen van scholen en particuliere woningen.

Huurwoning gedwongen aangepast

Wientjes stelt voor het voor woningcorporaties makkelijker te maken om sociale huurwoningen te verbouwen. Nu mag een blok woningen alleen gerenoveerd worden als 70 procent van de bewoners daarmee instemt. Hij wil af van die voorwaarde. Tegelijkertijd moeten huurders wel verleid worden om vrijwillig mee te doen. Dat kan volgens Wientjes door bij het verduurzamen van de huurwoning ook achterstallig onderhoud weg te werken en bijvoorbeeld ook de badkamer en keuken te verbeteren.

Ronald Paping, directeur van de Woonbond, ziet daar helemaal niets in. “Die 70 procent instemming is van groot belang om ervoor te zorgen dat er draagvlak onder huurders is. Het is echt een heilloze weg dat ter discussie te stellen want dan gaat iedereen de hakken in het zand zetten.”

Uit onderzoek van de Woonbond blijkt volgens Paping dat bij 90 procent van de renovaties de instemmingsvoorwaarde geen vertraging oplevert. Bij de rest zie je dat de plannen niet goed zijn of de communicatie met huurders onvoldoende is, zegt Paping.

Overigens zijn de betrokken partijen het er wel over eens dat de woonlasten niet omhoog mogen. De huur mag na de verbouwing niet meer stijgen dan de energiekosten dalen. Zo komt de rekening van het verduurzamen dus niet bij de huurder te liggen. Wientjes denkt dat de verbouwingen goedkoper worden als er echt grootschalig verduurzaamd wordt.

Tienduizenden euro’s per koopwoning

Voor de 4 miljoen particuliere woningen stelt Wientjes voor om een lening voor het verduurzamen aan het huis te koppelen in plaats van aan de eigenaar. Dat betekent dat bij verkoop van het huis de nieuwe eigenaar de lening overneemt. In het regeerakkoord wordt dit ook al aangegeven als mogelijkheid. De leningen zouden volgens Wientjes gefinancierd kunnen worden door de pensioenfondsen. Het gaat volgens hem al snel om 30.000 tot 50.000 euro per huis.

Dat kan goedkoper zegt Urgenda-directeur Marjan Minnesma. Volgens haar zie je twee stromingen van mensen die proberen huizen energie-neutraal te maken. De ene stroming pakt huizen opnieuw in met bijvoorbeeld een compleet nieuw dak en gevel. Dat is heel duur. De andere groep isoleert beperkt en werkt verder vooral met installaties als zonnepanelen en warmtepompen. Dat kost meestal maar de helft.

Volgens Minnesma is de taskforce “meer gericht op de bouw en de duurdere oplossingen”.

Schoolgebouwen naar pensioenfonds

Ook voor de aanpak van schoolgebouwen ligt al een plan klaar, al moeten de betrokken partijen daar nog over aan tafel volgens Wientjes.

Voor de financiering van het verduurzamen van schoolgebouwen ziet Wientjes ook een rol voor de pensioenfondsen. Die zouden scholen moeten bouwen en het eigendom van bestaande gebouwen moeten overnemen om met de vernieuwing aan de slag te gaan. De scholen kunnen het gebouw dan huren, zegt Wientjes.

Om het voor de nieuwe eigenaar aantrekkelijk te maken zouden er bijvoorbeeld extra gebouwen of huurwoningen op het terrein kunnen worden gebouwd.

De Vereniging Openbaar Onderwijs wijst de voorstellen van Wientjes af. “Scholen moeten met schoolbesturen en lokale overheden de handen ineen slaan voor duurzame investeringen, in plaats van gebouwen en terreinen aan op winst gerichte marktpartijen te verkopen”.

De PO-Raad, de sectororganisatie voor het primair onderwijs, zegt nog niet eerder van dit voorstel gehoord te hebben. De raad wijst er op dat er voor het verduurzamen van basisschoolgebouwen zeker 10 miljard euro nodig is. Ook zou het overdragen van het eigendom van de schoolgebouwen ingewikkeld zijn.

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

Buren slaan eigen zonnestroom op in buurtbatterij

Van: op 25 november 2017

buurtbatterij energieopslag

Voor het eerst in Nederland wordt een buurtbatterij in een wijk ingezet. In de buurtbatterij wordt zelf opgewekte zonne-energie opgeslagen als je die niet gebruikt. Op het moment dat je de stroom nodig hebt, kan je die er weer af halen. In het dorp in Haarlemmermeer testen 35 huishoudens het komende jaar deze unieke batterij samen met Lyv smart Living, netbeheerder Liander en Tegenstroom, het lokale energiebedrijf van de gemeente Haarlemmermeer.

Het energiemanagementsysteem met een bijbehorende app registreert als energie wordt opgeslagen in de buurtbatterij en wanneer de bewoner die er weer af haalt. Aan de hand van het actuele energiegebruik van de bewoners en de hoeveelheid opgewekte energie wordt bepaald of de energie het beste gebruikt, opgeslagen of teruggeleverd kan worden aan het net. Als een bewoner in de wijk energie nodig heeft dan levert het systeem zijn resterende deel uit de batterij terug. Zo kunnen bewoners maximaal hun eigen opgewekte energie gebruiken en wordt het energienet ontlast.

 

Energievoorziening door de wijk

Door eerst de beschikbare, duurzame energie uit de buurt te gebruiken, kunnen wijken in de toekomst steeds meer in hun eigen energie voorzien. Ook kan het een oplossing zijn voor de forse toename van zonnepanelen op woningen en de bijbehorende energie die verwerkt moet worden. Door de duurzame energie in een batterij op te slaan wordt het elektriciteitsnet minder belast.

Nederland maakt steeds meer gebruik van wisselende energiebronnen zoals zonne- en windenergie. Bovendien verbruiken we op bepaalde momenten van de dag steeds meer elektriciteit, bijvoorbeeld als we tegelijkertijd thuiskomen, onze elektrische auto willen opladen en gaan koken. Het huidige elektriciteitsnet is niet aangelegd voor die piekmomenten en zal daardoor in de toekomst sneller overbelast raken. Bovendien kan de toename van zonnepanelen en warmtepompen gevolgen hebben voor de spanningskwaliteit op het net. Daardoor kunnen apparaten in huis kapot gaan en meer stroomstoringen ontstaan. Dit kan voorkomen worden door het elektriciteitsnet aan te passen en een zwaardere kabel neer te leggen maar dat is duur en ingrijpend. Dat wil Liander voorkomen en onderzoekt daarom of energie opslag in bijvoorbeeld een buurtbatterij een meer betaalbaar en een betrouwbaar alternatief is.

 

Testen lokale energienet

Liander gebruikt de batterij uitsluitend om te testen wat de gevolgen ervan zijn voor het lokale energienet en of het één van de oplossingen kan zijn  om het lokale net te ontlasten. Om te begrijpen wat de dynamiek en impact is van het gebruik van batterijen op het elektriciteitsnetwerk doet de netbeheerder onderzoek naar oplossingen als de Buurtbatterij. De eerste voorlopige resultaten laten zien dat er een toename is van zo’n  100% in het gebruik van de eigen opgewekte energie met behulp van de batterij. Dit verlaagt de impact op het netwerk en daarbij kan de batterij de spanningskwaliteit regelen.

Later in het jaar worden marktpartijen gevraagd om de restenergie uit de batterij te verhandelen. Geïnteresseerde marktpartijen kunnen zich via een aanbesteding inschrijven. Samen met de gekozen marktpartij wordt zowel de haalbaarheid van de batterij onderzocht als het verhandelen van energie uit de batterij. Daardoor is de kans op realisatie het grootst. De uitkomsten van het demonstratieproject worden gedeeld met marktpartijen en andere geïnteresseerden.

 

Over Tegenstroom

Tegenstroom is een professionele leverancier van stroom én gas, opgericht door de gemeente Haarlemmermeer. Tegenstroom is de groenste leverancier van Nederland en heeft geen winstoogmerk.  Tegenstroom adviseert en investeert in lokale opwekking van schone energie in de polder. Als klant draag je dus direct bij aan de overgang naar een schone, toekomstbestendige energievoorziening in Haarlemmermeer, onafhankelijk van minder stabiele regio’s in de wereld.  https://tegenstroom.nl

Lees meer over: ,

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

Wijk in Nieuwegein draait straks op zonne-energie en regenwater

Duurzaamheid

Een nog te bouwen zonnepark gaat een nieuwbouwwijk in Nieuwegein rond 2025 van zuiver water en energie voorzien.

Dorine Schenk  / 

Nu is het nog een verwilderd grasveld, maar volgend jaar ligt het stuk grond in Nieuwegein vol met zonnepanelen. De 8,6 megawattpiek energie die daarmee opgewekt gaat worden, kan de nabijgelegen nieuwbouwwijk van 900 woningen voorzien van alle nodige energie voor elektrische apparaten, verlichting, verwarming en transport. Ook gaan de panelen regenwater opvangen dat gebruikt kan worden voor de productie van waterstof; de brandstof van de toekomst, volgens Ad van Wijk, specialist Energie en Water bij onderzoeksinstituut KWR en hoogleraar aan de TU Delft. De wijk moet rond 2025 klaar zijn.

De nieuwbouwwijk wordt beschreven in Solar Power to the People, dat vorige week uitgebracht werd. Dit gratis verkrijgbare boek gaat niet alleen over verduurzaming op wijkschaal, maar begint een stap ambitieuzer: de auteurs, onder wie Van Wijk, schrijven dat het wereldwijde energieverbruik opgewekt kan worden door 5 procent van de Sahara te vullen met zonnecellen, of 1,5 procent van het oppervlak van de Grote Oceaan met windturbines. Die energie moet dan nog wel op het juiste moment naar de juiste plek. De rest van het boek beschrijft technieken om de opslag en het transport van die energie mogelijk te maken. Bijvoorbeeld door met de opgewekte elektriciteit water om te zetten in waterstof, dat vervolgens met schepen en pijpleidingen vervoerd kan worden.

Demiwater en elektrolyse

In de laatste hoofdstukken wordt gekeken naar verduurzaming op wijkschaal, met de toekomstige nieuwbouwwijk Rijnhuizen als voorbeeld. Daar moet de energie uit het toekomstige zonnepark (op het terrein van Watertransportmaatschappij Rijn-Kennemerland) de wijk van alle gemakken gaan voorzien. „Het zonnepark gaat per jaar 7 miljoen kilowattuur (kWh) aan energie leveren en als er ook zonnepanelen op de daken van de woningen geplaatst worden, komt er nog eens 3 miljoen kWh bij”, vertelt Van Wijk.

De panelen gaan ook regenwater opvangen. Daarvan wordt demiwater gemaakt: water dat ontdaan is van verontreinigingen, mineralen en zouten.

Met de elektriciteit van de zonne-energie wordt een deel van het demiwater omgezet in waterstof. Dat gaat via elektrolyse, een klassieke reactie uit het scheikundepracticum op de middelbare school: twee elektroden in een bak met water, aan de ene ontstaat zuurstof, aan de andere waterstof. Waterstof kan gebruikt worden om bijvoorbeeld auto’s en bussen op te laten rijden. En het overige demiwater kan naar de wasmachines en vaatwassers van de bewoners. „Omdat dat extreem schoon water is, heb je bovendien minder zeep nodig en verkalken je machines niet, waardoor de levensduur verlengd wordt”, vertelt Els van der Roest, onderzoeker Energie en Water bij KWR. De woningen worden wel aangesloten op het gewone elektriciteits- en waternet voor bijvoorbeeld drinkwater en douches.

Warmteopslag

Een ander deel van de zonne-energie kan gebruikt worden om batterijen van onder andere elektrische auto’s op te laden. Verder gaat er bij het zonnepark een warmtepomp gebouwd worden, waarmee in de zomer de warmte in de grond opgeslagen kan worden door het grondwater te verwarmen. In de winter kunnen woningen daarmee verwarmd worden.

Dergelijke warmte-koudeopslag wordt vaker gebruikt. Daarbij wordt het grondwater meestal verwarmd tot een temperatuur van 20 graden. Dat is niet genoeg om een huis te verwarmen. Daarom zijn er in de winter elektrische warmtepompen nodig om de temperatuur te verhogen. In Rijnhuizen willen ze voorkomen dat er in de winter extra energie nodig is voor een warmtepomp, door in de zomer warmte van maar liefst 40 tot 60 graden op te slaan onder de grond.

Nu wordt er nog niet op deze schaal zoveel warmte in de grond opgeslagen. „We weten dus nog niet precies welke processen plaatsvinden in de bodem op deze temperaturen ”, vertelt Van der Roest. Daarom wordt er de komende tijd in het lab getest wat er gebeurt als het water in de bodem tot die temperatuur verwarmd wordt. Van der Roest: „We gaan kijken of het geen problemen oplevert voor de kwaliteit van de bodem en de drinkwaterwinning daar.”

„De wijk Rijnhuizen is de eerste aanzet om een systeem voor een groter gebied op te zetten”, zegt Van Wijk. Als er in de toekomst op grote schaal elektriciteit opgewekt kan worden met zonne- en windenergie, kan daarmee waterstof geproduceerd worden. Dat is makkelijker te vervoeren en op te slaan dan elektriciteit.

Van Wijk wil benzine en aardgas uiteindelijk vervangen door waterstof, auto’s kunnen erop rijden en huishoudens kunnen ermee verwarmen en koken. „Het boek beschrijft hoe de hele wereld voorzien kan worden van duurzame energie, opgewekt met zonnepanelen en windturbines”, zegt hij. „Met Rijnhuizen willen we in de praktijk laten zien dat deze manier van energieopwekking en -opslag mogelijk is.”

 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 

16/10/2017

Organisaties achter keurmerken bepleiten afschaffing BTW op duurzame voeding

De organisaties achter 11 keurmerken roepen de politiek op om de BTW-verhoging van 6% naar 9% aan te grijpen om de BTW op duurzame voedingsproducten af te schaffen. Deze maatregel past in het rijtje aan klimaatmaatregelen van het nieuwe kabinet onder het motto ’de vervuiler betaalt’. En doet recht aan de ‘echte prijs’ van produkten.

Duurzame voeding, herkenbaar aan keurmerken, is aan een sterke opmars bezig. Het afgelopen jaar steeg de omzet volgens de Monitor Duurzaam Voedsel 2016 van 3 naar 3,7 miljard euro. De overheid juicht dit toe. Logisch, want het is maatschappelijk zeer gewenst dat voeding dier-, milieu-, klimaat- en mensvriendelijk wordt geproduceerd. Dat lost tal van problemen op en bespaart kosten. Daarom roepen de organisaties achter 11 keurmerken de politiek op om de BTW-verhoging van 6% naar 9% aan te grijpen om de BTW op duurzame voedingsproducten juist af te schaffen.

Duurzame producten zijn vaak iets duurder, omdat maatschappelijke verbeteringen in de prijs opgenomen zijn. Denk aan een eerlijke prijs voor de boer, weidegang voor koeien, goede arbeidsomstandigheden en milieuvriendelijke productiemethodes. Veel duurzame producten zouden nu al goedkoper zijn dan ‘gewone producten’ als werkelijke kosten voor deze verbeteringen doorberekend zouden worden. Met de aankoop van duurzame producten wordt op kosten bespaard voor onder meer ontwikkelingshulp, natuurbescherming, klimaatverandering, dierenwelzijn en gezondheid. De sterke stijging van de duurzame aankopen bewijst dat consumenten hier waarde aan hechten.

Nu het nieuwe kabinet heeft besloten om het lage BTW-tarief te verhogen van 6% naar 9% roepen de organisaties achter de keurmerken de politiek op om de BTW op duurzame producten helemaal af te schaffen. Dat is de snelste route naar een wereld van duurzame productie, die op termijn de overheidsuitgaven verlaagt op alle maatschappelijke thema’s die met landbouw en voeding samenhangen. De oproep is ondertekend door:

  • Esther Luiten, commercieel directeur, Aquaculture Stewardship Council
  • Marijke de Jong, programmamanager, Beter Leven keurmerk, Dierenbescherming
  • Bavo van den Idsert, directeur Bionext
  • Bert Ruitenbeek, directeur Demeter
  • Bas Rüter, voorzitter, Stichting EKO-keurmerk
  • Hans Nieuwenhuis, Program Director Benelux, Marine Stewardship Council
  • Peter d’Angremond, directeur Max Havelaar
  • Gijs Dröge, directeur Milieukeur
  • Marcel Clemont, directeur Markets Transformation, Rainforest Alliance Europe
  • Inke van der Sluijs, Technical Manager, Roundtable On Sustainable Palm Oil (RSPO)
  • Han de Groot, Executive Director, Utz

bron: Bionext, 16/10/17

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

Deze vuilnisbak tovert je etensresten geurloos om in compost

In steeds meer Nederlandse steden wordt het nieuwe afval scheiden ingevoerd. Hierbij kun je niet meer alles in een vuilniszak stoppen, welke één keer in de week wordt opgehaald. Verpakkingsmaterialen, etensresten en restafval moet apart gehouden worden. Dit heeft behoorlijk wat keukens in een stinkende bende vol fruitvliegjes veranderd. De Taihi vuilnisbak van Ben Cullis Watson is een perfecte oplossing om de rottende geur van groente en fruitafval aan te pakken, terwijl je deze ook nog eens omzet in compost voor je plantjes.

Compost maken zonder wormen

De Taihi vuilnisbak is in principe een compostbak, maar gebruikt niet de traditionele manier om compost te maken. Bij de standaard compostbakken moet je wormen gebruiken en de bak om de zoveel tijd draaien. Watson gebruikt echter een speciale Japanse methode, waarbij dit allemaal niet nodig is.

Taihi vuilnisbak

Japanse fermentatie methode kost bijna geen moeite

De methode die Watson gebruikt voor de Taihi heet bokashi. Hierbij wordt een fermentatieproces gebruikt om de etensresten af te breken en om te zetten in compost. Normaal gesproken moet je bij de bokashi methode het afval met een mix van zemelen vermengen, maar bij Watson’s compostbak is zelfs dat niet nodig. De bak komt namelijk met een speciale mix, die het proces versnelt.

Taihi bin compostbak

Taihi vuilnisbak geeft je na twee weken compost

Wanneer je er klaar bent om van je afval compost te maken vul je een houdertje met de fermentatie mix en stop je deze bovenin de vuilnisbak. Gedurende 12 tot 14 dagen wordt er telkens een beetje van de mix over het afval gesprayd, totdat de etensresten helemaal gefermenteerd en afgebroken zijn.

Als het proces klaar is kun je gewoon de container uit de vuilnisbak halen en de inhoud als compost gebruiken. Tijdens het proces komen er ook vloeistoffen vrij. Deze worden onderin de bak opgevangen in een soort gieter. Ook dit kan gebruikt worden voor de plantjes. Als je opnieuw  wilt beginnen heb je wel telkens een nieuw flesje van de fermentatie mix nodig.

Taihi vuilnisbak

Twee containers en dubbel deksel systeem

De Taihi bin ziet eruit als een normale vuilnisbak, maar is uitgerust met een dubbel deksel systeem waardoor nare geurtjes niet door je huis verspreid worden. De bak komt met twee containers van 20 liter om je groente en fruitafval in de gooien. Deze zijn uitgerust met een anti plaklaag, zodat ze makkelijk weer schoongemaakt kunnen worden.

Taihi vuilnisbakDe Taihi vuilnisbak is op het moment nog niet te koop, maar Watson is druk bezig met mogelijkheden om hem uiteindelijk in de winkel te kunnen krijgen. Ook is hij nu al bezig met een versie 2.0 van de afvalbak, om deze nog beter te maken.

Het zal je verbazen hoe innovatief mensen kunnen zijn met vuilnisbakken. Met deze bak hoef je al die verzamelde plastic tassen niet weg te gooien, maar kun je ze allemaal op een efficiënte manier als vuilniszak gebruiken.

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

Bijendiversiteit in kaart gebracht in Atlas Natuurlijk Kapitaal

Op Atlas Natuurlijk Kapitaal zijn 5 kaarten te zien over bestuiving. De nieuwste kaart toont de bijendiversiteit in Nederland. Deze kaart geeft per gridcel van 100 x 100 meter het aantal bijensoorten weer dat er gemiddeld voorkomt. Hoe groener het vlakje, hoe meer bijensoorten te vinden zijn in dit gebied. Op basis van waarnemingen door het kenniscentrum voor insecten en andere ongewervelden EIS, is een model gemaakt van de bijendiversiteit in heel Nederland.

 

Klik hier om verder te lezen                                     

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 

 

 

Mensen & bedrijven             

Steeds meer bedrijven vergroenen

DNV GL onderzoekVoor bedrijven is milieumanagement uitgegroeid van een groene optie tot een strategische waarde. Vaak reageren bedrijven op consumenten die een voorkeur voor duurzame producten hebben. Dit blijkt uit onderzoek van DNV GL en onderzoeksbureau GfK Eurisko.

Het onderzoek

Het onderzoek bestaat uit een internationale enquête onder ruim 1.700 professionals. De onderzoeksresultaten van 2017 zijn vergeleken met de resultaten van een soortgelijk onderzoek in 2014. Zo kunnen eventuele trendbreuken opgespoord worden.

Uit het onderzoek blijkt het belang van de stem van de klant. Verzoeken van klanten vormen 50 procent van de drijfveren. Deze drijfveer stijgt met 15 procent ten opzichte van 2014. Hiermee wint deze het meeste aan belang. Het is de op één na belangrijkste drijfveer. De belangrijkste is naleving van wet- en regelgeving. Dit is met 77 procent de voornaamste beweegreden. 25 procent van de respondenten noemt de druk van andere stakeholders. Dit is een stijging van 10 procent ten opzichte van het vorige onderzoek.

Bedrijven staan voor dezelfde uitdagingen als drie jaar geleden. De voornaamste risico’s zijn verbonden met afvalmanagement, met name de afvalverwerking (55 procent), de verwerking van gevaarlijke materialen (44 procent) en het lozen van afvalwater (36 procent).

Groeiende investeringen

Van de ondervraagde bedrijven verklaart 74 procent dat milieumanagement van belang is voor hun overkoepelende bedrijfsstrategie. 45 procent zegt dat hun bedrijf de investeringen in milieumanagement in de toekomst gaat vergroten. Dat is een stijging van bijna 10 procent ten opzichte van het vorige onderzoek.

Wereldwijd heeft 96 procent van de bedrijven minimaal één actie ondernomen om de milieurisico’s in 2017 te beoordelen of te beperken. Tot de belangrijkste initiatieven behoren de bewaking van het proces om naleving van de wettelijke eisen te controleren (73 procent), het uitvoeren van regelmatig onderhoud om milieueffecten te beperken (70 procent) en de doorlopende analyse van milieueffecten (65 procent).

Terwijl de aandacht voor de eigen activiteiten toeneemt, beschikt slechts een derde van de bedrijven over een milieumanagementprogramma voor leveranciers. Dat aandeel is lager dan verwacht, aangezien externe stakeholders de focus op leveranciers van cruciaal belang achten.

Milieumanagement

Van de bedrijven noemt 52 procent de vermindering van het aantal milieuongevallen als het belangrijkste voordeel van milieumanagement. Dit percentage wordt gevolgd door verbeterde relaties met overheden (48 procent), kostenbesparingen (40 procent) en concurrentievoordelen (36 procent).

80 procent van de onderzochte bedrijven is overtuigd van de toegevoegde waarde van een milieumanagementsysteem dat is gebaseerd op de internationale ISO 14001-norm en certificering door derden. Bedrijven beschouwen dit met name als een instrument om aan wettelijke eisen te voldoen (77 procent) en de prestaties te verbeteren (72 procent).

Meer informatie: DNV GL Business Assurance

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 

Circulariteit is oneindig beschikbaar maken van bouwmaterialen

Circulariteit in de bouw is in Nederland nog lang niet waar het zou moeten zijn. Dat stellen Thomas Rau en Patrick Schreven in hun visie op dit onderwerp.

Stalen buizen bij elkaar gebonden


Thomas Rau
Architect, Inspirator en Visionair

Rau: “De behoefte aan circulair bouwen is ontstaan uit onze verkeerde perceptie waarmee de huidige economie is georganiseerd. De aarde is een gesloten systeem en we hebben een limited edition.

Circulariteit gaat over het eindige oneindig beschikbaar maken. Bij circulair bouwen is er geen afval meer.

Afval is slechts bouwmateriaal dat in de anonimiteit is gekomen. Als we dat afval een identiteit geven, een paspoort, dan is het niet langer anoniem en dus geen afval meer.

Zes jaar geleden zijn we begonnen met inventariseren welk materiaal in welk gebouw verwerkt is. Als we alle bouwmaterialen in elk gebouw kunnen inventariseren, hoeft niemand meer bouwmateriaal te kopen.

Want dan is er bekend wat er wanneer vrijkomt en dus hergebruikt kan worden. Om dat te bewerkstellingen hebben we de Madaster foundation opgericht die in september officieel van start gaat.

Daardoor krijgt bouwmateriaal een waarde en is de waarde van een gebouw aan het eind van de levensduur nooit meer nul.

Bouwmaterialen krijgen door het Madaster een maximale en minimale waarde en kunnen oneindig hergebruikt worden.”

Gebruik in plaats van bezit

Rau schetst dat door het gebruik van een materiaalpaspoort het mogelijk wordt dat bouwers enkel nog betalen voor het gebruik ervan. Na de levensduur van het gebouw, gaan deze weer terug naar de leveranciers.

Thomas Rau: “Bouwmateriaal wordt in de toekomst een service”

Rau stelt dat circulariteit in de bouw een verandering is en dat velen daar nog niet aan willen.

“Het gaat over houding; het is een mentale uitdaging. Het Madaster zou door de overheid gefacilieerd moeten worden, maar deze overheid is haar rol kwijtgeraakt.

Circulariteit is niet het doel, maar een middel om ervoor te zorgen dat eindige grondstoffen behouden blijven.”

Voor de toekomst ziet Rau bouwmateriaal een service worden. “Daar is een nieuwe keten voor nodig die waardecreatie en waardebehoud voorstaat.

De producent blijft eigenaar van het materiaal en tegen een vergoeding kunnen bouwers dit ‘lenen’ voor een bepaalde duur.”



Patrick Schreven
Voorzitter EcoBouw Nederland

Hergroeibare bouwmaterialen

Patrick Schreven: “Circulair bouwen is belangrijk omdat het, mits juist gedefinieerd, de oplossing is voor een wereldproblematiek.

Het gaat uit van een biologische en technologische kringloop. Daarmee zijn voorradige grondstoffen onbeperkt te gebruiken.

” Schreven stelt dat in de biologische kringloop natuurlijke bouwmaterialen hergroeibaar zijn en tijdens die groei ook nog eens CO2 opslaan.

“Dat blijft in het materiaal opgesloten tot het gecomposteerd of verbrand wordt.

 

In de technologische kringloop kan bijvoorbeeld staal omgesmolten en hergebruikt worden. Als de bouw het meest put uit de natuurlijke kringloop, is er minder CO2 uitstoot.”

Hip

Schreven zegt: “De wereldbevolking groeit nog steeds en daarom moeten we zuinig omspringen met grondstoffen. Het gebruik van natuurlijke materialen helpt daarbij én bij het oplossen van de klimaatproblemen. Dat gebruik loopt in Nederland echter ver achter bij de door ons omringende landen, door vooroordelen.

Patrick Schreven: “Natuurlijke bouwmaterialen hebben bijzondere eigenschappen”

Deze komen voort uit onze cultuur en onbekendheid. De bijzondere eigenschappen – gezondheid, comfort en energiezuinigheid – van natuurlijke bouwmaterialen worden echter steeds bekender en het stoffige imago is er allang vanaf.

Het is nu juist hip. Om in 2050 de gehele bouw circulair te hebben, is het nodig om duurzaam, ecologisch en biobased te combineren in een circulaire economie.”

Upgrade

Schreven: “Hout is net zo goed, zelfs beter, om huizen van te bouwen. We lijden in Nederland nog aan het drie biggetjes syndroom; ‘stro en hout deugen niet, alleen een stenen huis biedt voldoende bescherming’.

Een houten huis is echter geen downgrade, maar juist een upgrade gezien de bijzondere eigenschappen.” Om meer biologisch bouwmateriaal te gaan gebruiken, is het volgens Schreven nodig een duidelijker uitleg te geven over de begrippen ecologisch, biobased en circulair.

“We zien de trend al dat particulieren bewuster leven en anders nadenken over voedsel en kleding, nu zijn woningen en bedrijfsgebouwen aan de beurt. Daarnaast zou een CO2 tax een prima oplossing zijn.”

 . . . . . .

 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

‘Enorme investeringen nodig in klimaattechnologie om ‘Parijs’ te halen’

Hoewel de uitstoot van CO2 uit energieopwekking wereldwijd al drie jaar niet stijgt, doen we nog veel te weinig om de klimaatdoelstellingen van Parijs te halen, stelt het IEA.

Deelnemers aan de Peoples Climate March. Ze roepen het aankomende kabinet op voor ambitieus klimaatbeleid te kiezen. Foto Koen van Weel/ANP 

Klimaatbeleid en technologische ontwikkelingen zouden op dit moment een gunstig effect kunnen hebben op de CO2-uitstoot, schrijft het Internationaal Energie Agentschap voorzichtig in zijn jaarlijkse energierapport dat dinsdag verschijnt.

Al drie jaar blijft het niveau van CO2 die wordt uitgestoten bij het opwekken van energie, nagenoeg hetzelfde, wereldwijd zo’n 32 gigaton per jaar.

Maar dat is bij lange na niet genoeg om in de buurt te komen van de doelstellingen van het klimaatakkoord van Parijs.

De energievraag zal de komende jaren nog sterk groeien: 1,2 miljard mensen hebben op dit moment nog geen toegang tot elektriciteit. Ook zij willen in de toekomst hun huizen verwarmen, het licht aan kunnen doen, de airco laten draaien en hun computer aanzetten. Zonder extra maatregelen zal de vraag naar energie tot 2060 met 50 procent toenemen.

Om in de buurt te komen van de doelstellingen van Parijs zou de opwekking van energie in 2060 CO2-neutraal moeten zijn. Het Internationale Energie Agentschap – dat ooit is opgericht als westerse tegenhanger van het OPEC-kartel en dus zelf een sterk fossiel verleden heeft – zet een aantal scenario’s op een rij.

In het eerste worden alle beloftes doorgerekend die tot nog toe gedaan zijn door de 195 landen (inclusief de VS) die het klimaatakkoord hebben ondertekend. Het resultaat is schokkend. In plaats van CO2-neutraal, groeit de uitstoot in dat geval naar 40 gigaton.

Het tweede scenario laat zien wat er zou moeten gebeuren om de opwarming van de aarde deze eeuw te beperken tot maximaal 2 graden. En het derde tekent de situatie van de eigenlijke uitkomst van Parijs: ruim onder de 2 graden en 0 procent CO2-uitstoot.

Het verschil is duizelingwekkend en volgens het IEA alleen maar te overbruggen door enorm te investeren in technologische innovatie. „Koolstof-neutraliteit in 2060 vergt technologiebeleid en investeringen die hun weerga niet kennen”, schrijft de Parijse denktank.

In het vuistdikke rapport onderscheidt het IEA een aantal terreinen waarop dringend vooruitgang is vereist. Bovenaan staan energiebesparing en wat in het jargon „de gebouwde omgeving” heet: kantoren, woonwijken, fabrieken. Daarnaast het transport dat nu nog hoofdzakelijk op fossiele brandstoffen draait. De verdere ontwikkeling van biobrandstoffen heeft hoge prioriteit. Net zo als schonere kolencentrales, want de IEA voorziet dat er zonder steenkool voorlopig niet aan de energievraag kan worden voldaan, zonder de leveringszekerheid in gevaar te brengen. Maar wel met CCS, het afvangen en opslaan van CO2 bij energiecentrales.

Op deze gebieden gebeurt veel te weinig, zegt het rapport dat overigens wel lof heeft voor de ontwikkeling van energie uit zon en wind, opslag van energie en de ontwikkeling van elektrische auto’s. Het gaat de goede kant op, zegt het IEA, maar ook hier gaat het te langzaam om binnen het tweegraden-scenario te blijven.

Een week nadat de Amerikaanse president Trump het klimaatverdrag heeft opgezegd klinkt dat misschien misplaatst, maar het IEA roept op tot meer coördinatie tussen landen en verschillende soorten technologie. De rol van, duurzaam opgewekte, elektriciteit zal sterk toenemen. Bijna driekwart van de elektriciteit die in 2060 wereldwijd gebruikt wordt, zal duurzaam moeten worden opgewekt, kernenergie moet 15 procent leveren en de rest (10 procent) zal nog worden opgewekt met fossiele brandstoffen die worden afgevangen en opgeslagen.

Alleen al dat laatste is een gigantisch probleem, weten we in Nederland. Al jaren wordt er in de Rotterdamse haven gewerkt aan een project om afgevangen CO2 op te slaan in lege gasvelden voor de kust. Financieel is dat tot nog toe niet haalbaar gebleken, ondanks de nadrukkelijk uitgesproken ambitie van het Rotterdamse Havenbedrijf.

Het is een kwestie van keuzes maken, zegt het IEA. „Iedere regering moet nu zijn plan trekken en aangeven hoe zij dat denkt te verwezenlijken.” En er moet geld komen, heel veel geld om innovatie te stimuleren. Nu gaat er ongeveer 26 miljard dollar per jaar naar onderzoek en ontwikkeling. Dat zou minstens 40 miljard moeten zijn. Ter vergelijking: dat is niet meer dan de grote drie IT-bedrijven nu al jaarlijks in hun onderzoek en ontwikkeling steken, stelt het IEA vast.

. . . . . . .

 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

Eindhoven geeft vorm aan marktplaats voor circulaire bouw

Bij de sloop van de Stadhuistoren in Eindhoven heeft de gemeente een marktplaats ontwikkeld, waarin de vrijgekomen materialen worden verkocht. Naast het verduurzamen van gebouwen wil Eindhoven de circulaire bouwsector opschalen.

19-05-2017 12:25 | Door: Fitria Jelyta

Dat schrijft het Algemeen Dagblad. Het stadsbestuur heeft de opdracht voor duurzame renovatie van zeven gemeentelijke gebouwen gegund aan het bouwconsortium Impuls BV. Dit consortium bestaat uit Brink Groep, Door architecten / Rudy Uytenhaak architectenbureau, DWA, Kuijpers en Ballast Nedam-onderneming Laudy Bouw & Ontwikkeling.

Marktplaats voor circulaire bouw

Bij de renovatie van de zeven gemeentelijke gebouwen zet het consortium een marktplaats in om materialen en bouwonderdelen te verkopen, die vrijkomen uit de sloop. De bouwbedrijven zijn inmiddels gestart met de verkoop van bouwonderdelen die zijn vrijgekomen bij de gedeeltelijke sloop van de Stadhuistoren.

Na de sloop van de andere gebouwen in het renovatieproject, worden de herbruikbare bouwmaterialen ook verkocht via de online marktplaats. Zo verkoopt het consortium deuren, deurklinken, vloertegels, stenen van binnenmuren, tl-bakken en verdeelkasten voor stroomvoorziening, schrijft het Eindhovens Dagblad (ED).

Plafondplaten van het oude gebouw kunnen bijvoorbeeld worden verwerkt tot gevelisolatie of gebruikt worden in de verwerking van binnenmuren. “Maar het is net als bij een verbouwing thuis: sommige dingen zet je op Marktplaats, andere breng je naar de kringloopwinkel of naar de milieustraat waar alles gescheiden wordt. Zo werken wij eigenlijk ook”, zegt Alex Hesling, directeur van Impuls BV, tegen het ED.

Duurzame gebouwen in Eindhoven

Bouwconsortium Impuls is in het duurzame renovatieproject van de gemeente verantwoordelijk voor de renovatie, onderhoud en het verduurzamen van de zeven gemeentelijke gebouwen. Hiervoor ondertekende de bouwpartijen een contract met een looptijd van tien jaar en een optionele verlenging voor vijf jaar.

Doel van het project is de energieneutraliteit van de gebouwen met 50 procent te verbeteren en 95 procent van het sloopmateriaal te hergebruiken. Dit leidt tot een vermindering van de CO2-uitstoot. Daarnaast houdt het consortium rekening met meer groenvoorziening in en rondom de gebouwen en is er aandacht voor bereikbaarheid om duurzaam woon-werkverkeer te stimuleren.

Door de circulaire aanbesteding van de duurzame renovatie zegt de gemeente Eindhoven veel geld te hebben bespaard. Ook verwacht de gemeente te besparen op energiekosten door de toepassing van energiezuinige installaties.

. . . . . . .

 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 Hogere CO2-uitstoot

in het eerste kwartaal 2017

De CO2-uitstoot in Nederland was in het eerste kwartaal 1,9 procent hoger dan in hetzelfde kwartaal een jaar eerder. Volgens de eerste berekening groeide in dezelfde periode het bruto binnenlands product (bbp) met 3,4 procent. Belangrijke oorzaken van de toename van de CO2-uitstoot zijn de hogere productie van elektriciteitsbedrijven en meer vervoersbewegingen van de transportsector. Dit meldt het CBS op basis van de nieuwste kwartaalcijfers over de CO2-uitstoot.

Klik hier om verder te lezen

 . . . . . . . . . . .

 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

Lokaal geteelde producten worden belangrijk voor supermarkten

Wat begon als een kleine marketinginspanning om te profiteren van de toenemende interesse voor lokale producten en Community Supported Agriculture (CSA, Gemeenschap Ondersteunende Landbouw), is nu uitgegroeid tot een belangrijke groeimarkt. Consumenten wensen verse voeding, opkomende merken, unieke smaken en eerlijkheid. Dat wekte de interesse van kleine winkels tot aan grote winkelketens zoals Wal-Mart. Ze investeren in producten die geteeld, gebakken, geslacht en vervaardigd zijn in dezelfde gemeenschappen waar hun winkels zijn.

De U.S. Department of Agriculture voorspelt dat de verkoop van lokaal geteelde voeding in 2019 $20 miljard (€18,4 miljard) zal bereiken, terwijl dit in 2014 nog $12 miljard (€11 miljard) was. Managementadviesbureau AT Kearney ontdekte dat 78% van de consumenten meer voor lokale producten willen betalen.

De processen, die de producten van de volle grond, bakkerijen en kleine faciliteiten naar de winkel verplaatsen, kunnen echter nauwelijks bijgehouden worden. Iedereen, van leveranciers tot distributeurs en retailers, willen een systeem opzetten dat kleine hoeveelheden producten van veel verschillende producenten verwerkt.

Investeren in lokaal gebied

North Carolina heeft een sterk en groeiend netwerk van kleine telers. Daarnaast is het een centrum van retailgroei met bedrijven als Wegman’s, Publix en Lidl die zich er gaan vestigen, samen met reeds gevestigde bedrijven zoals Ingles en Food Lion.

Fred Broadwell is directeur van Local Organic Y’All, een organisatie die lokale en duurzame landbouw steunt. Volgens Broadwell verloopt het samenwerken tussen telers en winkeliers nog niet soepel. Kleine boerderijen hebben hun productiecapaciteit verhoogd om te voldoen aan de vraag van boerenmarkten en CSA’s, maar ze moeten meer investeren om de vraag van de supermarkten te beantwoorden. Afgelopen jaar beoordeelde Local Organic Y’All 16 supermarkten uit North Caroline op hun lokale aanbiedingen. Ze kregen scores toebedeeld, waarbij gekeken werd naar verscheidenheid, investeringen in het lokale voedingssysteem en plannen voor de toekomst. Met uitzondering van Whole Foods en Lowe’s Foods, scoorden alle retailers minder dan 50 punten uit 100 punten.

Een deel van het probleem is dat ‘lokaal’ nog geen wettelijk bepaalde term is. Voor sommige retailers, zoals Wegmans, betekent het 100 mijlen (160,9 km) binnen het bereik van de winkel. Anderen zien het begrip als binnen een en dezelfde staat of een algemeen gedefinieerd gebied. Bij niet-gedefinieerde bevoorradingsstandaarden wordt er vaak voor grote bedrijven bedrijven gekozen, terwijl dit in strijd is met de definitie die consumenten van het begrip ‘lokaal’ hebben.  Een recente peiling door AT Kearney toont aan dat 96% van de consumenten het begrip ‘lokaal’ bepalen als alles wat afkomstig is binnen 100 mijlen van de winkel.

Fred Broadwell, Hoofd van Local Organic Y’All in North Carolina, zei dat lokale telers graag met supermarkten willen samenwerken. Ze hebben echter ook retailers nodig die met hen samen willen werken. Om de aanvoer en werkzaamheden te versnellen is tijd en investering nodig, terwijl de normen in voedingsveiligheid en andere sectoren vaak omslachtig zijn. De meeste lokale telers, die retailmarkten willen bevoorraden, zullen door de USDA’s Good Agricultural Practices (GAP) programma gecertificeerd worden. Sommige retailers hebben duurdere, internationale certificatie nodig. Broadwell: “Sommigen zijn bezorgd dat het voor kleine en middelgrote bedrijven onmogelijk wordt om in het systeem te komen”.

Grote bedrijven kiezen voor lokaal
Veel grote retailers verhogen hun aanvoer. Southeastern Grocers, waarbij ongeveer 30% van de productie van lokale telers komt, kondigde een nieuw beleid aan. Dit beleid houdt in dat ze de prioriteit geven aan groenten en fruit die in het zuidoosten van de Verenigde Staten worden geteeld. Meijer geeft elk jaar meer dan $100 miljoen (€91 miljoen) uit aan lokale producten.

Wal-Mart, de grootste supermarkt van de VS, beloofde in 2010 de verkoop van lokaal geteelde producten te verdubbelen. In 2015 behaalde het bedrijf dat doel met een omzetgroei van $825 miljoen (€751 miljoen), meer dan 10% van de totale productomzet. Het bedrijf wil de verkoop tegen 2025 weer verdubbelen naar $1,65 miljard (€1,5 miljard). De reacties op deze groei waren gemengd. Sommigen vinden dat er door het initiatief meer aandacht komt voor het lokaal telen. Anderen merken op dat Wal-Mart de prijzen laag wil houden en dat ze het hele jaar door willen leveren. Dit is meer een last dan een voordeel voor de telers.

Sam’s Club, de clubretailer van Wal-Mart, voert de aanvoer van lokale producten op. De keten begon onlangs lokale managers in dienst te nemen. Zij moesten meer lokale en biologische producten inkopen. De managers moeten ook nieuwe, veelbelovende producten uitzoeken voor de Road Shows, waarbij de managers alle winkels bezoeken om presentaties te geven. Todd Matherly, Senior Vice President van droge voeding en drankjes bij Sam’s Club: “Het is niet ongewoon dat onze clubmanagers lokale ondernemers ontmoeten, die een geweldig product hebben. De informatie delen we met het Road Show team om hun producten eventueel te testen in onze winkel.”

Retailers hebben geen geld of personeel om zulke producten uit te zoeken. Daarom zijn ze op zoek naar een derde bedrijf die producten voor hen keurt en verspreidt. Zulke bedrijven verzamelen producten van verscheidene lokale leveranciers en bereiden hen voor op de levering van grote hoeveelheden.

Good Natured Family Farms in Bronson, Kansas, levert eieren, vlees en andere producten van kleine telers, die binnen 100 mijl van Kansas City gevestigd zijn, naar de lokale Hen House Market en winkels van Price Chopper. Cherry Capital Foods, een lokaal knooppunt dat voeding uit Michigan verzamelt en verspreidt, neemt leveranciers aan en biedt productlijsten aan. Stephanie Pierce, Sales Manager bij Cherry Capital Foods: “Retailers hebben geen individuele relatie met alle leveranciers en telers. Het is inefficiënt voor een teler met een beperkte marge om al die relaties te onderhouden.” Cherry Capital levert aan supermarkten in de staat, waaronder Fresh Thyme, Earth Fare en Lucky’s Markets.

Doordat de interesse in lokale levering groeit, gaat technologie een belangrijke rol spelen om beter samen te werken. FoodHub biedt kopers bijvoorbeeld een database van telers, fabrikanten, brouwers en andere leveranciers aan. Forager is een programma dat een platform aanbiedt voor kopers, waar ze de producten kunnen zien, bestellingen kunnen plaatsen en de levering kunnen bepalen.
Veel jonge telers zijn op digitaal gebied bedreven en geven de voorkeur aan een softwareprogramma om hun inventaris te beheren. Forager heeft onlangs een programma voltooid, dat lokale leveranciers met telers en retailers verbindt.

Leveranciers proberen hun merk, productkwaliteit en werkzaamheden te verbeteren. Portland’s KitchenCure helpt leden een website op te zetten voor hun product. Daarnaast biedt het bedrijf verkoopondersteuning aan door connecties met lokale retailers.

Union Kitchen in Washington, D.C., werkt in alle drie de gebieden van de retailsector: productie, distributie en winkelomzet. Het bedrijf runt een gezamenlijke keuken en een bedrijfsontwikkelingsprogramma. Hier kunnen startende bedrijven alles maken, van koekjes tot koffie, waarbij ze werken voor een retailcontract. Union Kitchen verspreidt ook producten aan meer dan 200 retailers in het D.C. gebied. De producten zijn in hun eigen keuken ontwikkeld. Cullen Gilchrist, medeoprichter en CEO van Union Kitchen: “We helpen hen bij de start van hun bedrijf. Wij zijn in staat om betere deals te sluiten dan zijzelf hadden gekund.”

Twee jaar geleden besloot Union Kitchen om nog een stap verder te nemen. Het bedrijf opende een supermarkt waar veel zelfontwikkelde producten aangeboden worden. Eerder dit jaar openden ze een nieuwe locatie. Om zo veel mogelijk klanten aan te trekken, biedt de winkel conventionele producten, natuurlijke producten en biologische merken aan. Gilchrist: “We zien de omzet stijgen. Vaak kiezen klanten voor onze lokale producten.”

 

Publicatiedatum: 5-5-2017

 

 . . . . . . . . . . .

 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . . . . . . . . . . . . . . . 

© Han Hoogerbrugge 

Drie euro voor een kilo appelen… maar niet heus

Een zak appels is veel duurder dan wat we er in de winkel voor betalen. De verborgen kosten voor milieu en samenleving worden namelijk niet meegerekend. Dat zou wel moeten, vinden steeds meer mensen.

Op het prijskaartje van een kilo appelen staat euro 2,99. Niet zo gek, want om die appelen te kweken gebruikt de boer mest, bestrijdingsmiddelen en maakt hij uren. Maar zijn daarmee alle kosten gedekt?

Als je de ware kosten van bio en gangbaar vergelijkt, zie je dat bio niet te duur is, maar gangbaar te goedkoop

Alexis van Erp, Eosta

Nee, zeggen voorstanders van ‘true cost accounting’: veel verborgen, ecologische en maatschappelijke kosten worden niet in de winkelprijs verrekend. Zo leidt het gebruik van kunstmest tot uitstoot van broeikasgassen. De kosten voor het bestrijden van de daaruit voortkomende klimaatverandering betaalt de consument niet.

De Nederlandse biologische fruit- en groentehandel Eosta zet sinds kort de echte kosten van zijn producten op een prijskaartje. Naar eigen zeggen is het een wereldprimeur: wie een kilo appelen koopt, krijgt daarbij een kaartje (of een verwijzing naar een website) met daarop de kosten voor klimaat, water en bodem. De verborgen kostenposten voor biologische producten worden vergeleken met die van reguliere. Zo zijn de klimaatkosten voor een hectare reguliere appels euro 3.084 euro en die van biologische euro 2.492, een verschil van euro 592.

‘We drukken de verborgen impact van productie op mensen en planeet in geld uit omdat ze anders voor ‘de economie’ onzichtbaar blijven’, zegt Alexis van Erp van Eosta. ‘En als je de ware kosten van bio en gangbaar vergelijkt, zie je dat bio niet te duur is, maar gangbaar te goedkoop.’

Hoe zijn de bedragen berekend? Van Erp: ‘We baseren ons op gegevens van de Wereldvoedselorganisatie (FAO), die voor verschillende milieueffecten, zoals waterverbruik of bodemerosie, de ware kosten heeft berekend. We berekenen deze effecten voor onze producten en zetten ze met de FAO-data om in geldbedragen.’

De berekeningen zijn tot op de euro afgerond. Hoe weet Eosta zo precies dat de klimaatkosten euro 2.492 zijn, en niet drie euro meer of minder? Van Erp: ‘Dit is het bedrag dat uit de modellering komt, maar er zit wel een onzekerheid in.’ En waarom drukt Eosta de cijfers uit in hectares? Een klant koopt immers een kilo appelen, geen hectare appelen. ‘We kunnen nog niet alle kosten modelleren. Als je de prijzen per kilo gaat vergelijken, is het effect van vraag en aanbod groter dan het effect van de kosten.’

Biologische boeren gebruiken minder bestrijdingsmiddelen; dat leidt tot een betere volksgezondheid en dat heeft een gunstig economisch effect

Alexis van Erp, Eosta

Binnenkort publiceert Eosta ook de kosten voor gezondheid en sociale samenhang. Accountantsfirma EY legt momenteel de laatste hand aan een onderliggend rapport. Van Erp: ‘Biologische boeren gebruiken minder bestrijdingsmiddelen; dat leidt tot een betere volksgezondheid en dat heeft een gunstig economisch effect.’ Met de kosten van sociale samenhang wordt het maatschappelijke prijskaartje bedoeld. ‘Dat kan vooral in arme landen hoog zijn. Zijn de werkomstandigheden bijvoorbeeld ongezond en onveilig, dan heeft dat negatieve maatschappelijke gevolgen die je in geld kunt uitdrukken.’

In Nederland zijn de producten van Eosta (dat voornamelijk actief is in Duitsland, Scandinavië en Frankrijk) te koop bij supermarktketens Ekoplaza en Hoogvliet, in Duitsland ook bij Aldi en Lidl. Saillant detail: deze laatste willen niet dat in hun winkels de ware prijs van biologische en reguliere producten met elkaar vergeleken worden. Van Erp: ‘Sommige ketens vrezen dat hun veel omvangrijkere, reguliere aanbod er te negatief bij afsteekt.’


Hoe betrouwbaar zijn de berekeningen?

Willy Baltussen is eveneens verbonden aan Wageningen Economic Research en betrokken bij onderzoek naar maatschappelijke effecten van voedsel in samenwerking met True Price, een bedrijf gespecialiseerd in true cost accounting. Baltussen: ‘Ik vind het heel goed om consumenten te informeren over hun milieu-impact. Maar voor deze berekeningen steek ik mijn hand niet in het vuur. Door te zeggen dat de klimaatkosten ‘2.492 euro’ zijn, creëer je schijnzekerheid. Zo precies kun je de kosten nooit berekenen, daarvoor moet je te veel theoretische aannames en subjectieve waardebepalingen doen.’

Beter is het om de verborgen kosten uit te drukken als ‘tussen de 1.750 en 2.750 euro’. Baltussen: ‘Dat schept minder valse verwachtingen. In ons onderzoek hebben we gekozen om geen euro’s maar relatieve scores te gebruiken. Daarmee suggereer je niet dat je het bedrag precies weet.’

Baltussen ziet een ander nadeel aan de ‘ware prijskaartjes’ van Eosta. ‘Goed, een consument leert dat een kilo biologische appelen pak ‘m beet een euro aan verborgen klimaatkosten heeft. En dan? Moet je dan niet een euro in een klimaatfonds stoppen? Nu denkt de consument: ‘Gelukkig heb ik biologische appels gekocht, die belasten het milieu minder,’ en doet verder niets. Dan koop je naast appels ook een aflaat.’


‘Het effect op consumenten is beperkt’

Zullen de prijskaartjes met verborgen kosten tot bewustere keuzes bij consumenten leiden? Hans Dagevos, consumptiesocioloog en verbonden aan Wageningen Economic Research, verwacht er geen grote gedragseffecten van. ‘Het is een prijzenswaardig idee. Donkergroene consumenten die al bewust met het milieu omgaan, zullen zich gesterkt voelen. Maar op de rest zal het weinig invloed hebben. Uit wetenschappelijk onderzoek naar gezondheidslabels bleek dat deze geen meetbaar effect hebben op het koopgedrag. Ik verwacht niet dat dat voor het milieu anders zal zijn.

‘Maar ik vind het goed dat dit bedrijf zijn ecologische waarden duidelijk communiceert: naast de aankoopprijs zijn ook de gevolgen voor het milieu belangrijk. Door deze zo concreet in geld uit te drukken, maakt het bedrijf zich kwetsbaar voor kritiek dat het bedrag niet klopt. Je kunt ook minder concreet maar toch heel duidelijk zijn: de klimaatimpact van biologische appels is, zeg, de helft van die van reguliere. ‘Groene’ banken als Triodos of ASN zijn ook heel duidelijk over hun waarden, zonder geldbedragen te noemen.’

 . . . . . . . . . . .

 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 

publicatie,

TAGS: Sectoren : Bouw Real Estate

Circulair bouwen heeft de toekomst

door: Petran van Heel       

Sector Banker Bouw

Van 11 tot en met 13 april staat de Amsterdamse RAI weer in het teken van Building Holland, hét driedaagse innovatie-event voor de bouw- en vastgoedsector. ABN AMRO is hoofdsponsor van de ABN AMRO Duurzame50, die award wordt uitgereikt op het Green Tie Gala op 12 april. Dit jaar hebben we de Young Professional Award toegevoegd, om ook de young professionals (tot 30 jaar) te stimuleren op het gebied van het verduurzamen van de gebouwde omgeving. Op Building Holland presenteert ABN AMRO zich op met een stand rondom het thema circulair bouwen. Hoe werkt circulair bouwen precies? En wat kunnen onze klanten er mee?

In het ontwerp van de ABN AMRO stand op Building Holland staat het Circulaire Paviljoen centraal. “Het Paviljoen laat zien wat je in de praktijk kunt met circulair bouwen,” vertelt Petran van Heel, Sector Banker Bouw. “Het geeft je als Relatiemanager inspiratie om het onderwerp circulair bouwen met je klant bespreekbaar te maken. Wie het Paviljoen nog niet heeft bezocht, moet dat binnenkort zeker doen.”

Legolisering

“Circulair bouwen staat haaks op het traditionele lineair bouwen,” legt Rudolf Scholtens uit. Hij is als Projectleider Circulaire Bouw nauw betrokken bij de ontwikkeling en bouw van het Paviljoen. “Bij lineair bouwen onttrek je grondstoffen aan de aarde, je verwerkt ze in een gebouw en als het wordt afgebroken hou je afval over. Dan maak je dus een weggooi-gebouw. Bij circulair bouwen gaat het anders. Grondstoffen en onderdelen worden opgenomen in een cyclus. Als het gebouw wordt afgebroken, krijgen de materialen een nieuwe bestemming op een andere plek. Een gebouw wordt daardoor een verzameling van materialen met een oneindig leven. Dat laatste is natuurlijk een ultiem vergezicht.”

Rudolf: “Bij circulair bouwen krijgen de materialen een nieuwe bestemming op een andere plek. Een gebouw wordt daardoor een verzameling van materialen met een oneindig leven.”

 

“Legolisering is een term die wordt gebruikt om het duidelijk te maken,” vult Petran aan. “Een gebouw wordt een geheel van bouwsteentjes die je later opnieuw kunt gebruiken, bijvoorbeeld in een ander gebouw.”

 

Aanbodgestuurd ontwerpen

De circulaire gedachte heeft grote gevolgen voor het bouwproces. Leveranciers moeten in een vroeg stadium kunnen meepraten over het (her)gebruik van materialen, vanuit hun expertise. In het Paviljoen is bijvoorbeeld gekozen voor een houtconstructie waarvan de onderdelen bewust groter zijn gemaakt dan de standaardmaat. Daardoor kan het hout, als het Paviljoen uit elkaar wordt geschroefd, na een schaafbeurt weer als nieuw worden gebruikt in een volgend gebouw.

Rudolf: “Bij circulair bouwen verkennen architect en aannemer samen de markt en gaan op zoek naar materialen. De materialen zijn leidend voor het ontwerp, niet andersom. De scheidingswanden van de vergaderzalen in het Paviljoen bestaan bijvoorbeeld uit gebruikte kozijnen. De architect heeft bestaand, tweedehands materiaal gebruikt als basis voor zijn concept: aanbodgestuurd ontwerpen noemen we dat.”

Urban mining

Voor het winnen van tweedehands materialen en grondstoffen uit oude gebouwen is inmiddels de term urban mining in gebruik. Petran: “Slopen kost geld, dus waarom zou je het materiaal uit de sloop niet zoveel mogelijk tweedehands aanbieden. De kunst is daarbij om vraag en aanbod goed op elkaar af te stemmen, zodat je de ‘oogst’ direct ergens kwijt kunt. Op die manier heb je ook geen opslagkosten.”

“Wat ik gaaf vind is dat circulariteit zorgt voor een heel nieuwe look and feel van gebouwen,” gaat Petran verder. “De architectuur krijgt nieuwe vormen, een andere afwerking. Geen extra materialen tegen de wand, geen gipsplaat, geen vloerbedekking. Al die lagen maken het moeilijker om het materiaal straks opnieuw te gebruiken. In feite ontstaat daardoor een heel nieuwe esthetiek. In het Paviljoen zie je nu al dat het werkt.”

Nieuwe businessmodellen

Circulair bouwen leidt ook tot nieuwe businessmodellen. Zo ontstaan er kansen voor product-dienstsystemen waarbij materialen of onderdelen eigendom blijven van de leverancier en de eigenaar van het gebouw een ‘dienst’ afneemt. In het Paviljoen blijft de lift bijvoorbeeld eigendom van leverancier Mitsubishi, die zorgt voor het onderhoud en eventuele reparaties en die betaald wordt voor de ‘exploitatie’ van de lift.

Petran: “Voor ons als bank is het best complex om circulaire businessmodellen te financieren. Je hebt te maken met ‘product as a service’, met een inschatting van de waarde aan het einde van het gebruik en mogelijk zelfs een discussie over eigendom. Het risico is voor een bank vaak te groot of het model is te onduidelijk. Voorlopig volgen we nauwlettend wat er in de markt gebeurt, experimenteren we waar mogelijk zelf en draaien we een aantal pilotprojecten. Persoonlijk vind ik dat nog niet ambitieus genoeg voor ABN AMRO.”

Vanuit opdrachtgevers neemt de vraag naar circulariteit inmiddels sterk toe. De overheid heeft als doelstelling om in 2030 voor vijftig procent gebruik te maken van circulaire grondstoffen en materialen. In 2050 is het doel om honderd procent circulair te bouwen.

Awareness

Petran: “Op dit moment willen we met onze klanten in de Bouw vooral in gesprek om het onderwerp circulariteit aan te kaarten. Wat weten ze ervan? Welke mogelijkheden zijn er om circulaire elementen op te nemen in hun businessmodel? Dat is nu nog nauwelijks het geval. , maar je moet er alvast over na te denken, het gaat consequenties voor je verdienmodel hebben. Ook dat van ons. ”

“Als je kijkt de naar de bewustwording over duurzaamheid bij klanten, duurzaamheid in de traditionele zin, dus vooral gericht op energieverbruik, dan is er de afgelopen jaren grote vooruitgang geboekt. Wie nu nog geen duurzaam businessmodel heeft, doet eigenlijk niet meer mee. Circulariteit is de volgende stap. Onze rol als bank is om de awareness daarover te stimuleren en de financiering mogelijk te maken.”

 . . . . . . . . . . .

 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 


(foto: CDA)

Agnes Mulder (CDA): ‘CDA wél voor behoud van salderingsregeling’

In de maart 2017-editie van Solar Magazine plaatste de stichting Zonne-energie Ondernemers Nederland (Z.O.N.) een ingezonden artikel met een stemadvies.

In dit artikel is ten onrechte gesuggereerd dat het CDA het behoud van de salderingsregeling niet ondersteunt. Stichting ZON voorzitter Hans Cornuit hierover: ‘Op 15 maart heb ik een negatief stemadvies gegeven voor het CDA. Als reden heb ik het niet ondersteunen van de motie Vos/van Tongeren gebruikt. Dat blijkt feitelijk onjuist en ik betreur dat. Stichting ZON is haar activiteiten gestart vanuit het gevoel dat er door de politiek niet mét maar vooral óver de zonnepanelenbranche werd gesproken. In dit geval echter spraken wij óver en niet mét het CDA. Het geeft maar weer eens aan hoe belangrijk directe communicatie is en hoe snel misverstanden kunnen ontstaan. Inmiddels is het contact tussen ZON en het CDA goed hersteld. De aanleiding had beter gekund, maar we zijn wel blij met het contact.’

Agnes Mulder (CDA) laat ondertussen weten dat haar partij zich tijdens de kabinetsformatie hard gaat maken voor het behoud van de salderingsregeling. ‘Ik zie grote kansen voor zonne-energie in Nederland want dat is de manier om onze inwoners van onderop te betrekken bij de energietransformatie.’

 . . . . . . . . . . .

 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

Installatiebranche neemt regie in energietransitie

16-03-2017 Installateurs zijn als energieregisseur steeds vaker bepalend bij het verduurzamen van woningen en utiliteitsgebouwen. De gebouwde omgeving is nu nog verantwoordelijk voor circa 40 procent van de CO2-uitstoot, maar als het aan UNETO-VNI en haar leden ligt, gaat dat percentage terug naar 0. Dat kan onder meer door op grote schaal duurzame energie op te wekken en energiemanagementsystemen toe te passen.

Tijdens de SER-conferentie Energieakkoord in versnelling presenteerde UNETO-VNI-directeur Erik van Engelen op 7 maart de plannen van de installatiebranche om de CO2-uitstoot in de gebouwde omgeving terug te dringen. Installateurs en technisch dienstverleners die als energieregisseur optreden, staan in die plannen centraal. Zij adviseren klanten over de mogelijkheden om energie te besparen, brengen energiemanagementsystemen aan én zorgen ervoor dat de installaties ook op de langere termijn optimaal blijven presteren. Dankzij die aanpak én met de toepassing van ict en geavanceerde technieken verwacht UNETO-VNI dat een CO2-neutrale gebouwde omgeving in 2030 al mogelijk is.

Woningen duurzamer maken

UNETO-VNI wil verduurzaming van het woningbezit met bijvoorbeeld zonnepanelen of warmtepompen eenvoudiger maken. Daarom introduceert de brancheorganisatie samen met Bouwend Nederland en OnderhoudNL nog dit voorjaar het profiel Duurzame Aanbieder. Deze aanbieders adviseren woningbezitters over de mogelijkheden om hun huis energieneutraal te maken met behulp van installatietechnische en bouwkundige maatregelen en voeren de werkzaamheden ook uit. De werkgelegenheid in de installatiebranche gaat de komende jaren fors groeien als gevolg van de omslag naar een duurzame energievoorziening. UNETO-VNI maakt daarom meer werk van het versterken van green skills bij technische vakmensen in de sector.

Energiezuinige utiliteit

In de utiliteitsbouw verwacht UNETO-VNI dat toepassing van intelligente energiemanagement-systemen een enorme efficiencysprong gaat opleveren. Omdat de bekendheid met deze systemen nog beperkt is, ontwikkelt UNETO-VNI samen met onder anderen FME, ICT-Nederland en de overheid een speciaal programma met vier pijlers: voorlichting, aanbodtransparantie, opleidingen en monitoring.

In alle utiliteitsgebouwen is winst te behalen, maar met name in kantoren, bedrijfshallen en in de horeca is het relatief eenvoudig. Het optimaliseren of vervangen van bestaande installaties kan veel gas en elektriciteit besparen. Het gasverbruik kan zo met een derde worden teruggebracht en het elektriciteitsverbruik zelfs met 60 procent.

Overheidsmaatregelen

UNETO-VNI vindt dat de overheid met een aantal gerichte maatregelen de energietransitie zou moeten versnellen. De brancheorganisatie pleit onder andere voor belastingvoordeel bij vergroening, verplichte toepassing van energiemanagementsystemen via de Wet milieubeheer en continuering van de salderingsregeling voor zonnepanelen inclusief energieopslag.

Manifest Energietransitie

De leden van UNETO-VNI laten het niet bij woorden, maar komen in actie. De grote technisch dienstverleners die aangesloten zijn bij UNETO-VNI overhandigden tijdens de SER-conferentie in Den Haag het Manifest Energietransitie aan Ed Nijpels, voorzitter van het Energieakkoord. In het manifest kondigen zij aan een energiebesparingsadvies te zullen geven aan iedere klant en met energiemanagementsystemen extra energie te gaan besparen.

Bron: UNETO-VNI

NEN en energietransitie

Normalisatie is een belangrijk instrument om de energietransitie te realiseren en waar mogelijk te versnellen. Om dit te verdiepen en tot een uitvoeringsplan te komen is er een normalisatieagenda ontwikkeld.

NEN heeft een gratis whitepaper ontwikkeld ‘Samenwerken aan Energietransitie’.

 

 . . . . . . . . . . .

 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 

15/03/2017

Mengteelt vervangt monocultuur voor duurzame landbouw

In een duurzame landbouw maakt monocultuur plaats voor mengteelt. Een uitgekiende combinatie van bijvoorbeeld telkens zes rijen tarwe, afgewisseld met twee rijen maïs, levert onder gunstige omstandigheden hogere opbrengsten, met minder gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen, dan dezelfde gewassen in monocultuur. Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Fang Gou van het Centre for Crop Systems Analysis van Wageningen University & Research.

Eeuwenlang verbouwden boeren hun gewassen kriskras door elkaar. In Noordwest-China, waar arbeid goedkoop is, gebeurt dat nog steeds. In de westerse landbouw echter leidden mechanisatie, kunstmest en bestrijdingsmiddelen tot schaalvergroting en monocultuur. “Inmiddels lopen we tegen onze grenzen aan”, zegt Wijnand Sukkel onderzoeker duurzame landbouw bij de business unit Praktijkonderzoek AGV van Wageningen University & Research. “In een monocultuur verspreiden ziekten en plagen zich razendsnel. Bovendien bederven zware machines de bodemstructuur.” Op zoek naar verduurzaming experimenteert Sukkel in Lelystad met stroken van diverse gewascombinaties, in verschillende dichtheden. Lage arbeidskosten zijn cruciaal. Op den duur zullen zware machines plaatsmaken voor een reeks robotjes, die de gewassen strook voor strook verzorgen en oogsten. Ook wordt onderzocht welke rassen het meest geschikt zijn voor mengteelten.

Natuurlijke vijanden
Sukkel: “In een monocultuur breiden ziekten en plagen zich explosief uit doordat er een overvloed aan waardplanten in het veld staan. Wordt die overvloed onderbroken, dan verspreidt zo’n epidemie zich veel minder snel. Dat blijkt bijvoorbeeld bij roest in tarwe en bij de aardappelziekte phytophthora. Spinnen en torretjes spelen een grote rol bij de beheersing van bladluizen, maar hun actieradius is beperkt. Als je hectares tegelijk oogst en daarna ploegt, ben je alles kwijt. In een mengteelt kunnen nuttige beestjes bij de oogst van het eerste gewas hun toevlucht zoeken in het tweede gewas en vervolgens in stroken met groenbemester, zodat er altijd schuilgelegenheid is. Mengteelten maken gewassen weerbaarder. Voor biologische boeren, die veel minder mogelijkheden hebben om ziekten en plagen te bestrijden, is de noodzaak extra groot. Overigens worden gras en klaver nu al gemengd geteeld en samen geoogst, als veevoer. Als je gewassen apart moet oogsten, is het lastiger.”

Meerwaarde van mengteelt
Mengteelten hebben ook maatschappelijke voordelen voor bijvoorbeeld landschap en biodiversiteit. Ze brengen meer organische stof in de bodem en leggen meer koolstof vast. Wopke van der Werf, onderzoeker-docent en collega van Fang Gou bij het Centre for Crop Systems Analysis, onderzoekt de mechanismen die achter de verschillen tussen monocultuur en mengteelt zitten. Van der Werf: “In een mengteelt van tarwe met maïs vooral de tarweopbrengst flink toe. Als je zomertarwe zaait in maart en maïs in mei, kunnen met name de randrijen van de tarwe zich uitbundig ontwikkelen, zolang de maïsplanten nog klein zijn. Ze maken ook een groter wortelstelsel, waarmee ze meer water en voedingsstoffen uit de grond halen. De maïsplanten staan aanvankelijk in de schaduw van de tarwe, maar zodra die geoogst is maken zij bovengronds én ondergronds een inhaalslag, vooral in een mooi, zonnig najaar. In mengteelten wordt het hele groeiseizoen beter benut. Zo kunnen we de landbouw verduurzamen.”

bron: Wageningen Plant Research, 09/03/17

 . . . . . . . . . . .

 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 

Natuur als blauwdruk voor een duurzame toekomst

gezonde gebouwen

 Auteur: Geanne van Arkel Natuur als blauwdruk voor een duurzame toekomst

Met meer dan 3,8 miljard jaar aan ervaring in research and development heeft de natuur fantastische probleemoplossende vaardigheden ontwikkeld. Ze heeft strategieën ontwikkeld voor vraagstukken, waarvoor wij een oplossing voor zoeken. Dit leren van de natuur wordt sinds de jaren 90 biomimicry genoemd. De bouwwereld staat nu voor de uitdaging deze lessen toe te passen.

Zo hebben planten een eigen methode ontwikkeld voor het opwekken van zonne-energie: fotosynthese. Daarnaast zijn er meerdere voorbeelden van dieren, die met minimaal energieverbruik kunnen reizen: van de hydrodynamische vorm van dolfijnen tot albatrossen die met gebruikmaking van thermiek door de lucht weten te zweven. Bacteriën produceren op een duurzame manier complexe chemicaliën om water te reinigen en zo de kwaliteit van het milieu te verbeteren.

Evolutie van biomimicry

De Amerikaanse biofysicus Otto Schmitt gebruikte voor het eerst de term ‘biomimetics’ in de jaren 50 van de vorige eeuw om apparaten te beschrijven, die modellen en systemen uit de natuur nabootsten. De mensheid keek echter al eeuwen eerder naar de natuur om inspiratie op te doen voor het oplossen van complexe vraagstukken. Zo vond Leonardo da Vinci inspiratie in vogels door de anatomie van hun vleugels en hun bewegingen tijdens de vlucht te bestuderen, toen hij in de 15e eeuw zijn eerste modellen voor vliegmachines ontwierp. Hoewel zijn ontwerpen niet succesvol waren, vormden zij wel de inspiratie voor de gebroeders Wilbur en Orville Wright, de vliegtuigpioniers en uitvinders van het eerste functionerende vliegtuig. Dankzij de Amerikaanse Janine Benyus, grondlegster van de term biomimicry, heeft dit leren van de natuur zich door de jaren heen steeds meer als wetenschappelijke discipline ontwikkeld. Zij zette in 1997 de toon met haar boek ‘Biomimicry: Innovation inspired by nature’. Biomimicry heeft ons niet alleen leren vliegen, maar kan ons ook veel leren over duurzaam bouwen.

Leonardo da Vinci vond zijn inspiratie in vogels door de anatomie van hun vleugels en hun bewegingen tijdens de vlucht te bestuderen, toen hij in de 15e eeuw zijn eerste modellen voor vliegmachines ontwierp.’

Geanne van Arkel, Interface

Airco gebaseerd op systeem in termietenheuvel

Het kantoor- en winkelcentrum Eastgate Centre in Harare (Zimbabwe) heeft een airconditioningssysteem ontworpen dat is gebaseerd op systemen zoals die in termietenheuvels in het zuiden van Afrika aangetroffen zijn. Natuurlijke termietenheuvels zijn gemaakt van modder met een hoge thermische massa en in de basis van de structuur zitten ventilatiegaten die gedurende de dag open en dicht worden gezet door de termieten zelf. Zo zorgen de insecten ervoor dat binnen in de heuvel een constante temperatuur van 30 graden is, ondanks het feit dat de buitentemperatuur enorm schommelt. Door dit principe toe te passen, verbruikt het ventilatiesysteem in het gebouw in Harare negentig procent minder elektriciteit dan conventionele ventilatiesystemen.

Neusgaten van kamelen

Architect Michael Pawlyn is onder de naam Sahara Forest Project een proefproject gestart, waarbij 10.000 m2 woestijngrond in Qatar vruchtbaar wordt gemaakt. Zonlicht wordt geconcentreerd om superhete stoom op te wekken. Door hiermee zeewater te verdampen, gaat de luchtvochtigheid in de gebouwde kassen omhoog en de temperatuur naar beneden. Dit idee ontleende Pawlyn aan de manier waarop neusgaten van kamelen werken. Met deze inspiratie is nu in de woestijn een gunstig groeiklimaat voor planten gecreëerd. Buiten de kassen worden speciale heggen geplant, die kunnen leven op het relatief zoute afvalwater. Een ander deel van het zoute water wordt gebruikt om algen in te kweken, die als meststof of biomassa kunnen worden ingezet. Dit zorgt ervoor dat er niet alleen weer planten en bomen in de woestijn groeien, maar dat ook de biodiversiteit toeneemt.

Volledig zelfvoorzienend dorp

Het Sahara Forest Project is een mooi voorbeeld van een industriële ecologie; verschillende systemen die samen een ecosysteem vormen. In Almere wordt gebouwd aan het ecosysteem voor een volledig zelfvoorzienend dorp, waarin mensen weer met elkaar en de natuur worden verbonden. De bewoners van dit dorp worden in staat gesteld hun energie, water en voedsel uit hun eigen huis en tuin te halen. James Ehrlich van Stanford Universiteit heeft samen met architectenbureau Effekt het concept ontwikkeld van ReGen Villages. Het model draagt niet alleen bij aan een duurzamere wereld, maar zorgt er ook voor dat gezinnen maatschappelijk en fi nancieel worden versterkt. Het gedachtengoed van dit project uit Almere ligt ook ten grondslag aan het project The Valley. Op een nog te ontwikkelen terrein bij Hoofddorp worden organisaties uitgedaagd om samen te werken aan een inclusieve en
circulaire manier van leven.

Duurzaam bouwen gaat tegenwoordig om regenererend bouwen, waarbij maatschappelijke verbondenheid wordt gestimuleerd.’

Geanne van Arkel

Stimulans maatschappelijke verbondenheid

Duurzaam bouwen draait niet alleen meer om efficiënt bouwen en ruimtes creëren waarin mensen zich prettig voelen. Het gaat tegenwoordig ook om regenererend bouwen, waarbij maatschappelijke verbondenheid wordt gestimuleerd. Een mooi voorbeeld van deze verbondenheid in de natuur – mutualistische symbiose genoemd – is die tussen de acacia en de mier. De acacia heeft grote, holle stekels die mieren als behuizing gebruiken, en de boom scheidt ook een zoete stroop uit die de mieren opeten. Daarmee fungeert de acacia tegelijkertijd als een huis en een supermarkt voor de mier. De mieren beschermen op hun beurt hun huis, en daarmee de acacia, door venijnig in de tong van een planteneter te bijten zodra deze probeert de acacia te eten. Laat dit mooie voorbeeld van mutualistische symbiose en de genoemde projecten in Almere, Hoofdorp en het buitenland, die allen gebaseerd zijn op biomimicry, een inspiratie zijn om in 2017 in de bouw niet alleen te streven naar een verlaging van de impact op het milieu, maar ook een regenererende bijdrage te leveren waardoor bewoners maatschappelijk en financieel worden gesterkt. De uitdaging voor de bouw is nu om bouwprojecten, renovatie en nieuwbouw, te laten functioneren als een bos. En met de innovatieve kracht in deze sector gaat dat zeker lukken.

Natuur als blauwdruk voor een duurzame toekomstDeze expertblog van Geanne van Arkel is als marktvisie verschenen in Duurzaam Gebouwd Magazine #36.

Dit vakblad is te lezen via DuurzaamGebouwd.nl/Duurzaam-Gebouwd-Magazine.

 . . . . . . . . . . .

 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . . . . . . . . . . . .

Geen extra kolencentrales dicht, milieubeweging verontwaardigd

Kolencentrale van RWE in Eemshaven ANP

Het kabinet is voorlopig niet van plan extra kolencentrales in Nederland te sluiten. De Tweede Kamer had daar wel om gevraagd, maar het kabinet wil daar nu geen beslissing meer over nemen en laat dat over aan zijn opvolgers.

Van de tien centrales in Nederland zijn of worden er al vijf gesloten, maar een Kamermeerderheid vindt dat niet ver genoeg gaan en wil dat ze allemaal dichtgaan. De regeringspartijen PvdA en VVD staan daarbij tegenover elkaar: de PvdA is het eens met de meerderheid; coalitiepartner VVD is tegen, onder meer omdat sluiting te duur zou zijn.

Reductie uitstoot

Ook het kabinet vindt sluiting van alle centrales niet nodig. Volgens minister Kamp kan Nederland de beoogde reductie van de uitstoot van broeikasgassen met 25 procent in 2020 halen zonder meer centrales stil te leggen.

Het kabinet vindt wel dat sluiting van de meest vervuilende centrale in beeld komt als later dit jaar blijkt dat de milieudoelstellingen niet worden gehaald. Dat is een verwijzing naar de Hemwegcentrale in Amsterdam.

Pappen en nathouden

PvdA-Kamerlid Vos heeft al een wijzigingsvoorstel klaar om de centrales toch te sluiten, twee in 2020 en drie in 2030.

“Pappen en nathouden is in de Nederlandse politiek vaak de strategie die door het kabinet bij dit soort dossiers wordt gevolgd. Het gaat de PvdA niet snel genoeg. En we moeten ver van tevoren aangeven wanneer de centrales dichtgaan.”

GroenLinks-leider Klaver spreekt van een bizar besluit van het kabinet. Volgens hem doet het kabinet alsof we nog in de twintigste eeuw leven. Volgens D66-Kamerlid Van Veldhoven “verprutst dit kabinet op de valreep de mogelijkheid om écht iets te doen aan klimaatverandering”.

‘Gemiste kans’

Natuur & Milieu spreekt van een zwarte dag voor het klimaat. “Onbegrijpelijk en een gemiste kans dat de minister niet in één klap 11 procent van de totale CO2-uitstoot wil besparen”, zegt Geertje van Hooijdonk van de milieuorganisatie.

Ook Greenpeace is verontwaardigd. “Het kabinet maakt van ons land hiermee opnieuw een achterblijver als het gaat om de strijd tegen klimaatverandering.” Volgens Greenpeace is het nu aan de Tweede Kamer om in te grijpen.

 . . . . . . . . . . .

 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . . . . . . . . . . . .

Franc Coenen Franc Coenen      Waar installatieprofessionals elkaar ontmoeten

Nederland wil snel meer duurzaamheid en van het gas af

03.01.2017 | Branchenieuws | 1606 keer bekeken
Nederland wil snel meer duurzaamheid en van het gas af

De overheid wil in de transitie naar duurzame energie een versnelling hoger schakelen. Op korte termijn wijzigen twee subsidieregelingen en wil de regering 2 miljard euro extra uittrekken; op lange termijn wil de regering vanaf 2050 geen gas meer in de Nederlandse woningen. Dat gaat sommige gemeenten niet snel genoeg.  

Als op 7 maart 2017 de voorjaarsronde SDE+ 2017 open gaat, zit er meer geld in de pot. Voor deze ronde bedraagt het maximaal subsidiebedrag 6 miljard euro. Na deze voorjaarsronde besluit het kabinet definitief over de 2e ronde, maar zoals het er nu uitziet, komt ook dan weer 6 miljard beschikbaar. Dat zou betekenen dat er 2 miljard meer wordt gesubsidieerd in 2017. Deze regeling is vooral bedoeld voor grootschalige projecten op het vlak van duurzame energieopwekking.

Particulieren laten geld liggen

Voor de particulieren opent op 2 januari van het nieuwe jaar al de 2017 trance van de ISDE regeling. Hiervoor stelt de regering 70 miljoen euro beschikbaar, net zoveel als dit jaar. In 2017 veranderen er wel enkele zaken in deze regeling, bedoeld om particulieren en zakelijke gebruikers die hun eigen energie opwekken, financieel een steuntje in de rug te geven. Nieuw is dat particulieren tot 6 maanden na de aanschaf van een installatie een subsidie kunnen aanvragen. Hybride warmtepompen en warmtepomp boilers zijn niet langer een aparte categorie in de regeling. Voor de biomassaketel verhoogt men de toeslag per kW voor ketels vanaf 40 kW vermogen. Het basisbedrag daarentegen gaat omlaag. En om de zonneboiler extra te steunen, verhoogt de overheid de subsidie per kWh. Dat moet de zonneboilers aantrekkelijker maken. Uit cijfers die de overheid bekend maakte over de lopende ISDE regeling, blijkt dat het budget lang niet wordt opgebruikt. Op 30 november was er slechts  35,9 miljoen euro aangevraagd, terwijl ook in 2016 zo’n 70 miljoen euro beschikbaar is. Het merendeel van de particuliere aanvragers investeert in een warmtepomp, een kwart van palletkachels en een klein deel in zonneboilers.

Wat kost de transitie naar gasloos?

Met deze regelingen wil de overheid de transitie naar duurzame energie versnellen. Op korte termijn gaat het er vooral om dat Nederland in 2023 zo’n 16% van de gebruikte energie uit hernieuwbare bronnen haalt. In 2050, zo heeft minister Kamp onlangs aangekondigd, moeten Nederlandse woonhuizen het zonder aardgasaansluiting stellen. Sommige experts waarschuwen dat dit een behoorlijke ambitie is, die Nederland in de portemonnee gaat voelen. Adviesbureau McKinsey berekent dat er tussen 2020 en 2040 elk jaar 10 miljard euro geïnvesteerd moet worden om deze slag te maken. Dat geld is bijvoorbeeld nodig om restwarmte uit de industrie naar woningen te brengen. Of voor installaties om aardwarmte te benutten. CE Delft verwacht dat 44% van de woningen in 2050 op deze manier verwarmd wordt. Ook in de woningen moet er fors geïnvesteerd worden. Onduidelijk is nog wie daarvoor opdraait. Desondanks willen enkele gemeenten geen 30 jaar meer wachten met de transitie naar gasloze woonhuizen maar daar op korte termijn al mee starten.

Amsterdam en Maastricht: afkoppelen

De gemeente Amsterdam wil al in 2017 geen gasaansluiting meer aanleggen in nieuwbouwwoningen. De gemeente Maastricht heeft dezelfde ambitie. Daar bovenop willen deze twee gemeenten het gas weghalen uit bestaande woningen. Amsterdam om te beginnen uit 10.000 sociale huurwoningen. Maastricht noemt nog geen concrete aantallen, maar bijna de volledige gemeenteraad vindt wel dat Maastricht snel moet inspelen op de kans die de aangepaste Gaswet biedt. De Nederlandse gaswet biedt sinds kort namelijk de mogelijkheid om bestaande wijken los te koppelen van het gasnet. Woningen moeten dan bijvoorbeeld verwarmd worden met restwarmte van papierfabriek Sappi in Maastricht, waar nu ook al een aantal woningen hun warmte van betrekken. In Amsterdam zijn al 72.000 woningen aangesloten op het Nuon netwerk, verwarmd met warmte van de afvalverbrandingsoven. Amsterdam wil tegen 2020 zo’n 100.000 woningen hebben aangesloten op deze stadsverwarming.

Gevolgen voor installatiebranche

Deze beslissingen hebben ingrijpende gevolgen voor zowel particulieren als installateurs. Als warmte naar de woningen wordt gebracht, worden individuele CV ketels overbodig. Aan de andere kant zal de markt voor PV installaties groeien. Ook stimuleert de overheid kleinschalige projecten om restenergie dichtbij in te zetten. Particulieren en waarschijnlijk ook verhuurders zullen niet altijd blij zijn als hun installatie in de woning overbodig wordt. Dat beseft de gemeente Amsterdam, die daarom in 2017 eerst 10.000 sociale huurwoningen wil afkoppelen. De gemeente hoeft dan alleen zaken te doen met corporaties. Onduidelijk is wie de meerkosten van deze duurzame verwarming gaat betalen. Omdat de gemeente Amsterdam claims van particulieren wil voorkomen, gaat ze een voorlichtingscampagne opzetten. Het doel is woningbezitters zo vroeg mogelijk duidelijk te geven wanneer hun gasaansluiting verdwijnt. Hiermee wil Amsterdam voorkomen dat woningbezitters net in een HR-ketel hebben geïnvesteerd als de gaskraan in hun wijk wordt dichtgedraaid.

 

 . . . . . . . . . . .

 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . . . . . . . . . . . .

evmi_logo-2e

Natuurlijk laseren agf spaart verpakking uit

nature-and-moreNature & More en de Zweedse supermarktketen ICA gaan biologische groente en fruit merken met laser, om geen plastic verpakkingen meer te hoeven gebruiken. Dit ‘Natural Branding’ is een biologische variant van het merken met laser. Het spaart alleen al op avocado’s zeker 725.000 plastic verpakkingen uit. Met meer producten en afnemers kan dit cijfer in de miljoenen gaan lopen.

Dat meldt Nature & More, het ‘trace & tell’ merk voor biologische groente en fruit van distributeur Eosta uit Waddinxveen. De eerste biologische producten die met Natural Branding bij ICA worden verkocht, zijn avocado’s en zoete aardappels.

Biologische avocado’s worden in supermarkten vrijwel altijd verpakt in plasticfolie. Dit om ze te onderscheiden van gangbare, goedkopere avocado’s die los worden verkocht. Stickers kunnen een alternatieve oplossing zijn, maar die kunnen loslaten. Bovendien wordt daarbij weer papier, lijm en inkt gebruikt.

“De meest duurzame vorm van verpakken is: niet verpakken”, stelt Paul Hendriks, verpakkingsexpert bij Nature & More. In de praktijk bleek dit echter moeilijk te realiseren in de supermarkt. “Met Natural Branding wordt het nu een logische optie.”

Oppervlakkig

Diverse soorten fruit en groente kunnen nu gemerkt worden als biologisch met logo en land van herkomst, zonder dat extra materiaal hoeft te worden aangebracht. Met laser wordt wat pigment verwijderd uit het buitenste laagje van de schil. De methode is zeer oppervlakkig en er worden geen hulpstoffen gebruikt. Het heeft volgens Nature & More dan ook geen invloed op smaak of houdbaarheid.

Contactvrij

De benodigde energie voor het aanbrengen van een merkje is minder dan 1 procent van de energie die nodig is voor een sticker. Bovendien kan door het natuurlijke lasermerken ook het gebruik van gebruikte kartonnen dozen en pallets flink worden ingeperkt, aldus Hendriks. De contactvrije methode is goedgekeurd door SKAL. In Nederland worden tests uitgevoerd.

Hendriks verwacht dat groene consumenten blij is met Natural Branding, want uit onderzoek blijkt steevast dat zij heel negatief denken over plastic verpakkingen.

Om consumenten te laten wennen aan een dergelijk ‘brandmerk’ wordt het eerst toegepast bij producten met een harde schil die toch wordt weggegooid, zoals avocado’s. Maar het kan ook heel goed op zachte schillen worden aangebracht, zonder dat de producten er schade van ondervinden.

Scheelt 2042 kilo plastic

Nature & More verkocht vorig jaar 725.380 pakjes avocado aan de Zweedse supermarktketen ICA. Hiervoor werd 217 km plasticfilm gebruikt met een breedte van 30 cm (in totaal zo’n 2042 kilo plastic). Dat komt in CO2 gemeten neer op een autorit van 1,3 keer om de wereld heen.

Op maandag 19 december heeft tv-progamma Groen Licht aandacht besteed aan Natural Branding. Kijk op uitzending gemist.

Lees ook:

Kellogg’s lasert logo op cornflakes (15 oktober 2009)

Appel met gelaserd logo (23 april 2007)

 . . . . . . . . . . .

 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . . . . . . . . . . . .

HomeIPS. 7 december 2016

Klimaatbestendige bonen kunnen miljoenen levens redden

Bij de zadenbank CIAT op het Colombiaanse platteland wordt de grootste collectie bonen en cassaves ter wereld bewaard. Daarbij horen ook nieuw ontwikkelde bonen die veel hogere temperaturen dan nu kunnen overleven.

De verzameling is essentieel voor de biodiversiteit en het voorkomen van voedselproblemen in de wereld, zegt Daniel Debouck, programmaleider bij het Internationaal Centrum voor Tropische Landbouw CIAT. Planten zijn essentieel voor het ecosysteem dat ons kleedt en voedt, en dat zuurstof en medicijnen levert. Maar één op de vijf planten in de wereld loopt het risico te verdwijnen.

Volgens een onlangs verschenen rapport van Royal Botanic Gardens in Kew (Groot-Brittannië), zijn de grootste bedreigingen voor ecosystemen landbouwactiviteiten zoals palmolieproductie, ontbossing voor houtproductie en de bouw van gebouwen en infrastructuur. De klimaatverandering zal naar verwachting ook het landoppervlak dat geschikt is voor voedselgewassen verminderen.

De VN-Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) schat dat 75 procent van de diversiteit aan gewassen verdwenen is tussen 1900 en 2000. ‘We weten niet eens wat we hebben, terwijl we wel verliezen wat we hebben’, zegt Debouck. ‘Waarom zouden we daar niet iets aan proberen te doen?’

Spitsbergen

Slechts dertig gewassen verschaffen 95 procent van het menselijke voedsel, zegt de FAO. De afhankelijkheid van een paar basisgewassen maakt de gevolgen des te groter, als oogsten mislukken. Botanisten nemen daarom maatregelen om belangrijke planten te beschermen. Overal in de wereld worden zaden opgeslagen. De zadenbank op Spitsbergen, in een berg bij de plaats Longyearbyen, bevat materiaal van meer dan vierduizend plantensoorten.

In de buurt van de groene suikerrietplantages bij Cali, de op twee na grootste stad van Colombia, bevindt zich in een voormalig laboratorium de zadenbank CIAT. De zadenbank bewaart enkele van de meest belangrijke voedselgewassen voor de mensheid en bevat meer dan 38.000 monsters van bonen in alle kleuren en vormen. Variëteiten die ontwikkeld zijn bij CIAT voeden 30 miljoen mensen in Afrika. Elk jaar in september gaat een zending naar Spitsbergen, om daar kopieën te bewaren.

‘De zaden uit de Amerika’s zijn van essentieel belang voor de voedselzekerheid in Afrika. Zonder cassaves en bonen redden de mensen het niet’

De driehonderd medewerkers van CIAT hebben een mandaat van de Verenigde Naties om onderzoek te doen naar bonen en cassaves, basisvoedsel voor 900 miljoen mensen, en om die te distribueren in noodsituaties. Dat gebeurde bijvoorbeeld na de oorlog in Rwanda. CIAT leverde toen plantmateriaal aan boeren.

Klimaatbestendige bonen

‘De zaden uit de Amerika’s zijn van essentieel belang voor de voedselzekerheid in Afrika. Zonder cassaves en bonen redden de mensen het niet’, zegt Debouck. De onderzoekers bewaren zaden uit de hele wereld in hun zadenbank. Tijdens een reis naar Peru in de jaren tachtig liep die zoektocht naar zaden bijna verkeerd af. De wetenschappers konden ternauwernood ontsnappen aan guerrillastrijders. ‘Maar we kwamen terug met driehonderd nieuwe soorten nuňa-bonen’ zegt Debouck.

Nuňa-bonen kunnen bereid worden zonder te koken. Bij verhitting op een heet oppervlak, ontploffen ze net als popcorn. Dat kan praktisch zijn in gebieden waar brandstof en keukenfaciliteiten ontbreken.

De zadenbank bewaart met het oog op de klimaatverandering ook bonen die goed tegen warmte kunnen. Deze hittebestendige bonen zijn ontwikkeld door op conventionele wijze te kruisen tussen moderne en oude soorten. Deze soorten kunnen essentieel zijn om te overleven in bepaalde regio’s.

‘De hittebestendige bonen kunnen mogelijk overleven als de temperatuur op aarde stijgt met 4 graden Celsius’, zegt Steve Beebe, onderzoeker bij CIAT. ‘In het noorden van Oeganda, zuiden van Congo, Malawi en het oosten van Kenia worden nu geen bonen geproduceerd, omdat het er te heet is. Maar met de soorten die we nu bij CIAT hebben, kunnen we daar de bonenproductie uitbreiden.’

Wilde soorten

De nieuwe soorten waren er niet geweest als de zadenbank geen wilde en verwante soorten bonen had gehad van de gewone boon. Slechts 5 procent van de wilde verwanten van de belangrijkste gewassen is goed opgeslagen in wereldzakenbanken, staat in een studie die eerder dit jaar verscheen in het online magazine Nature Plants.

‘We denken dat er genoeg voedsel is, maar we zijn extreem kwetsbaar’

Debouck zegt dat er weinig kennis bestaat over de herkomst van voedsel. ‘We denken dat er genoeg voedsel is, maar we zijn extreem kwetsbaar. Als er droogte uitbreekt in de Verenigde Staten en het gaat buitensporig regenen in Europa, hebben we allemaal een probleem’, zegt hij.

Agronomen vormden in het verleden vaak een schakel tussen boeren en landbouwwetenschappers, maar tegenwoordig is het volgens Debouck vooral de agribusiness die boeren probeert te beïnvloeden. Deze bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in het verkopen van bestrijdingsmiddelen.

Onderzoeker Beebe wijst erop dat bonen en andere groenten zichzelf bestuiven. Zaad hoeft daarom maar één keer verkocht te worden. ‘Daarom heeft de industrie er geen belang bij ze te promoten’, zegt hij.

 

. . . . . . . . . . . .

 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . . . . . . . . . . . . . .

 

Minder plastics in stormvogelmagen

Gepubliceerd op 24 november 2016      wageningen-universiteit-research_logo-kleur

Plastic zwerfvuil, zowel het industriële granulaat als gebruikersafval, neemt langzaam maar zeker af. Het hing eerdere jaren al een beetje in de lucht, maar met toevoeging van de gegevens van het jaar 2015 aan de graadmeter van plastics in magen van Noordse Stormvogels is de trend ook statistisch aantoonbaar.

Bewustwording lijkt effect te hebben

Er is niet één precieze oorzaak aan te wijzen, maar de publieke aandacht voor de plastic soep en afvalophoping in de grote maalstromen van de oceanen lijkt geleidelijk aan effect hebben. Bewustwording is gegroeid bij alle betrokken sectoren, bij beleid en bij burgers. Een voorzichtige verbetering dus van de kwaliteit van het Noordzee milieu, maar we zijn er nog niet.

93% van de stormvogels heeft plastic in de maag

Nog altijd heeft 93% van de op onze kust gevonden stormvogels plastic in de maag, gemiddeld 23 stukjes met een gewicht van 0.29 gram. Zo’n 53% van de vogels had meer dan 0.1 gram plastic in de maag, terwijl de Noordzee landen zich tot doel hebben gesteld dat op lange termijn hoogstens 10% die drempel overschrijdt. Kortom, er is nog veel werk aan de winkel, maar we lijken op de goede weg!

Fulmar Litter EcoQO monitoring in the Netherlands - Update 2015
Tegenwoordig hebben aangespoelde stormvogels ‘slechts’ 2 à 3 industriële plastic korrels in hun maag, en qua gewicht ongeveer vijf maal zoveel gebruikers plastics. Maar maaginhouden kunnen sterk variëren, en deze foto toont de maaginhoud van een recent gevonden stormvogel. die maar liefst 13 industriële korrels had ingeslikt, en een vergelijkbare hoeveelheid fragmenten van consumentenafval.

Tegenwoordig hebben aangespoelde stormvogels ‘slechts’ 2 à 3 industriële plastic korrels in hun maag, en qua gewicht ongeveer vijf maal zoveel gebruikers plastics. Maar maaginhouden kunnen sterk variëren, en deze foto toont de maaginhoud van een recent gevonden stormvogel. die maar liefst 13 industriële korrels had ingeslikt, en een vergelijkbare hoeveelheid fragmenten van consumentenafval.

Gedurende de jaren 1980 waren verschillende vormen van industrieel plastic granulaat een algemeen verschijnsel in vrijwel iedere nieuwe vloedlijn. Tegenwoordig lijkt dit soort chronische vervuiling vervangen te zijn door minder talrijke incidentele ongelukken waarbij plaatselijk ineens grotere hoeveelheden pellets van een enkel type aanspoelen.

Gedurende de jaren 1980 waren verschillende vormen van industrieel plastic granulaat een algemeen verschijnsel in vrijwel iedere nieuwe vloedlijn. Tegenwoordig lijkt dit soort chronische vervuiling vervangen te zijn door minder talrijke incidentele ongelukken waarbij plaatselijk ineens grotere hoeveelheden pellets van een enkel type aanspoelen.

De foto toont de maaginhoud van een Noordse Stormvogel, met onder andere een flink stuk ballonrubber. Het inslikken van ballon rubber staat geregeld in de belangstelling van media en publiek. In ongeveer 2% van de onderzochte stormvogels worden stukjes ballonrubber aangetroffen.

De foto toont de maaginhoud van een Noordse Stormvogel, met onder andere een flink stuk ballonrubber. Het inslikken van ballon rubber staat geregeld in de belangstelling van media en publiek. In ongeveer 2% van de onderzochte stormvogels worden stukjes ballonrubber aangetroffen.

dr. JA (Jan Andries) van Franeker

Een donker gekleurde stormvogel op het Nederlandse strand. Let op de grijze kop en nek. Dubbellichte stormvogels (kleurfase LL) hebben meer een meeuwachtig kleurpatroon met witte kop, nek en onderdelen. De lichte stormvogels zijn in het algemeen afkomstig uit kolonies in de gematigde klimaatzones, terwijl de donkere, zoals op de foto, vrijwel zeker overwinteraars zijn afkomstig uit kolonies in het noordpoolgebied. In veel winters loopt het aandeel van zulke noordelijke vogels in ons onderzoek op tot 10% a 20%. Meestal betreft het jongere vogels.

Lees meer in het dossier:

. . . . . . . . . . . . volg duurzaamnieuws op twitter

zoeken op duurzaamnieuws

Buren slaan eigen zonnestroom op in buurtbatterij

Van: op 25 november 2017

buurtbatterij energieopslag

Voor het eerst in Nederland wordt een buurtbatterij in een wijk ingezet. In de buurtbatterij wordt zelf opgewekte zonne-energie opgeslagen als je die niet gebruikt. Op het moment dat je de stroom nodig hebt, kan je die er weer af halen. In het dorp in Haarlemmermeer testen 35 huishoudens het komende jaar deze unieke batterij samen met Lyv smart Living, netbeheerder Liander en Tegenstroom, het lokale energiebedrijf van de gemeente Haarlemmermeer.

Het energiemanagementsysteem met een bijbehorende app registreert als energie wordt opgeslagen in de buurtbatterij en wanneer de bewoner die er weer af haalt. Aan de hand van het actuele energiegebruik van de bewoners en de hoeveelheid opgewekte energie wordt bepaald of de energie het beste gebruikt, opgeslagen of teruggeleverd kan worden aan het net. Als een bewoner in de wijk energie nodig heeft dan levert het systeem zijn resterende deel uit de batterij terug. Zo kunnen bewoners maximaal hun eigen opgewekte energie gebruiken en wordt het energienet ontlast.

 

Energievoorziening door de wijk

Door eerst de beschikbare, duurzame energie uit de buurt te gebruiken, kunnen wijken in de toekomst steeds meer in hun eigen energie voorzien. Ook kan het een oplossing zijn voor de forse toename van zonnepanelen op woningen en de bijbehorende energie die verwerkt moet worden. Door de duurzame energie in een batterij op te slaan wordt het elektriciteitsnet minder belast.

Nederland maakt steeds meer gebruik van wisselende energiebronnen zoals zonne- en windenergie. Bovendien verbruiken we op bepaalde momenten van de dag steeds meer elektriciteit, bijvoorbeeld als we tegelijkertijd thuiskomen, onze elektrische auto willen opladen en gaan koken. Het huidige elektriciteitsnet is niet aangelegd voor die piekmomenten en zal daardoor in de toekomst sneller overbelast raken. Bovendien kan de toename van zonnepanelen en warmtepompen gevolgen hebben voor de spanningskwaliteit op het net. Daardoor kunnen apparaten in huis kapot gaan en meer stroomstoringen ontstaan. Dit kan voorkomen worden door het elektriciteitsnet aan te passen en een zwaardere kabel neer te leggen maar dat is duur en ingrijpend. Dat wil Liander voorkomen en onderzoekt daarom of energie opslag in bijvoorbeeld een buurtbatterij een meer betaalbaar en een betrouwbaar alternatief is.

 

Testen lokale energienet

Liander gebruikt de batterij uitsluitend om te testen wat de gevolgen ervan zijn voor het lokale energienet en of het één van de oplossingen kan zijn  om het lokale net te ontlasten. Om te begrijpen wat de dynamiek en impact is van het gebruik van batterijen op het elektriciteitsnetwerk doet de netbeheerder onderzoek naar oplossingen als de Buurtbatterij. De eerste voorlopige resultaten laten zien dat er een toename is van zo’n  100% in het gebruik van de eigen opgewekte energie met behulp van de batterij. Dit verlaagt de impact op het netwerk en daarbij kan de batterij de spanningskwaliteit regelen.

Later in het jaar worden marktpartijen gevraagd om de restenergie uit de batterij te verhandelen. Geïnteresseerde marktpartijen kunnen zich via een aanbesteding inschrijven. Samen met de gekozen marktpartij wordt zowel de haalbaarheid van de batterij onderzocht als het verhandelen van energie uit de batterij. Daardoor is de kans op realisatie het grootst. De uitkomsten van het demonstratieproject worden gedeeld met marktpartijen en andere geïnteresseerden.

 

Over Tegenstroom

Tegenstroom is een professionele leverancier van stroom én gas, opgericht door de gemeente Haarlemmermeer. Tegenstroom is de groenste leverancier van Nederland en heeft geen winstoogmerk.  Tegenstroom adviseert en investeert in lokale opwekking van schone energie in de polder. Als klant draag je dus direct bij aan de overgang naar een schone, toekomstbestendige energievoorziening in Haarlemmermeer, onafhankelijk van minder stabiele regio’s in de wereld.  https://tegenstroom.nl

Lees meer over: ,