Artikelen

 

 


Elektrische (waterstof) vrachtwagens: een illusie of toekomstmuziek?

Elektrische vrachtwagen toekomst

 

 

 

 

 

 

 

 

Er zijn steeds meer elektrische vrachtwagens op de Nederlandse wegen te vinden, maar tezamen vormen ze nog steeds maar een zeer klein deel van het totale vrachtverkeer. De voorlopers lijken vooral geleid te worden door idealisme en belastingvoordeel, maar ze zorgen vooralsnog niet voor een echte verschuiving in het landschap van vrachtverkeer. Daarom vragen wij ons hardop af of een dominantie van elektrische vrachtwagens, al dan niet als waterstof vrachtwagen, een illusie of juist toekomstmuziek is.

Lichte trucksegment

In het lichte trucksegment zijn er al verschillende voorbeelden van inzet van elektrische vrachtwagens. De gemeente Groningen heeft bijvoorbeeld een elektrische Emoss-vrachtwagen van 12 ton in gebruik genomen voor distributiedoeleinden. De truck heeft een actieradius van 180 tot 200 kilometer, waarmee eigenlijk ook meteen het probleem is blootgelegd: vrachtverkeer legt vaak grote afstanden af en de huidige e-trucks kunnen daar nog niet in voorzien. Heineken begon in 2013 al een samenwerking met Hytruck, maar ook dit is alleen voor stadsdistributie. Toch kan men met de geringe actieradius binnen een stad al een hoop bevoorrading doen.

24-uurs distributie in stadscentra

Er worden ook dieseltrucks omgebouwd tot elektrische voertuigen. Het bedrijf Ginaf in Veenendaal doet dit met zo’n 15 vrachtwagens per jaar. Albert Heijn en de Technische Unie, die veel waarde hechten aan duurzaamheid, maken in stadscentra gebruik van deze omgevormde elektrische trucks. Het grote voordeel hiervan is dat deze elektrische trucks 24 uur per etmaal kunnen worden ingezet. Voor dieselauto’s gelden venstertijden voor laden en lossen in de binnenstad. Met een stille en schone e-truck mag men ook ’s avonds en ’s nachts laden en lossen.

Zware elektrische trucks in ontwikkeling

Op het gebied van zware trucks is het voorlopig nog het dieselvoertuig wat de klok slaat. De Duitse truckfabrikant MAN verwacht in 2021 met een zware elektrische truck de markt op te gaan. Tesla werkt hard aan een baanbrekende e-Truck, die men de “Semi” noemt en Hyundai en Toyota werken aan elektrische waterstof trucks. Terwijl Tesla, Hyundai en Toyota met haar ultramoderne elektrische (waterstof) trucks de vrachtwagenmarkt willen veranderen, kijkt de Brabantse fabrikant DAF de overgang voorlopig nog even aan. Voor hen is innovatie ondergeschikt aan betrouwbaarheid. Toch hebben ze wel toekomstplannen in dezelfde richting en kwam het bedrijf, samen met VDL, met de DAF CF Electric VDL E-Power op de proppen.  DAF verwacht in 2023 “serieuze aantallen” elektrische trucks te gaan produceren. Daarmee bedoelt met geen duizenden, maar honderden. Pas als er voldoende vraag is naar elektrische trucks wordt de productie opgeschroefd.

Duurzaam vrachtverkeer

Geen illusie, wel toekomstmuziek

Het lijkt dus geen illusie dat elektrische vrachtwagens ooit de overhand gaan krijgen, maar het is nog wel toekomstmuziek. Dat is een reden om niet te investeren in gloednieuwe trucks die nog op fossiele brandstof rijden, omdat deze in de nabije toekomst mogelijk ingehaald worden door regelgeving. Daarom kun je bij behoefte aan uitbreiding van het wagenpark beter je geld uitgeven tweedehands variant en bijvoorbeeld kiezen voor gebruikte trucks en trailers van Nooteboom Trading.

De invloed van milieuzones

De ontwikkeling van milieuzones in binnensteden is een belangrijke factor in de toekomst van het vrachtverkeer. In 2017 al riep de belangenclub Transport en Logistiek Nederland dat men wil dat er in de Nederlandse binnensteden per 2025 alleen nog volledig elektrisch mag worden gereden. Hiermee wil men de CO2-uitstoot van vrachtwagens halveren. Experts noemen het plan ambitieus, maar haalbaar. Gezien de trend dat oudere dieselauto’s steeds meer worden uitgebannen, lijkt het een kwestie van tijd voordat dit ook met vrachtwagens gaat gebeuren. Echter, de druk voor schonere stadsdistributie ligt nu alleen nog bij de vervoerder. Om de ontwikkelingen in een stroomversnelling te brengen, moeten ook de ontvangers van producten geprikkeld worden om het gebruik van elektrische voertuigen te stimuleren.

. . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . 

. . . . . . . . . . . 

               Wageningen Wetenschap – 1 oktober 2019

WUR werkt aan zonnepark nieuwe stijl

tekst:  Roelof Kleis

www.resource.wur.nl 

In zonneparken moeten ook natuur en landbouw hun plek krijgen. WUR wil die zonneparken nieuwe stijl ontwerpen.

Ingepast
Nu zien zonneparken er overal in de wereld vrijwel hetzelfde uit: terreinen met dicht op elkaar gepakte zonnepanelen. Om de boel aan te kleden, wordt het terrein soms omzoomd met groen. ‘Maar niemand vindt zo’n park mooi’, zegt Sluijsmans. ‘Ik denk dat er een kans is voor ons om te laten zien dat energieproductie, biodiversiteit en landbouw goed samen kunnen gaan, landschappelijk ingepast en gedragen door het publiek.’

Het microklimaat in de schaduw van die panelen 
is op hete zomerdagen beter dan in de volle zon
Jeroen Sluijsmans

Sluijsmans denkt daazonnepark-met-panelen.jpgrbij aan zonneparken, waar naast de opwekking van duurzame energie ook ruimte is voor landbouw en natuur. ‘Nu ontvangen boeren jaarlijks 5000 euro per hectare grond die ze beschikbaar stellen voor zonnepanelen. Dat is meer dan veel gewassen opbrengen. Als je dat geld nou eens besteedt aan combinaties van duurzame energie en gewasproductie, zou dat wel eens kunnen leiden tot nieuwe verdienmodellen.’

Volgens Sluijsmans zijn er over de grens al experimenten gaande op dat vlak. ‘Aardappelen telen bijvoorbeeld onder zonnepanelen. De opbrengst daarvan is zelfs hoger dan normaal, omdat het microklimaat in de schaduw van die panelen is op hete zomerdagen beter dan in de volle zon.’ Hij wijst daarnaast op technische ontwikkelingen, zoals dubbelzijdige panelen die rechtop staan in plaats van liggen, en het gebruik van semi-tranparante zonnepanelen.

De ruimtes tussen de panelen worden ingezaaid 
met inheemse wilde planten
Jeroen Sluijsmans

De eerste veldtesten vinden op eigen terrein van WUR plaats. In het te ontwikkelen Zonnepark Nergena in het Binnenveld komt het accent volgens Sluijsmans te liggen op het vergroten van de biodiversiteit. ‘De ruimtes tussen de panelen worden ingezaaid met inheemse wilde planten. Hierin gaan we samenwerken met zaadbedrijven die betrokken zijn bij het project Het Levend Archief. Dat park krijgt dan de functie van zaadbank, voor behoud van het genetisch materiaal.’  

Draaibaar
Een deel van Zonnepark Nergena wordt daarnaast gebruikt als proeftuin voor nieuwe technieken. In het park wordt gevarieerd met de hoogte van de panelen en de ruimtes ertussen. Een klein deel van het veld wordt gebruikt om verticale panelen te testen en systemen van draaibare panelen die de zon volgen.’

 

 

 

Nieuw rapport van VN-Klimaatpanel: zeespiegel stijgt steeds sneller

Door de uitstoot van broeikasgassen veranderen de oceanen, gletsjers en ijskappen in een steeds sneller tempo. Als de uitstoot niet snel naar beneden gaat, zullen nog deze eeuw overal gevolgen optreden, zoals zeespiegelstijging, heftiger stormen en de instorting van gletsjers.

Dat staat in het nieuwste rapport van het VN-klimaatpanel IPCC, dat in Monaco is gepresenteerd. Het is voor het eerst dat het panel apart verslag uitbrengt over de oceanen, de ijskappen en de zeespiegel. Meer dan 100 wetenschappers uit ruim 30 landen hebben eraan meegewerkt.

Gedurende de 20e eeuw steeg de zeespiegel met ongeveer 15 centimeter. Tegenwoordig gaat die stijging meer dan twee keer zo snel, zegt het Klimaatpanel.

1 meter 10

Wanneer de uitstoot van broeikasgassen niet sterk aan banden wordt gelegd, zal de stijging verder versnellen. De mondiale zeespiegel zal in het jaar 2100 gestegen kunnen zijn met 1.10 meter (ten opzichte van het niveau in de jaren 1986 tot 2005). Veel laaggelegen steden aan de kust en kleine eilanden wereldwijd lopen al vanaf 2050 jaarlijks grotere risico’s op overstroming.

In het rapport gaat het ook over de gevolgen voor mensen en de manier waarop gemeenschappen zich het beste kunnen aanpassen aan de veranderingen. Aan de basis van deze nieuwste publicatie liggen meer dan 7000 wetenschappelijke onderzoeken.

Nederland

Het is in korte tijd het derde rapport van het IPCC. Eind vorig jaar was er een rapport over de verschillen tussen 1,5 en 2 graden opwarming en een maand geleden publiceerde het panel een samenvatting van alle kennis over klimaat en landgebruik. Het nieuwe rapport is voor ons land heel belangrijk, omdat zeespiegelstijging ons direct raakt.

De cijfers in dit nieuwe rapport zijn veel lager dan die waar de Deltacommissaris een jaar geleden nog voor waarschuwde. Uit onderzoek van Deltares bleek toen dat de Nederlandse zeespiegel in 2100 zelfs tot drie meter zou kunnen stijgen als de opwarming van de aarde ongebreideld doorgaat.

Volgens Nederlandse wetenschappers die hebben meegewerkt aan het nieuwe IPCC-onderzoek zijn de cijfers niet in tegenspraak met elkaar. De kennis over de enorme ijskappen en hun invloed op de zeespiegelstijging is nog niet voldoende uitgekristalliseerd om die hogere Nederlandse cijfers nu al over te nemen, zeggen ze.

Het IPCC is een organisatie van de VN, die klimaatonderzoek verzamelt en beoordeelt, NOS op 3 legt in deze video uit hoe het IPCC werkt.

Wie zegt er eigenlijk dat de aarde opwarmt?
© NOS 2019

 

'Standaard waterrecycling in alle huizen, dat zou mooi zijn'
Tekst: Mari van Lieshout

Een koelkast, oven of wasmachine zijn niet meer weg te denken uit onze standaard huisinrichting. Als het aan Arthus Valkieser ligt, is dat binnen twintig jaar ook het geval met de Hydraloop, een toestel dat douche-, bad- en wasmachinewater opvangt, reinigt en desinfecteert en dat tot 85 procent van het huishoudelijk water kan recyclen.

We moeten slimmer met water omgaan, vindt Arthur Valkieser, bedenker en producent van de Hydraloop. Een toestel voor waterrecycling waarmee hij al enkele awards in binnen- en buitenland binnensleepte. Wat betreft uiterlijk heeft hij wel wat weg van een designkoelkast, maar neemt slechts 0,27m2 vloeroppervlak in beslag. Het toestel reduceert het gemiddelde leidingwaterverbruik per persoon van 133 naar 74 liter. Dat gerecyclede water gaat naar de toiletspoeling, de wasmachine of de tuin. Dat leidt niet alleen tot een afname van leidingwater en lozing op het riool, maar het vermindert ook de CO2-uitstoot omdat in huis zuiniger kan worden verwarmd. De Hydraloop geeft namelijk restwarmte af in de woning. Per huishouden van vier personen scheelt dat uiteindelijk 476 kilo CO2 uitstoot per jaar, heeft Valkieser uit laten rekenen.

Voor de recycling van het water afkomstig van bad, douche en wasmachine maakt de Hydraloop gebruik van een niet eerder toegepaste combinatie van technieken. ‘Reguliere systemen gebruiken filters of membranen om het water te behandelen,’ vertelt Valkieser. ‘Maar die filters en membranen raken verstopt en de systemen hebben daardoor regelmatig onderhoud nodig. Ons systeem is onderscheidend doordat we zeep en andere vervuiling kunnen verwijderen zonder gebruik van een filter of membraan. En we bereiken toch de internationale normen voor een goede waterkwaliteit dankzij de gecombineerde inzet van zes verschillende technieken.’

Verschillende technieken

De eerste stap van recycling wordt gerealiseerd in een tank door de zwaardere verontreinigingen te laten bezinken en de lichtere boven te laten drijven. Het vuil dat naar de bodem zinkt wordt opgevangen, de drijvende verontreinigen verdwijnen over een skimrand. De zware en lichte bestanddelen worden daarna afgevoerd naar het riool. De overgebleven verontreinigingen worden vervolgens verwijderd door toevoeging van lucht in het water. De lucht vormt kleine belletjes die zich aan de opgeloste verontreiniging hechten waardoor de vervuiling begint op te drijven naar het wateroppervlak. Deze drijflaag kan dan ook weer over de skimrand naar de riolering worden geduwd.

De volgende reinigingsfase vindt plaats met schuimfractionering. In het water zitten nog zeep- en shampooresten die in combinatie met de lucht voor een schuimproductie zorgen. De verontreiniging die zich aan de wand van het luchtbelletje heeft gehecht, ‘reist’ met het schuim mee omhoog en verdwijnt ook weer over de skimrand naar het riool. Na deze fase volgt nog een biologische waterbehandeling. Het water is zeer zuurstofrijk en daarmee een ideaal milieu voor bacteriën die de verontreiniging opvreten. In circa vijf uur wordt het troebele afvalwater kraakhelder en voldoet aan de internationale normen voor grijs water. Daarna wordt het water nog door UV-licht gedesinfecteerd en afgevoerd naar de onderste tank, feitelijk de opslagtank. Vanuit deze tank worden de toiletten, tuin en wasmachines voorzien van schoon, gerecycled water. Het systeem reinigt zichzelf. Filters vervangen of reinigen is niet nodig.

Plug &Play

Op de site spreekt Valkieser van een plug&play-systeem waarvoor de gebruiker zo’n 3.000 euro moet betalen. Maar voordat de stekker in het contact kan moet er wel het nodige gebeurd zijn. De watertoevoer vanaf bad/douche en wasmachine naar de Hydraloop moet worden gerealiseerd. Ook moet er een drinkwaterleiding naar het toestel. Vervolgen moeten er toevoerleidingen komen voor het gerecyclede water tussen de Hydraloop en de toiletten, wasmachine en eventueel een opslagtank voor de tuin. Afgezien van de aanlegkosten die er nog bij komen, lijkt het systeem vooralsnog vooral kans te maken in nieuwbouwwoningen. Valkieser: ‘In de nieuwbouw is het inderdaad betrekkelijk eenvoudig om het leidingstelsel meteen mee te nemen. Er is maar een beperkte aanpassing in de woning nodig. Voor de bestaande bouw kan het lastiger worden. Als de wasmachine in de badkamer naast de Hydraloop staat, gaat het nog wel. Maar over het algemeen is een renovatie een goed moment om een Hydraloop te plaatsen.’

Besparing

Het Delftse bureau voor Energieprestatie-advies Epos heeft de energiebesparing in kaart gebracht die met een Hydraloop-toestel kan worden bereikt. Het toestel gebruikt 200 KwH/jaar, maar levert 600 KwH/jaar aan energie besparing terug. Dat is voor een deel te danken aan de warmteafgifte van het toestel. Daarnaast wordt in de woning veel minder leidingwater gebruikt, waardoor ook minder koude wordt geïmporteerd. Een derde besparing is te danken aan het feit dat de wasmachine water kan verwarmen van gemiddeld 20 °C in plaats van het veel koudere leidingwater.

Groots plan voor drijvende zonneparken verontrust natuurorganisaties

Groen

Frank Straver

Artist impression van het geplande zonnepark in de Rotterdamse Rijnhaven. © MAUC

Leg massaal zonnepanelen op Nederlandse wateren, bepleit een landelijk consortium van bedrijven, onderzoekers en de overheid. Dat helpt de klimaatdoelen. Maar natuurbeschermers vrezen schade aan dier en natuur. ‘Benut eerst eens al die lege daken.’

Nederland kan Europees koploper worden met de aanleg van grote drijvende zonneparken. Daartoe presenteert het nationaal consortium Zon op Water morgen een plan. Volgens de initiatiefnemers moeten honderdduizenden zonnepanelen gaan dobberen op plassen, meren, en in spaarbekkens. Dat is nodig voor de klimaatdoelen, zegt het consortium van bedrijven, Rijkswaterstaat, 35 gemeenten en kennisinstellingen zoals TNO.

Een begin is er al. Het grootste drijvende zonnepark dat Nederland nu kent, ligt in de zandwinplas bij Tynaarlo, Drenthe. Een ontwikkelaar plaatste er 23.000 panelen. Daarmee is het nu het grootste zonnepark op water in Europa. Er liggen installatieplannen klaar die optellen tot 500 megawatt in 2021, bijna zo veel als een (kleine) kolencentrale. Dat aantal kan wat het consortium betreft snel verviervoudigen tot 2 gigawatt in 2023.

“Pas op waar je aan begint”, zegt woordvoerder Kees de Pater van de Vogelbescherming. De organisatie maakt zich zorgen over mogelijke schade voor dier en natuur. “Er is nog veel te weinig bekend over de effecten van zonnepanelen die grote stukken water afdekken”, zegt De Pater. Denkbaar is volgens hem dat de waterkwaliteit afneemt, als gevolg van verminderde zoninval. Dat kan vissterfte veroorzaken, waar dan weer lokale vogelpopulaties onder lijden.

Glinsterende panelen

Onduidelijk is of vogels zich te pletter kunnen vliegen op glinsterende panelen omdat ze denken dat het water is. De Vogelbescherming pleit voor landelijk onderzoek. Ook Natuurmonumenten vreest potentiële schadelijke effecten, zegt een woordvoerder. De organisatie is ‘fel tegenstander’ van zonneparken bij natuur, zoals Natura2000-gebieden.

Ontwikkelaars beloven dat ze open wateren niet totaal vullen met panelen. In Andijk, waar met vijftien eilandjes van elk 4900 panelen het grootste dobberende zonnepark van Nederland moet verschijnen, blijft bijvoorbeeld de helft van het wateroppervlak open ‘om de ecologie onder water niet te veel aan te tasten’.

Zulke limieten stellen natuurorganisaties lokaal niet gerust. Ook al zal het geplande zonnepark op het IJsselmeer ‘slechts’ 4 procent van het wateroppervlak bedekken, voorzitter Benno van Tilburg van de IJsselmeervereniging is tegen. Niet alleen ziet hij een zonnepark als verstoring van het landschap, hij vreest ook ecologische schade.

Rustende zwanen en ganzen

Volgens het consortium ‘Zon op water’ zijn vooral zand- en baggerdepots ideaal, omdat ze natuurwaarde ontberen. Maar ook zulke plassen kunnen belangrijk zijn als rust- en broedplaats voor vogels, stelt de Vogelbescherming. De organisatie kreeg daarin onlangs gelijk toen ze bezwaar maakte tegen de aanleg van zonnepanelen op de zandwinplas bij de Weperpolder. Dit verstoorde de rustende zwanen en ganzen. De provincie Friesland berispte ontwikkelaar Groenleven daarvoor.

Met een zorgvuldige aanpak kan installatiewerk natuurvriendelijk uitgevoerd worden, verzekert het consortium. Bovendien zou Nederland niet de luxe hebben om drijvende panelen af te wijzen. Vrije ruimte is schaars. Zonneparken verrijzen op landbouwgrond, maar dit staat ter discussie.

Natuurmonumenten, de Vogelbescherming en de IJsselmeervereniging vinden onafhankelijk van elkaar hetzelfde: leg eerst zo veel mogelijk daken in Nederland vol. Daar is nog ruimte voor 145 miljoen panelen, becijferde Natuur&Milieu in 2017. Daarmee kan Nederland tot 40 procent van de stroom groen opwekken.

Het aantal zonnepanelen op huizen en bedrijven neemt weliswaar toe, maar de hoeveelheid staat in schril contrast met de omvang van de grote zonneparken die investeerders aanleggen op grond en water. Aan drijvende zonnepanelen zit een groot voordeel, aldus het consortium. Ze kunnen meedraaien met de zon, wat de opbrengst tot 30 procent kan vergroten. Uiteindelijk, zeggen de bedrijven en organisaties, kunnen zonneparken zelfs op zee gaan drijven.

Lees ook:
D66 wil drijvende zonnepanelen op het IJsselmeer

Als het aan D66 ligt, drijven er binnenkort zonnepaneeleilanden op het IJsselmeer. Dat moet ervoor zorgen dat Nederland niet meer de zwakste EU-lidstaat is in het opwekken van hernieuwbare energie.

Drijvende zonnepanelen zijn klaar voor een snelle opmars, met Andijk in de hoofdrol

Zonnepanelen veroveren de wereld. Tot nu toe bestond die wereld vooral uit land, maar inmiddels beginnen ze ook aan een opmars op het water. Andijk krijgt binnenkort misschien wel het grootste drijvende zonne-eiland ter wereld dat met de zon meedraait

. . . 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

. . . 

Interview Robert Macfarlane                      

‘De vraag die we onszelf moeten stellen: zijn wij goede voorouders?’

Robert Macfarlane bij een eeuwenoude plataan in de tuin van Emmanuel College in Cambridge. Beeld Hollandse Hoogte / Camera Press Ltd

Eerder verkende hij bergen, wildernissen en oude pelgrimswegen. Nu daalde de Britse schrijver Robert Macfarlane af naar de ‘benedenwereld’. Terwijl zijn land zich verloor in vluchtige Brexitmania zocht hij in grotten, mijnen en catacomben naar de ‘diepe tijd’ en de plek van de mens daarin.

Het is op een ochtend in 2016 in de warmste Arctische zomer ooit dat Robert Macfarlane zich op de Knud Rasmussengletsjer in Groenland in een smeltwaterschacht laat zakken. Binnen 18 meter daalt hij eeuwen af in de tijd. Een moment van stilte, hangend in het oude blauwe ijs, terwijl beneden hem de tunnel nog 100 meter doorloopt tot het granieten gletsjerbed. Dan komt er een bulderende stroom smeltwater op gang en verdrinkt hij bijna.

Dichter bij het Antropoceen, het geologische tijdperk waarin de menselijke soort de natuur domineert, kun je waarschijnlijk niet komen.

Gletsjers leven, zegt Macfarlane (42) in zijn werkkamer in Emmanuel College in Cambridge, waar hij doceert. ‘Het zijn reuzen die bewegen en kraken en geheugens hebben van 100.000 jaar.’ Maar tegen de klimaatverandering zijn ze niet bestand. De Rasmussen trekt zich in snel tempo terug. Waar volgens Google Earth de ijsmassa moet beginnen, strekt zich nu een glinsterend fjord uit. ‘Het lot van de Groenlandse gletsjers en het lot van de mensheid zijn verknoopt. Het ijs is waar onze toekomst zich voltrekt, right now.’

Robert Macfarlane is de bekendste, meest gelauwerde Britse natuurschrijver. In boeken als Mountains of the Mind, The Wild Places en The Old Ways verkende hij de complexe relaties tussen natuur, landschap en gevoelsleven op een manier die tot een soort nieuw literair genre leidde. In Landmarks en het kinderboek The Lost Words deed hij dat met natuur, landschap en taal.

Nu ligt er dan Macfarlanes magnus opus, Underland (vertaald als Benedenwereld). Een boek over de complexe relatie van de mens met de duistere wereld onder zijn voeten, over echte en imaginaire benedenwerelden en over het verleden en de toekomst van de planeet. Zijn reis voert hem van Noorse grotten vol prehistorische inscripties tot de catacomben van Parijs, waar anarchistische hipsters in riolen en kalkgroeven een geheime subcultuur hebben opgebouwd.

Underland bestrijkt een tijdspanne van 4,6 miljard jaar: van het ontstaan van het heelal (in de vorm van een lab voor donkere materie in een onderzeese zoutmijn in Yorkshire) tot de toekomst van het Antropoceen (een onderaardse bergplaats in Finland waar radioactief afval voor duizenden jaren wordt opgeborgen). Het is zowel het boek waar hij het langst aan heeft gewerkt, als het boek met de urgentste boodschap: ‘Look deeper. Verdiep je in de diepe tijd, het lange leven van de planeet, en probeer er lessen uit te trekken.’

Wij weten meer over sterrenstelsels op miljoenen lichtjaren afstand dan over de wereld 10 centimeter onder onze voeten, zegt Macfarlane, terwijl hij zijn bezoeker meetroont naar een eeuwenoude plataan in de tuin van het College, die met zijn zware zijtakken diep in de aarde boort. ‘Het zogenaamde World Wood Web, dat 400 miljoen jaar oude samenspel tussen bomen en schimmels, is pas in de jaren negentig ontdekt. En vorig jaar nog stuitten onderzoekers op een nieuw onderaards bioom van micro-organismen dat de totale massa van de mensheid honderden keren overschrijdt. Ongelooflijk vind ik dat.’

Hoe komt het dat we zo weinig weten van die benedenwereld?

‘We hebben een heel ingewikkelde relatie met de benedenwereld. Ik ken geen cultuur die geen benedenwereld kent, maar het is altijd een wereld die zowel fascineert als afstoot. Het is een plek waar we geliefde spullen verbergen die we willen beschermen, van schilderijen in oorlogstijd tot de lichamen van onze doden. Een plek waar we wegstoppen wat we kwijt willen – kernafval, mensen die we haten, nare herinneringen. En een plek van extractie en openbaring, waarin we afdalen om dingen te verzamelen van waarde – steenkool, goud, visioenen, zoals ooit de makers van prehistorische rotsschilderingen.’

Underland, waaraan Macfarlane uiteindelijk bijna tien jaar werkte, is in zekere zin het spiegelbeeld van zijn eerste boek Mountains of the Mind, over de liefde voor en obsessie met de bergen en bergbeklimmen, zegt hij. Zoals hij zich in dat boek afvroeg waarom mensen de hoogte in gingen, stelt hij nu de vraag waarom ze de diepte in gaan. ‘Met dat verschil dat mensen die naar beneden gingen dat vaak tegen hun wil deden. De benedenwereld is ook een plek van slavenwerk, dwang en opsluiting. Het is een veel duisterder verhaal.’

De wortels van het boek liggen in zijn kindertijd. Macfarlane groeide op in de mijnstreek van Nottinghamshire, een ‘uitgehold landschap’, tussen door Margaret Thatcher ontslagen mijnwerkers die door zijn vader, een arts, werden behandeld voor stoflongen. Nottingham zelf was gebouwd boven op een enorm tunnelnetwerk waar je via een deur in een pub in kon verdwijnen om dan in het kasteel weer op te duiken, en waar hij zijn eerste ervaringen opdeed met caving. Ook de literatuur droeg bij aan de fascinatie: de boeken van Tolkien en Verne, de mythische tochten naar het dodenrijk van Gilgamesj, Orpheus en Aeneas.

En wanneer besloot u dat er een boek moest komen?

‘In 2010, toen je kort na elkaar de ramp met olieplatform Deepwater Horizon en de uitbarsting van de IJslandse vulkaan Eyjafjallajökull had. Daar kwam later nog het ongeluk met de mijnwerkers in Chili bij. De benedenwereld drong zich op als een plek van disruptie, opsluiting, beknelling. Het voelde alsof dit rijk waarvan we zo weinig weten en waarin we ons zo weinig verdiepen ineens in het daglicht trad. Dat gevoel is sindsdien alleen maar sterker geworden.’

De benedenwereld is relevanter dan ooit, zegt u. Waarom?

‘Omdat met de opstijgende benedenwereld ook de diepe tijd aan de oppervlakte lijkt te komen. Dingen die begraven hadden moeten blijven, komen boven: methaan borrelt op uit de ontdooiende permafrost, ziektekiemen komen vrij uit eeuwenoude dierlijke kadavers, afkalvende gletsjers brengen vermiste bergbeklimmers aan het licht en laten de zeespiegel stijgen. Het zijn allemaal tekenen van de versnelling van het Antropoceen, van de milieucrisis en de klimaatcatastrofe die de basale orde van de aarde verstoren.’

Waar heeft u het Antropoceen het meest intens ervaren?

‘Dat was zonder twijfel in het noordpoolgebied, de frontlijn van de klimaatramp. In Groenland waren de temperaturen ongekend hoog, 22 graden, en smolten de gletsjers als nooit tevoren. En op de Lofoten in het noorden van Noorwegen waren de fraaie kusten bezaaid met plastic troep. Het confronteerde me met het gevoel dat we opgesloten zitten in een rampzalige cyclus van extractie, consumptie en verwijdering.’

Dat ‘claustrofobische gevoel’ noemt Macfarlane, in een essay in The Guardian, een van de bepalende ervaringen van het Antropoceen. ‘Een gevoel dat tijd en ruimte opraken, een gevoel dat we in de greep zijn van aardse krachten die we zelf hebben opgeroepen maar die onze krachten te boven gaan, een gevoel dat we, zoals filosoof Timothy Morton het botweg zegt: klem zitten.’

Leidt die geschonden wereld niet ook tot een gevoel van verlies?

‘Jazeker, maar ik ben altijd wantrouwig over unexamined place nostalgia. Die wordt vaak misbruikt om allerlei problematische, chauvinistische gevoelens te mobiliseren. Bij elk uitgedragen verlies moet je je volgens mij altijd afvragen: waarover wordt precies gerouwd en waarom? Ik ben huiverig voor elke gegeneraliseerde klaagzang over verdwijnend landschap en natuur.

‘Het is tegelijk ook gevaarlijk het idee van wilde natuur zo te relativeren dat het geen zeggingskracht meer heeft. Die ecomodernistische houding van: natuur is een mentale constructie, met ingebouwde elitaire trekken, dus laten we gewoon wat nieuwe natuur maken. De Antropoceen-verheerlijkers, ja. Dat is een perfecte dekmantel voor het meest rabiate kapitalisme.’

Meer dan ooit, zegt u, moeten we ons in de benedenwereld verdiepen om gevoel te krijgen voor de diepe tijd. Wat leert het besef dat ook de mens zal uitsterven ons? Biedt diepe tijd een morele les?

Deep time awareness moet niet leiden tot fatalisme en apathie, maar tot een radicaal doordenken van onze plek in de diepe tijd, van onze intergenerationele verantwoordelijkheid. We moeten onszelf leren zien als schakel in een keten van nalatenschappen die zich uitstrekt van miljoenen jaren in het verleden tot miljoenen jaren in de toekomst, en ons bewust worden van wat we nalaten als soort aan de generaties na ons en de soorten die hen zullen volgen.’

Een soort goed evolutionair rentmeesterschap?

‘Ja, de vraag die we onszelf moeten stellen is: zijn wij goede voorouders? Analoog aan het gedachtenexperiment van de term Antropoceen, waarbij we ons afvragen wat toekomstige intelligenties over miljoenen jaren zullen opmaken uit de geologische lagen van plastic, metaal en kippenbotjes die wij nu aanmaken. Nou, zo’n houding van terugkijken vanuit de toekomst hebben we hier in het Verenigd Koninkrijk de afgelopen maanden niet gehad.’

Macfarlane vond die deep time awareness wel op een onverwachte plek, 500 meter diep aan de rotskust van Finland, waar dat land kernafval wil opslaan voor de komende 100.000 jaar. ‘Ik kwam naar Onkalo met het idee dat het de duisterste plek denkbaar was, waar we het ergste opbergen wat we ooit hebben gemaakt. Een nucleaire Götterdämmerung, een plek zonder hoop. Maar het was een van de hoopvolste plekken waar ik ben geweest.’

 Hoe put je hoop uit een nucleair kerkhof?

‘Onkalo bleek een oord van samenwerking, waar mensen oprecht begaan zijn met de toekomst. Ze gaan het kernafval verpakken in sarcofagen van zirkonium, ijzer, koper en graniet, zodat het zelfs een toekomstige ijstijd kan doorstaan. En ze ontwikkelen in een speciale tekentaal een marker system dat over de millennia en de soortgrenzen heen iedereen die na ons komt, menselijk of niet, kan waarschuwen voor wat we daar hebben opgeborgen.’

Een ontroerende vorm van verantwoordelijkheidsgevoel en deep time justice, vindt Macfarlane. ‘Toen ik terugreed, kreeg ik autopech. Ik had me al ingesteld op een ijskoude nacht toen een automobilist stopte om me te helpen. Ik besefte ineens weer hoezeer de mens behalve tot vernietiging in staat is tot samenwerking en altruïsme. Zo kunnen we de crisis te boven komen.’

Bent u daarom zelf ook in actie gekomen?

‘Ik denk het, hoewel ik lang heb gedacht dat schrijven is wat ik het beste kan en waar ik de wereld het meest mee kan veranderen. Maar we hebben de stichting Action for Conservation opgezet, om pubers van 12 tot 17 een band met de natuur bij te brengen. En vorig jaar was ik mede-auteur van A People’s Manifesto for Wildlife, een petitie voor een radicaal ander natuurbeleid die we met tienduizend demonstranten in Whitehall hebben afgeleverd.

‘Dat was natuurlijk een klassieke vorm van actievoeren die tot niks leidt. Iets waar de klimaatactivisten van Extinction Rebellion ook achter zijn gekomen, een beweging die ik geniaal vind in haar slimme, geweldloze verzet. Wel frappant, die opkomst van deep time justice-politiek in een land waar de rest van de bevolking in de greep is van een Brexitmania met een blikveld van 24 uur max. In die zin komt mijn boek op een goed moment boven.’

Robert Macfarlane. Benedenwereld. Reizen in de diepe tijd. Uit het Engels vertaald door Nico Groen en Jan Willem Reitsma. Athenaeum Polak & Van Gennep; 508 pagina’s; € 27,50, Verschijnt 14 mei.

CV Robert Macfarlane

1976 Geboren in Oxford (15 augustus)
1994-2003 Studie en PhD Engelse literatuur, Cambridge en Oxford
2002 Fellow, Cambridge (Emmanuel College)
2007 The Wild Places (De Laatste Wildernis)
2012 The Old Ways. A Journey of Foot (De Oude Wegen)
2019 Underland. A Deep Time Journey (Benedenwereld)

. . . 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>
 

Hennep groeit snel, heeft weinig water en geen pesticiden nodig. Zelfs Trump en Erdogan zijn fan en stimuleren de teelt. Maar nog steeds is katoen koning in de kledingindustrie. Waarom laat die doorbraak zo lang op zich wachten?

De henneprevolutie is ontketend. Nu moet de kledingindustrie er nog aan

Correspondent Kleding

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor De Correspondent ging fotograaf Anoek Steketee langs bij het bedrijf Stexfibers, waar de mogelijkheden van hennepvezels voor een alternatieve textielproductie worden getest.

Het is de onontdekte superfood van de kledingindustrie: hennep.

Het groeit als kool, voor de teelt zijn geen chemische bestrijdingsmiddelen nodig en door de diepe, fijne wortels houdt het gewas de bodem gezond. En dan is hennep ook nog eens beresterk, ga je er niet snel in stinken en houdt het perfect z’n vorm.

Correspondent-leden hoef ik niet te overtuigen. Hennep wordt onder mijn artikelen steevast de hemel in geprezen.

Ook op duurzame modeblogs wordt hennepkleding al jaren geroemd vanwege de superieure eigenschappen en ecologische voordelen. En afgelopen winter kocht ik zelf nog een super warme hennepjas van het merk met de belofte dat het ‘een van de meest milieuvriendelijke stoffen in de wereld is’.

En nee, ik heb het niet over de soort waar je dikke takken of vadsige jonko’s van draait. Vezelhennep, daar waar je kleding van maakt, bevat namelijk de stof waar je high van wordt.

Katoen vervangen voor de vezelgroep waar hennep toe behoort, zou de milieu-impact aanzienlijk kunnen verminderen, is te lezen in

En er is nog meer goed nieuws: de teelt van industriële hennep is wereldwijd bezig aan een opmars.

Het slechte nieuws is alleen: voor Ben Ratelband komt die opleving waarschijnlijk net even te laat.

De droogruimte van Stexfibers, waar hennepvezels worden gedroogd nadat ze uit de testinstallatie komen. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)
De droogruimte van Stexfibers, waar hennepvezels worden gedroogd nadat ze uit de testinstallatie komen. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)

Wat een Turkse delegatie bij een hennepondernemer doet

Wie meer wil weten over hennepkleding, komt al snel uit bij de 62-jarige Ben Ratelband. Met zijn bedrijfje StexFibers is hij al zes jaar bezig met de ontwikkeling van een mooie en duurzame hennepvezel voor de mode-industrie.

Ik ben dan ook niet de eerste die hem belde over zijn expertise. Een paar weken geleden had hij nog een delegatie vanuit Turkije over de vloer. Dat had alles te maken met de speech van president Erdogan waarin hij zijn landgenoten had opgeroepen om op grote schaal hennep te telen. Met nostalgie vertelde de Turkse president over de stad Rize waar hij opgroeide, waar zijn moeder stoffen weefde van hennep, tassen maakte van hennep en waar atleten rondrenden in kledij van hennep (hennep zweet lekker, schijnt).

‘Ik heb niks met het gedachtegoed van Erdogan, maar dit vond ik een mooie zet’

De islamitische krant Dirilis Postani publiceerde niet veel later een aan hennep: ‘Cannabisproductie, een zaak van nationaal belang’. Van energievoorziening tot textielindustrie, iedereen was gebaat bij de teelt van dit groene goud.

Ratelband moet er nog om grinniken. ‘Ik heb niks met het gedachtegoed van Erdogan, maar dit vond ik een mooie zet.’

Wat zijn de mogelijkheden van hennep?

Als ik Ratelband opzoek in zijn kantoor, gevestigd op een industrieterrein ergens aan de rand van Arnhem, knalt een poster met twee enorme hennepplanten met op de achtergrond een gigantisch dollarteken me tegemoet. Het bureau ligt vol zakjes gedroogde cannabis. Niet het lichtgroene, sterk ruikende spul dat ik ken uit de coffeeshop, maar eerder het dorre, bruine zaagsel waarmee ik vroeger de caviakooi bekleedde.

Achter dat bureau zit Ratelband zelf, bien cuit gebruind, haren in een scheiding naar achter gekamd en gehuld in geruite blouse. Van hennep? Nee.

Dat uitgerekend hij de man achter de hennepkleding is, is gerust opmerkelijk te noemen. Hij is meer ondernemer dan modeman. Zo werkte hij jaren als bedrijfseconoom, runde hij tien jaar lang een likeurfabriek op Curaçao, werkte hij voor de Cubaanse sigarenindustrie, was hij eigenaar van een restaurant en hield hij zich bezig met de ontwikkeling van een zonneboiler.

Tot hij in 2013 las over een experiment met henneptextiel.

Twee landbouwkundig ingenieurs van de Wageningen Universiteit waren in 2005 een project gestart genaamd Stextile. Het doel: een nieuwe methode ontwikkelen om hennepvezels, zonder gebruik van water of giftige stoffen, om te zetten naar een substantie die gesponnen kan worden zoals katoen. Want de katoenteelt, zo was in de jaren ervoor wel duidelijk geworden, had vanwege het grote gebruik van pesticiden en het feit dat het gewas veelal in droge gebieden groeit, waar water schaars is, grote

Verschillende partijen in Duitsland en Nederland deden mee aan het project en zowel de Europese Unie als de Nederlandse overheid stopten er geld in. Maar acht jaar later werd Stextile opgedoekt.

De industrie zou de methode door moeten ontwikkelen maar was te huiverig, evenals potentiële afnemers. Het zou te duur worden, luidde de verklaring in

Zonde, dacht Ratelband, toen hij het las. Het idee om van die vezeltjes textiel te maken vond hij prachtig. Hij zag de potentie en dacht dat hij als ondernemer wel iets kon betekenen. ‘Ik had het idee dat ze te vroeg waren, en dat de industrie toen [in 2013] wél openstond voor duurzame alternatieven’, zegt Ratelband.

Het bureau van Ratelband met proefzakjes gedroogde hennep in het kantoor van Stexfibers. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)
Het bureau van Ratelband met proefzakjes gedroogde hennep in het kantoor van Stexfibers. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)

Waarom lopen we niet meer in hennepstof?

Dat zowel Ratelband als Erdogan mogelijkheden zien van het gewas, is niet zo vreemd. Al 4500 jaar geleden kleedden Chinezen zich in hennepkleding, werden de zeilen en touwen van de eerste schepen die de wereld over voeren geweven en gevlochten van hennepvezels en schilderde kunstenaars tot in de 19e eeuw hun werken op cannabis.

Maar waarom wordt het nu zo weinig gebruikt? De reden dat hennep uit onze maatschappij en daarmee uit onze kast verdween had te maken met de import van goedkopere katoenen stoffen uit de koloniën en de uitvinding van de eerste kunstvezels.

De drugswetgeving in West-Europa en de Verenigde Staten, die vlak na de Tweede Wereldoorlog werd ingevoerd, betekende uiteindelijk het einde van de industriële hennepteelt. Hennep stond niet langer bekend als het ijzersterke materiaal waar je uitstekend kleding van kon maken, maar als de harddrug waar mensen verslaafd aan kunnen raken.

Hennep stond niet langer bekend als het ijzersterke materiaal waar je uitstekend kleding van kon maken, maar als gevaarlijke harddrug

Inmiddels is dat weer aan het veranderen, en heffen steeds meer landen het verbod op de teelt Ze zien in: hennep is duurzaam, veelzijdig en lucratief. Zo kunnen de zaden worden gebruikt voor de productie van en schoonheidsproducten, de bastvezel voor isolatiemateriaal en textiel en de houtdelen voor bouwmateriaal.

Ook hier in Nederland, in Oude Pekela in Groningen, wordt sinds 1994 weer grootschalig hennep geteeld door het bedrijf Dun Agro. Vooralsnog wordt de hennepvezel die zij produceren geleverd als grondstof voor verdere verwerking in de papierindustrie, isolatie -en automobielindustrie.

Geen kleding dus. Want goede, kwalitatieve kleding maken van hennep, schijnt nogal een dingetje te zijn.

Hennepproducent Dun Agro levert de vezels aan Stexfibers. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)
Hennepproducent Dun Agro levert de vezels aan Stexfibers. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)

Alles wees op een succesverhaal

Dat hoef je Ratelband niet te vertellen. Een van de ingenieurs waarover hij had gelezen, Romke de Vries, was wel bereid het nog een kans te geven. In 2013 richtte Ratelband met zijn hulp het bedrijf StexFibers op.

Alles wees erop dat het een succesverhaal zou gaan worden.

De techniek om de hennepvezels te bewerken was al bedacht door de twee ingenieurs, en de proefinstallatie al gebouwd. En het idee – om de hennepindustrie nieuw leven in te blazen en er kleding van te maken – kon rekenen op veel media-aandacht.

Van de gemeente Arnhem en Stichting Doen kregen ze subsidie en ze wonnen verschillende

In een interview in 2014 liet Ratelband nog blijken dat niks een verdere uitbouw nog in de weg stond, dat investeerders klaarstonden en blikte hij vooruit dat in de fabriek in Arnhem zo’n twintig mensen zouden komen te werken. ‘Tenzij het idee explodeert, want dat kan óók. Dan wordt het allemaal nog veel groter’, voegde hij er nog aan toe.

De vraag was niet zo zeer of het zou lukken, maar hoe groot het zou worden.

Het verhaal klonk bekend in de oren. groeide hier in Nederland, ook voor de teelt van dit gewas waren nauwelijks bestrijdingsmiddelen nodig, ook deze ondernemer (Bob Crébas) kreeg veel media-aandacht en ook hij had een machine om de vezels te verwerken om er kleding van te maken.

Maar na acht jaar en een investering van een paar miljoen euro, gooide Crébas uiteindelijk de handdoek in de ring.

De testinstallatie van Stexfibers. Ruwe vezels worden met stoom onder hoge druk gezet en opgelost in een natuurlijk plakmiddel. Door druk weg te laten vallen, ontstaat er een explosie en wordt de vezel verfijnd. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)
De testinstallatie van Stexfibers. Ruwe vezels worden met stoom onder hoge druk gezet en opgelost in een natuurlijk plakmiddel. Door druk weg te laten vallen, ontstaat er een explosie en wordt de vezel verfijnd. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)

Alles is katoen

De problemen met hennep waar Ratelband tegenaan loopt, lijken verdacht veel op de problemen van brandneteltextiel.

De hennepvezels, die Ratelband met zijn machine op basis van verwerkt, voldoen vooralsnog niet aan de eisen van de industrie. Zo hebben de vezels nog niet dezelfde zachtheid en fijnheid van katoen en moeten de vezels van een bepaalde lengte en dikte zijn, willen ze bij spinnerijen en weverijen op de machines passen.

Dat maakt het zo moeilijk om met een nieuwe vezel, of dit nu hennep of brandnetel is, op de markt te komen: de hele sector is ingericht op de verwerking van katoen. Bijna alle machines zijn afgesteld op die ene vezel. ‘En zie maar eens iemand te vinden die bereid is alle instellingen van zijn of haar machine aan te passen, als dat überhaupt al mogelijk is, voor een paar balen cannabis’, zegt Ratelband.

‘Zie maar eens iemand te vinden die bereid is alle machine-instellingen aan te passen voor een paar balen cannabis’

De hennepvezel zo verwerken dat die precies lijkt op die van katoen, en zonder aanpassing van de machines verwerkt kan worden, is hem vooralsnog niet gelukt.

En dan is hennep, net als brandnetel, ook nog eens een stuk duurder – uiteenlopend van zo’n twee tot vijf keer zoveel.

Een partij die kan helpen opschalen en de ontwikkeling van de vezel een nieuwe impuls kan geven, het liefst een vanuit de industrie zelf (‘Want die snappen de complexiteit van de keten’). Maar in de zes jaar dat hij hier nu mee bezig is, heeft niemand zich nog gemeld.

Hennepvezels uit de testinstallatie liggen te drogen in de droogruimte. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)
Hennepvezels uit de testinstallatie liggen te drogen in de droogruimte. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)

Exclusieve hennep van Armani en Burberry

Toch houdt Ratelband de moed erin. Ten opzichte van brandnetel heeft hennep een aantal grote voordelen.

Om te beginnen levert de hennepplant vanaf jaar één vezels, terwijl de brandnetel pas na twee tot drie jaar geoogst kan worden.

Ten tweede zijn er al een aantal grote kledingmerken die cannabis in hun collecties gebruiken. Outdoormerk Patagonia gebruikt het gewas al jaren als duurzaam alternatief Evenals Levi’s. En ook high-end modemerken als Armani en Burberry hebben de vezel ontdekt en verwerken het in een aantal van hun producten.

Volgens Luisa Trindade, hoogleraar plantenveredeling aan de Wageningen Universiteit, die al jaren betrokken is bij een project rondom cannabis, zijn de natuurlijke eigenschappen van hennep dan ook heel geschikt voor kleding. ‘Als je kijkt naar stof van hennep, zie je dat het stugger is, maar dat het wel meer water absorbeert wat betekent dat je er minder snel in zweet.’

En als laatste staat Ratelband er niet alleen voor. Verschillende organisaties in Europa zijn net als hij bezig met de ontwikkeling van henneptextiel. een Nederlands bedrijf dat vezelhennep teelt en verwerkt, is er daar een van. ‘Nu leveren we alleen nog kleine hoeveelheden voor proeven en onderzoeken. Maar in de toekomst willen we zeker gaan leveren voor de kledingindustrie. Er is veel vraag naar hennep vanwege de milieuvoordelen’, vertelt Linde Snijders, zakelijk manager bij Hempflax.

Verschillende stadia in het productieproces. Bij bovenstaande testjes wordt katoen toegevoegd aan de hennep om de stof soepel te maken. Deze stof bevat circa 40% hennep. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)
Verschillende stadia in het productieproces. Bij bovenstaande testjes wordt katoen toegevoegd aan de hennep om de stof soepel te maken. Deze stof bevat circa 40% hennep. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)

Waarom is hennep zo duur?

En als het Ratelband niet lukt, dan betekent dit nog niet dat hennepkleding ten dode is opgeschreven. Het betekent waarschijnlijk wel dat onze hennepkleding niet van de boer uit Groningen zal komen, maar van de henneptelers

China is namelijk het hart van de hennepteelt wereldwijd. Anders dan hier in Europa heeft de teelt in dit deel van de wereld en zijn de spinnerijen en weverijen zoals in Nederland en een groot deel van Europa het geval is.

Dit is dan ook de reden dat de hennep uit mijn winterjas uit Noord-China en niet uit Europa komt, zo laat Caroline Bardaux, medewerker van Hoodlamb weten. ‘Nergens vind je dezelfde faciliteiten, kennis en vakmanschap voor het verwerken van dit gewas tot stof’, zegt ze.

Waarom het de Chinezen wel lukt geschikte vezeltjes te verkrijgen en Ratelband niet, heeft naast de ontwikkelingen, met nog iets te maken: de manier waarop ze in China de hennep verwerken. Zo worden de vezels handmatig uit de hennepstelen verwijderd en van elkaar los gekamd, waardoor ze minder snel beschadigen. Ratelband: ‘Die methode is heel kostbaar. Als je hier in Europa wil produceren en kunnen concurreren moet het wel machinaal.’

Maar waarom zou je überhaupt hier in Nederland willen telen en verwerken, als de hennepvezels gewoon voor het oprapen liggen in China?

Volgens Snijders van Hempflax zijn de Chinese hennepgaren wel veel beter, maar is het onduidelijk hoe ze aan die zachte garens komen. ‘Is dit bereikt via een natuurlijk proces of zijn er chemische toevoegingen gedaan?’ En, voegt ze eraan toe, dan is het niet eens duidelijk hoe het zit met de arbeidsomstandigheden.

Volgens haar willen mensen zekerheid en openheid over het doorlopen proces, en kiezen ze er daarom eerder voor om samen te werken met een bedrijf in Europa.

Als zelfs Trump hennep steunt…

Dat biedt kansen voor Ratelband. Maar het is de vraag of hij het uit kan zingen tot de te verwachten doorbraak. Na een investering van een miljoen euro en na zes jaar lief en leed in de groene wondervezel te hebben gestopt, begint zijn geduld langzamerhand op te raken. ‘Mijn voorgangers waren te vroeg, maar misschien ben ik ook wel te vroeg.’

Misschien heeft hij gelijk. Maar ik zal er niet gek van opkijken als we de komende jaren meer en meer hennep in de kledingrekken zullen tegenkomen. Zelfs in India, het grootste katoenproducerende land ter wereld, gaan nu stemmen op om hennep En het Amerikaanse merk Levi’s bracht onlangs het nieuws naar buiten dat het nu hennep met katoen kan mengen zonder dat het iets afdoet aan de zachtheid van Levi’s verwacht dat textiel van 100 procent hennep over vijf jaar zo is doorontwikkeld dat het aan kan voelen als katoen.

En een jaar geleden ondertekende president Trump de Farm Bill 2018, waarmee de teelt van het gewas nu weer gelegaliseerd is Niet geheel toevallig bracht Patagonia onlangs naar buiten waarin hennepboeren aan het woord komen en vertellen over de veelzijdigheid van de plant, met als doel het negatieve imago rondom cannabis weg te nemen.

En Ratelband? Hij heeft zichzelf een ultimatum gegeven: als hij voor het eind van het jaar geen partner weet te vinden, dan stopt hij ermee. ‘Uiteindelijk zal iemand anders het wel weer oppakken. Maar ik zou het graag zelf doen.’

Verschillende testgarens van hennep en katoen. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)
Verschillende testgarens van hennep en katoen. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)

 

. . . 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

. . . 

‘Circulair bouwen is uiteindelijk goedkoper’

'Circulair bouwen is uiteindelijk goedkoper'

De transitieagenda Circulaire Bouweconomie stelt een duidelijk doel: uiterlijk in 2050 moet de gebouwde leefomgeving in Nederland circulair zijn. De nadruk ligt hierbij op het hoogwaardige hergebruik van materialen in de bouwsector. Een grote ambitie, maar dat er veel mogelijk is, bewijzen woningbouwcorporatie Woonbedrijf uit Eindhoven, sloopbedrijf A. van Liempd en afvalverwerker Baetsen Recycling BV. Samen zetten zij grote stappen in het rond maken van de circulaire cirkel.

Dit jaar tekenden de drie partijen een samenwerkingsovereenkomst. Doel: zoveel mogelijk waarde toevoegen aan bouwmaterialen die vrijkomen bij sloop, renovatie of onderhoud en zo de circulaire bouwcirkel rondmaken. Barthel van Dinther (sloopbedrijf A. van Liempd), Michiel Weers (Woonbedrijf uit Eindhoven) en Thijs Paré (Baetsen Recycling BV) vertellen.

Hoe het begon

Rond 2008 drong het besef bij Woonbedrijf uit Eindhoven door dat de oude lineaire werkwijze niet langer houdbaar is. Het hele bedrijf werd tegen het licht gehouden en er werd gekeken waar er verduurzaamd kon en moest worden. Zo kwamen ze uiteindelijk op een duurzaamheidsbeleid met vier focuspunten. Een van de thema’s werd ‘gesloten kringlopen’.

Eigenlijk wordt er dubbel onduurzaam gebouwd, ontdekte Woonbedrijf. Aan de voorkant, bij de bouw van een complex, wordt een groot beroep gedaan op allerlei bouwmaterialen die uit uitputtelijke grondstoffen bestaan. Dan staat dat complex er minimaal 50 jaar, en is het klaar voor de sloop. Sloop betekent weer extreem veel afval, alles op een grote hoop en dan wordt het verbrand of in de grond gestopt. Geen houdbare situatie vindt Michiel Weers, hoofd bouwservice en facilitator duurzaamheid. “Daarom hebben we als doel om in 10 jaar volledig circulair te bouwen, onderhouden en slopen.”

In een eerder stadium probeerde Woonbedrijf het zelf. Bij een onderhoudsopgave van een groot complex werden honderden kozijnen vervangen. Maar probeer die oude kozijnen daarna maar weer eens te verkopen. Geen makkelijke opgave, zo ontdekte Woonbedrijf. De kozijnen bleven ongebruikt in een loods liggen. “Circulair slopen is toch een heel andere business dan onze kerntaak: in voldoende en betaalbare woningen voorzien. Maar, dat je het niet alleen kunt, mag nooit een reden zijn om je doelstelling niet te halen”, vindt Weers. En zo zocht Woonbedrijf de samenwerking met A. van Liempd sloopbedrijven – een partij die met dochteronderneming www.gebruiktebouwmaterialen.com al ruime ervaring had met hoogwaardig hergebruik van bouwmaterialen.

“Onze slogan zegt het helemaal”, vindt Barthel van Dinther, commercieel manager. “Hoe die luidt? Wij slopen niet, wij delven nieuwe grondstoffen.” Niet alles kan 1 op 1 worden hergebruikt. Wat overblijft, gaat in een container naar Baetsen Recycling. Hier wordt het bouw- en sloopafval gesorteerd in 16 soorten opnieuw bruikbare grondstoffen. Plastic, metalen, hout – voor alles zoekt Baetsen een hoogwaardige manier van hergebruiken. Thijs Paré, projectmanager circulair: “Wij zoeken voor alles een nieuwe bestemming, het liefst met dezelfde of een hoogwaardiger functie. Dus, beton blijft beton. Dat is circulair.” De doelstelling is nu: 20% hoogwaardig direct hergebruik via A.van Liempd, en 80% indirect via Baetsen Recycling.

“Maar”, zo vertelt Paré, “het is een volledig nieuwe manier van werken. Dus of 80/20 een haalbare verdeling is of dat het 70/30 gaat worden, daar komen we gaandeweg achter. Als je maar begint en jezelf meetbare doelstellingen oplegt.”

Een gouden samenwerking

Gedrieën zoeken ze in eerste instantie naar hoogwaardig hergebruik van materialen binnen projecten van Woonbedrijf. Lukt dat niet, dan wordt gekeken naar extern hergebruik. Een gouden samenwerking, zo blijkt nu. De jarenlange kennis en ervaring in circulair slopen plus de uitgebreide marktkennis bij A. van Liempd, helpt Woonbedrijf bij het zoveel mogelijk hergebruiken van bouwmateriaal. De eerste bevestiging kwam al snel: Van Dinther vond wél partijen voor de kozijnen van Woonbedrijf die nog in de loods lagen en zo toch een tweede leven kregen.

'Circulair bouwen is uiteindelijk goedkoper'

Met trots vertellen ze over een ander project. Hierbij worden 93 houten VELUX-dakramen, gemaakt van reclaimed hout, geplaatst in sociale huurwoningen van Woonbedrijf. Het hout voor deze dakramen is door A. van Liempd ontgonnen uit 100 jaar oude woningen in de Rotterdamse wijk Spangen. En het vinden van een afnemer was door de samenwerking met Woonbedrijf geen probleem. “Super-circulair”, zeggen de drie. “Niet alleen worden grondstoffen hergebruikt, we verlengen de CO2-opslag in het hout ook nog eens met 30 tot 40 jaar.”

Leren van elkaar

De samenwerking kan niet beter. Woonbedrijf bezit zo’n 30.000 woningen, dit biedt enorme kansen om bouwproducten opnieuw in te zetten. Van Dinther: “Door onze samenwerking leert Woonbedrijf welke producten ze wel en niet circulair kunnen inzetten. En wij weten welke nieuwbouw- en renovatieprojecten er gaan spelen. Zo kunnen we in een heel vroeg stadium al vraag en aanbod matchen.”

Ook Paré benadrukt de voordelen van de samenwerking: “Toch gek dat de bouwer geen idee heeft waar de sloper of verwerker mee bezig is. Terwijl dat juist essentieel is als we circulair willen zijn. We willen écht naar nul verbranding van sloopafval. Aan elkaar gelijmde producten, daar kunnen wij niks meer mee. Wij zitten aan het einde van de bouwcirkel en zien dit onbruikbare afval binnenkomen.

Deze kennis moet gedeeld worden, zodat ontwerpers en bouwers daar bij het ontwerp al rekening mee houden. Geen klassieke opdrachtgever-klantrelatie, maar écht samenwerken aan innovatie in de circulaire bouweconomie.”

'Circulair bouwen is uiteindelijk goedkoper'

Circulair is business

Hoewel de samenwerking vooral uit idealisme begon, blijkt het voor alle partijen ook gewoon goede business te zijn. “Eigenlijk heel logisch. In een lineair bouwproces koop je bouwmateriaal, betaal je voor de sloop en koop je weer nieuw bouwmateriaal. Wat wij doen, is waarde toevoegen aan afgeschreven materiaal, dus circulair bouwen is uiteindelijk goedkoper”, vertelt Van Dinther.

En dat is goed nieuws voor alle woningbouwcorporaties. Als de circulaire markt groeit, betekent dit dat bestaande vastgoedcomplexen op een heel andere manier geld waard worden. “Eigenlijk heel goed nieuws voor krimpregio’s”, zegt Van Dinther bij wijze van grap.

Nieuwe manier van denken

Er zit een serieuze ondertoon in die grap, legt Van Dinther verder uit. “Circulair bouwen betekent namelijk radicaal anders denken dan in een lineair (en vervuilend) bouwproces. En de grote uitdaging is om iedereen in de bouwcirkel mee te krijgen in dit proces. En dat zal even wennen zijn. Zo is bijvoorbeeld ook de architect een belangrijk onderdeel van de bouwcirkel. ‘Wij geven aan welke materialen en producten de basis vormen van het nieuwe ontwerp. Aan de architect om zijn creativiteit te gebruiken en die materialen toe te passen in het nieuwe ontwerp.”

Dat circulair denken nog niet overal is doorgedrongen, merkt ook Michiel Weers van Woonbedrijf. “De eerste reactie is nog vaak: ‘Daar zit een bewoner toch helemaal niet op te wachten, onze huurders willen geen gebruikte materialen.” Eigenlijk toch een gekke aanname? “We vervangen ook niet elke wc als er iemand verhuist.” Het roept de vraag op: betaalt de huurder voor een nieuwe wc? Of voor ‘het recht op een wc’?’ En dat geldt natuurlijk voor alle hergebruikte materialen.

Het begint bij bewustzijn

We moeten ons geen illusies maken, vinden Paré, Van Dinther en Weers, 100% circulair bouwen is écht nog heel ver weg. Maar, het begint allemaal met de wil om te verduurzamen én inzicht in je processen en materialen. Begin als woningbouwcorporatie met haalbare doelstellingen, zegt Weers. “Neem bijvoorbeeld 20% circulair als doelstelling. Maar bedenk dan ook wat je in een later stadium met die andere 80% kunt doen. Daarbij helpen dit soort samenwerkingen enorm.”

Tekst: Guus Frenay, Beeld: Jasper Scheffers, jasperscheffers.nl

 

. . . 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

. . . 

 

 

Nieuws    

Transitie naar kringlooplandbouw; hoe gaan we dat doen?

Transitie naar kringlooplandbouw; hoe gaan we dat doen?

Gepubliceerd op  18 april 2019

In september lanceerde minister Carola Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de visie “Landbouw, natuur en voedsel: waardevol en verbonden”. Om uitdagingen als bodemuitputting, verlies aan biodiversiteit en het klimaatakkoord het hoofd te bieden kiest de minister voor een transitie naar kringlooplandbouw in 2030.

Verandering is hard nodig, maar het is nog onbekend hoe die er uiteindelijk uit zal zien. Het concept ‘kringlooplandbouw’ is volop in ontwikkeling. Ook al is er enthousiasme over het concept, de implementatie zal onvermijdelijk leiden tot nieuwe inzichten en nieuwe spanningen met bestaande overtuigingen, regels, financiële modellen, technologieën en samenwerkingen.

Op verzoek van de Tweede Kamercommissie van LNV stelde Katrien Termeer, hoogleraar bestuurskunde van Wageningen University & Research een expertpaper op. Op basis van theorieën over transities en inzichten in het landbouwbeleidssysteem schetst ze hoe de overheid de omslag naar kringlooplandbouw kan bewerkstelligen. De paper belicht onder meer de specifieke kenmerken van deze transitie en gaat in op vragen als: zijn transities te sturen en wat is de rol en betekenis van de overheid in dit proces? Welke samenhangende interventies kunnen de transitie naar kringlooplandbouw bevorderen? En wat is een geschikte vorm van bestuur voor deze transitie?

Op 17 april 2019 presenteerde Termeer deze expertpaper voor de vaste kamercommissie in aanwezigheid van prof. dr. ir. Jan Rotmans (Erasmus Universiteit) en prof dr. John Grin (Universiteit van Amsterdam).

. . . 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

. . . 

Van het gas af met een elektrische ketel:

‘Stekker erin en klaar’

Nederland moet straks verder zonder gas. Maar wat doe je in een flatgebouw waar je met een warmtepomp geen kant op kunt? Mar Aalders denkt de oplossing te hebben. ‘Stekker erin en klaar.’

Gerard Reijn

Mar Aalders bij de elektrische ketel in zijn appartement in Middelburg. ©INFO@RAYMONDRUTTING.COM

In Middelburg gaat een flatgebouw met 51 woningen grotendeels van het gas af. Maar er hoeft niet te worden gebroken en verbouwd, er komt geen vloerverwarming, geen warmtepompen aan de gevel, het gebouw wordt niet tot in het extreme geïsoleerd. Van een grote ingreep is geen sprake. Integendeel, zegt Mar Aalders, de eerste die de nieuwe verwarming liet installeren. ‘De installateur haalt de oude gasketel weg, hangt er een elektrische voor in de plaats, stekker erin en klaar.’

Vanaf zijn balkon op de vierde verdieping kijkt hij uit over de plezierjachten in de Fittinghaven, en boven de daken verderop ziet hij de Lange Jan staan. Dertig jaar staat de flat nu op deze prachtige plek. Vrijwel iedereen hier warmt zich nu bij de tweede verwarmingsketel, en ook die is nodig aan vervanging toe.

Drie jaar geleden begaf de pomp van Aalders’ oude ketel het, en toen moest hij snel handelen. Hij wilde al van het gas af, want dat voelde deze tachtiger zich aan zijn kleinkinderen verplicht. Een warmtepomp? Geen denken aan. ‘Je moet er toch niet aan denken dat aan al die 51 woningen straks zo’n ding hangt dat 42 decibel produceert. Niemand slaapt meer!’ Bovendien: de Fittinghaven is beschermd stadsgezicht, en daar mogen aan de gevel geen ventilatoren hangen. Alternatieven vielen af, zoals infraroodverwarming op de vloer omdat daarvoor te veel gebroken moest worden, en stadsverwarming omdat er in geen velden of wegen een warmtebron beschikbaar is.

Maar hoe kwam hij op het idee van de elektrische ketel? ‘Mijn zoon vaart op de binnenvaart. Ik ga af en toen met hem mee. Op zo’n schip heb je geen gas, dus draait de verwarming er op stroom.’

Lekker warm

Na drie jaar kan Aalders er nog geen nadeel aan ontdekken. Zijn vrouw Lenie ook niet. ‘Het is hier lekker warm’, zegt ze tevreden. ‘En ik heb nu meer warm water dan met de oude cv-ketel. En sneller.’

Hij is niet goedkoper in gebruik dan gas, dat wil Aalders niet beweren, ‘nog niet’. ‘Ik betaalde vroeger 100 euro per maand aan energie, en nu ook.’ Hij spaart een paar honderd euro uit omdat onderhoud niet nodig is, en omdat hij geen vastrecht voor gas hoeft te betalen. En hij had het geluk dat zijn oude koelkast en wasdroger het begaven: nu heeft hij superzuinige aangeschaft. Op termijn, denkt hij, wordt zijn elektrische verwarming zelfs goedkoper dan de oude gasketel, ‘want gas zal de komende jaren steeds duurder worden’.

Een belangrijke overweging om voor elektrisch te kiezen, was dat er geen verbouwingen nodig zijn. De grootste ingreep was een aanpassing aan de stoppenkast. Zo moest er krachtstroom worden aangelegd.

Rookgaskanalen

Het is nog niet zeker dat alle bewoners overstappen op Aalders’ oplossing, maar een goede reden hebben ze wel. De rookgaskanalen in al hun woningen zijn nog net goed genoeg voor de ouderwetse verbeterd-rendementsketel, maar niet voor een moderne hoogrendementsketel. Wie zo’n ketel wil plaatsen, moet het rookkanaal laten uitbreken en een nieuwe laten maken. Dat kost 2.000 euro per woning. Normaal gesproken zou de vereniging van eigenaren (VVE) zoiets betalen, maar die heeft besloten dat niet te doen. En dus, denkt secretaris Paul Aarssen van de VVE, zullen de meeste bewoners uitkomen op elektrisch.

Rob Hamers van VVE Advies, een adviesbureau met 2.500 verenigingen van eigenaren als klant, is enthousiast over de oplossing van Aalders en zijn buren. Juist vanwege dat probleem met het rookgaskanaal. ‘Ik denk dat dit voor veel bewoners van oudere flats een uitkomst zal zijn. Ik krijg nu al elke week aanvragen binnen van vve’s die informatie willen over de elektrische ketel.’ Maar, zegt hij, er is natuurlijk geen enkele reden waarom dit alleen een oplossing zou zijn voor vve’s.

Financieel zijn er plussen en minnen. Elektrische ketels zijn goedkoper te installeren, zegt Hamers. ‘Maar in het gebruik zal een moderne gasketel weer 10 procent goedkoper zijn dan een elektrische.’

Nog wel. Want gas wordt duurder, en zal de komende jaren steeds duurder worden. Elektriciteit, zo heeft de regering beloofd, wordt goedkoper. En dus wordt de elektrische ketel langzamerhand relatief steeds goedkoper. ‘Daar komt bij dat je geen onderhoud hebt, en dat de verzekering vaak wat goedkoper kan worden.’

André la Grand, importeur van elektrische verwarmingsapparaten, ziet de markt voor elektrische ketels snel groeien. Tot twee jaar terug verkocht hij er voor woningen enkele tientallen per jaar, bijvoorbeeld aan boeren die geen gasaansluiting hebben. ‘Ze installeerden het apparaat meestal zelf’, zegt hij. Inmiddels verkoopt hij er enkele honderden per jaar. De afgelopen maanden kreeg hij informatievragen van zeker duizend bewoners van flatgebouwen, ‘vooral sinds besloten is dat Nederland van het gas af moet’. Maar niet alleen in flatgebouwen en afgelegen woningen zijn zijn elektrische apparaten plotseling interessant. ‘Er zijn ook veel mensen in een eensgezinswoning die veel zonnepanelen hebben. Die hebben stroom over. Voor hen is dit ook een goede oplossing.’

Jan Roelof Hoving van de Vereniging Eigen Huis kent de elektrische verwarming wel. ‘In andere landen worden ze vaak gebruikt, maar Nederland is verwend met veel en goedkoop gas. Dus hier is die elektrische verwarming relatief duur.’ Een kuub gas kost 80 cent. Dezelfde hoeveelheid warmte uit een elektrische ketel kost 1,98 euro, zo rekent hij voor. Die andere vorm van elektrische verwarming, de warmtepomp, is 4- tot 5 maal efficiënter en is daarom wel concurrerend met gas. ‘Maar dan moet je woning wel heel goed geïsoleerd zijn, op het niveau van de huidige nieuwbouw.’ En isoleren, dat is vaak een dure ingreep. Bovendien is de warmtepomp door het geluid dat hij maakt niet overal een goede oplossing.

Netbeheerders

Voor de netbeheerders heeft de elektrische ketel wel een nadeel. Het kan de zoveelste aanslag worden op hun broze netwerk. Stroomnetwerken blijken al niet opgewassen tegen het wispelturige stroomaanbod van wind- en zonneparken, die bij mooi zeilweer maximaal stroom produceren om vervolgens in windstille nachten helemaal niets te leveren. En nu dreigen ook nog flatgebouwen veel meer stroom te gaan vragen. En wie weet niet alleen flatgebouwen.

De standaardaansluiting voor elektra in een woning is goed voor drie maal 25 ampère, maar in een gewoon huishouden wordt vrijwel nooit zoveel stroom gevraagd. Ook niet als de wasmachine en de waterketel en het broodrooster tegelijk aan staan. Maar als de verwarming op stroom gaat, dan moet die 25 ampère vaak echt geleverd worden.

De Zeeuwse netbeheerder Enduris laat weten dat een paar woningen in een flat in Middelburg geen probleem zijn. ‘Maar als de hele flat overstapt op elektrische verwarming, dan moeten we de aanvoerlijn verzwaren. En als dit een populaire manier van verwarmen wordt, zullen we stukken van ons netwerk moeten verzwaren.’ Wat dat zou kosten? ‘Dat weten we niet’, zegt de woordvoerder.

. . . 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

. . . 

 


. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

Ware Winst :

Gemene Goed Economie als Wegwijzer

Ware Winst : Gemene Goed Economie als WegwijzerChristian Felber schreef in 2010 het boek ‘Die Gemeinwohl-Ökonomie”. In 2017 werd het door Uitgeverij Jan van Arkel vertaald als ‘Ware Winst : Gemene Goed Economie als Wegwijzer’. Het voorstel van de Oostenrijkse politicoloog Christian Felber, die les geeft aan een economisch instituut in Wenen, is om met bedrijven en instellingen (zoals gemeenten) bewust meer waarden te creëren dan geld, met name op ecologisch en sociaal gebied.

Common Good Balance

Voor het creëren van waarden anders dan geld heeft Christian Felber de Common Good Balance als hulpmiddel/instrument ontwikkeld. Hiermee kunnen bedrijven kijken hoe zij omgaan met de aspecten menselijke waardigheid, solidariteit en sociale rechtvaardigheid, ecologie en transparantie in relatie met hun leveranciers, financiers, werknemers, klanten en ook hun maatschappelijke omgeving. Daarbij zijn bijvoorbeeld punten te verdienen bij vergaande samenwerking met klanten en leveranciers, maar natuurlijk ook voor het beperken van vervuilende uitstoot en afval.

Uiteindelijk leidt de balans tot een score die aangeeft hoe goed een bedrijf maatschappelijk verantwoord bezig is. Voor het bedrijf is het een middel om te kijken op welke aspecten zij zich vervolgens verder willen ontwikkelen, en voor stakeholders is het bijvoorbeeld een leidraad bij een leveranciers-selectie. Gemeenten zouden bijvoorbeeld op basis hiervan bedrijven met een bepaalde score op de Common Good Balance extra punten of zelfs voorrang kunnen geven in een aanbestedingsprocedure. Omdat deze bedrijven positief bijdragen aan maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn zij pareltjes van bedrijvigheid in de gemeente waar zij zitten.

Economy for the Common Good

In Brabant is in 2018 een werkgroep ‘Ware Winst Brabant’ gestart. Voor meer informatie over de werkgroep kun je contact opnemen met de secretaris van ‘Ware Winst Brabant’ Frans Maas, info@warewinstbrabant.nl.

Of neem eens een kijkje op de website van de Nederlandse organisatie van de ECG, https://www.ecogood.org/nl/community/.  Op deze pagina een korte uitleg en een zeer informatief filmpje. Wellicht kun je in jouw omgeving ook medestanders, en vervolgens ook enkele pioniersbedrijven vinden die hiermee aan de slag willen.

Donut Economie

Wellicht is het interessant om ‘Ware Winst’ te lezen nadat je het boek ‘Donut Economie’ van de Oxfordse econoom Kate Raworth hebt gelezen. Zij presenteert een grondige analyse van de huidige economie en geeft vorm aan een nieuwe economie in de vorm van een Donut. De buitenkant van de donut toont de overbelasting van de Aarde, en de binnenkant de noodzaak van eerlijk delen en samenwerking, waar we beide aan moeten werken om het leven op onze planeet weer veilig en aantrekkelijk te maken, ook voor toekomstige generaties.  Ze is intussen internationaal bekend en werd door de Engelse kwaliteitskrant The Guardian al ‘De Keynes van de 21e eeuw’ genoemd, verwijzend naar een beroemd econoom die onze economie nog beschouwde als ons hele huishouden, en niet alleen als een geld-economie.

‘Ware Winst’ is een praktische aanpak van wat Kate Raworth beschrijft in haar boek. ‘Donut Economie’ is in Nederland gepubliceerd door uitgeverij Nieuw Amsterdam.

 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 

Het initiatief van de Afrikaanse Grote Groene Muur werd in 2007 in gang gezet door de toenmalige presidenten van Nigeria en Senegal. De idee was om een bomengordel aan te planten van zo’n vijftien kilometer breed en 8000 kilometer lang, van Senegal tot in Djibouti. Chris Reij is specialist ter plaatse van het World Resources Institute. Hij vertelt hoe Afrikaanse boeren en overheden leren uit de praktijk.

De Afrikaanse Grote Groene Muur (AGGM). De naam klinkt haast mythisch, maar kent dat project inmiddels enig succes?
“Ik heb vanaf het begin vrij veel kritiek gehad op dat idee. In de eerste plaats omdat het planten van bomen in de Sahel technisch zo goed als onmogelijk is. We spreken over een gebied met 400 millimeter neerslag, of zelfs minder. Hoe droger, hoe moeilijker het uiteraard is om bomen te planten. Daarbij komen nog de regiospecifieke problemen van politieke instabiliteit en terreur.

Tot nu toe is er enkel in Senegal redelijk consequent geprobeerd om zo’n bomengordel aan te leggen. Er zijn daar inderdaad enige resultaten geboekt. Weliswaar tegen een hoge kost: er moeten hekken worden geplaatst rond de bomen om ze te beschermen. En netto verdwijnen er in Senegal nog steeds bomen: in het noorden komen er bomen bij in het kader van de AGGM, in het zuiden worden ze massaal gekapt.

De AGGM is wel interessant als uiting van politieke daadkracht. Afrikaanse regeringen beginnen in te zetten op het probleem van landdegradatie. In die zin is het hele project uiteraard te prijzen.

Zonder bomen is er geen duurzame landbouw mogelijk

Maar twaalf jaar na de start vallen de resultaten al bij al dus nogal mager uit?
“Ja. Als je echt de degradatie van grond in de droge delen van Afrika wil tegengaan, moet je in de eerste plaats zorgen voor meer bomen in de landbouwsystemen. Zonder bomen is er geen duurzame landbouw mogelijk. Die bomen helpen de boeren zich aan te passen aan de klimaatverandering. Op een kaal veld moet je dikwijls drie tot vier keer planten eer er iets wortel schiet – de zanderige wind raast namelijk als een scheermes over de gewassen. Bomen breken die wind, waardoor je maar één keer moet planten.

En hoe meer schaduw, hoe minder verdamping. Dat betekent: meer vocht in de grond, dus meer water beschikbaar voor de gewassen. En als het blad van de boom valt, komt er meer organisch materiaal in de grond. Een Nederlandse bioloog heeft het volgende uitgerekend: per procent organisch stofgedeelte in de grond, wordt er op een hectare honderdduizend liter water extra vastgehouden. Hij noemt het de goedkoopste vorm van irrigatie.

De vraag is dus: hoe krijg je die bomen daar? De geesten beginnen te rijpen dat ze er niet zullen komen door ze louter aan te planten. Het hele project van de AGGM is daarom bijgesteld. In plaats van één grote gordel wordt er nu veel meer gewerkt aan een mozaïek van verschillende projecten. Het gaat nu meer over de integratie van aanplantingen met projecten voor natuurlijke regeneratie, waterreservoirs die geïnstalleerd worden voor vee, kleinschalige irrigatie, et cetera.

In gebieden met een lagere bevolkingsdruk verdwijnt de vegetatie nog steeds

Er ligt binnen het AGGM-project nog steeds een accent op de aanplant van bomen, maar langzamerhand begint men ook te kijken of het mogelijk is om de natuurlijke vegetatie te regenereren. Niger speelt daarbij een voortrekkersrol. Dat moet ook wel – wat er in Zuid-Niger is gebeurd, is dermate spectaculair dat je er steil van achterover valt. In de afgelopen dertig jaar zijn er daar vijf miljoen hectare vergroend. Waar er vroeger twee of drie bomen per hectare stonden in dat gebied, staan er nu tot honderd bomen per hectare.”

Wat is er dan in Niger gebeurd?
“Je moet weten dat er in dat gebied in Zuid-Niger in de jaren tachtig een noodtoestand heerste. Lokale boeren en boerinnen stonden met de rug tegen de muur. Er was amper te eten, en de vrouwen moesten tweeënhalf uur per dag wandelen om brandhout te verzamelen, simpelweg omdat er amper nog natuurlijk bos was. Het werd daarom steeds prangender om dat brandhout op de eigen velden te gaan produceren. Een van de middelen om dat te doen was natuurlijke regeneratie: bestaande bomen en struiken beschermen en beheren.

Je ziet die natuurlijke regeneratie dus vooral optreden in gebieden met een hoge bevolkingsdruk. Meer mensen, meer bomen. In gebieden met een lagere bevolkingsdruk zie je dat de vegetatie nog steeds verdwijnt. Eigenlijk is dat het tegenovergestelde van wat de meeste mensen intuïtief denken: meer mensen doen meer bomen verdwijnen. Maar net het omgekeerde is het geval.

In Niger lagen al die factoren goed, waardoor het een succesverhaal is. Er was een hoge bevolkingsdichtheid die druk zette op de landbouwgronden, én er was geen natuurlijk bos meer over. De overheid hielp een handje mee. Vijf miljoen hectaren zijn er vergroend.”

Hoe heeft die techniek van natuurlijke regeneratie in Niger ingang gevonden?
“Er zijn twee processen die dat gekatalyseerd hebben. Door de praktijk van arbeidsmigratie trekken jonge Nigerese mannen in het droge seizoen naar Nigeria om te werken. Aan het eind van het droge seizoen komen ze weer terug om hun akkertjes te beginnen bewerken. Nu waren er een paar boeren die te laat terug waren – het regenseizoen was al begonnen en ze hadden geen tijd meer om hun velden volledig schoon te maken. Schoon in de zin van: jonge struiken en boompjes verwijderen.

Dat was nog een idee dat stamde uit de Franse koloniale tijd. De Fransen introduceerden het idee dat een moderne boer geen struiken of bomen op z’n veld heeft staan. Die zijn namelijk hinderlijk voor monocultuur en mechanisatie van de landbouw. De boeren gingen dus planten zonder hun veld op te ruimen.

Aan het einde van het regenseizoen hadden de boeren die hun velden niet hadden schoongemaakt een hogere opbrengst

Aan het einde van het regenseizoen merkten de boeren die hun velden niet hadden schoongemaakt, dat zij een hogere opbrengst hadden dan de andere boeren. Hetzelfde gebeurde een jaar later. Dat deed een lichtje branden. Vanaf dat moment is het proces van bescherming en beheer van natuurlijke groei van bomen en struiken begonnen. Als je nu in dat gebied rondreist, val je steil achterover. Het is een gigantische groene zone geworden.

Daarnaast moet ik ook het werk vermelden van de agronoom Tony Rinaudo. Die startte in de regio rond Maradi een project, rond 1984. Het was een regio die destijds werd geteisterd, door droogte en hongersnood. Rinaudo zag het belang in van natuurlijke regeneratie, en begon voedsel te doneren aan boeren die de techniek gingen toepassen. Veel boeren tekenden erop in.

60085_116505_ZdyJ8b
Beboste vallei in de regio Zinder, 28 januari 2019 Beeld door: Chris Reij

1986 was een jaar met een normale oogst, en Rinaudo zette de voedselhulp stop. Onmiddellijk had 50 tot 70 procent van de boeren de bomen op hun terrein weer gekapt. Slechts 30 procent liet de bomen en struiken staan. De boeren die gekapt hadden, trokken al snel de haren uit hun hoofd toen ze de impact zagen van de bomen op de velden van de boeren die ermee waren doorgegaan. Hun oogst was veel groter. Zo is die techniek van natuurlijke regeneratie zich als een olievlek over dat gebied beginnen uitspreiden.

Je zou kunnen zeggen dat wat er in Niger plaatsvond, een boerenversie is van de AGGM. Er zijn enorm veel bomen bijgekomen in een heel groot gebied. Vijf miljoen hectare – een gebied bewoond door miljoenen kleine boeren. De impact is enorm.”

Natuurlijke regeneratie lijkt in tegenstelling tot het aanplanten van bomen alleen maar voordelen te hebben.
“Inderdaad. Kijk naar het project van de AGGM — x miljoen hectare aanplanten, waar x miljard voor nodig is, binnen x jaar te realiseren. Dat vereist een gigantische inspanning. De toepassing van de natuurlijke regeneratie in Niger is daarentegen geen geldverslindend project, maar een eenvoudig idee. De boeren zijn dermate expert geworden in hun materie, dat ze helemaal geen buitenstaanders nodig hebben. Er zijn boeren en boerinnen die zich georganiseerd hebben als trainers om andere boeren op te leiden in de technieken van natuurlijke regeneratie.

Natuurlijke regeneratie is goedkoop, snel en efficiënt. Ik heb heel erg nagedacht over de negatieve impact, maar ik heb er amper gevonden. Waar boeren landbouwmachines zouden gebruiken, wordt het natuurlijk ingewikkelder. Maar daar is in vele delen van Afrika – en zeker in de Sahel – geen sprake van.”

Waarom schiet het idee dan geen wortel in andere Sahel-landen?
“Dat gebeurt wel, ten dele. In Mali heeft hetzelfde proces plaatsgevonden, op een half miljoen hectare. En ook in Malawi, op een miljoen hectare. Om het idee verder uit te rollen, hebben we het volgende bedacht. We laten boeren die ervaring hebben met natuurlijke regeneratie een radioprogramma opstarten. Daarin krijgen niet de academici en de experts het woord, maar de boeren zelf. Zo delen ze hun ervaringen met boeren die onder dezelfde omstandigheden produceren. Ik ben ervan overtuigd dat dat een belangrijke motor kan zijn achter de vergroening: boeren die luisteren naar boeren.”

Bestaan er al zulke programma’s?
“Nee, maar heel af en toe is er wel een uitzending. Zo hebben we op 1 mei 2018 boeren uit de regio Maradi (Niger) gehad, die hun verhaal vertelden op een regionale radio. Het liep fantastisch. De boer die daar zijn ervaring deelde, heeft nadien een cassette met zijn getuigenis opgevraagd. Nadien is hij met naar andere radiostations gegaan, zodat ook zij de boodschap zouden verspreiden.

Om maar te zeggen dat de boeren zelf zeer gemotiveerd zijn om te vergroenen. Er zit geen groot project achter. Het is iets dat de boeren zelf kunnen doen. Het enige wat ze nodig hebben, is wat nieuwe kennis over het snoeien van de struiken en bomen. Maar boeren zijn boeren om een reden, natuurlijk. Dat is trouwens iets waar een hoop ngo’s en ministeries niet altijd op zitten wachten, om de eenvoudige reden dat die belang hebben bij grote en dure projecten.”

“Zo scherp zou ik het niet stellen. Veel ngo’s zijn wel gewonnen voor het idee. Toevallig is het zo dat in april de belangrijkste personen die verantwoordelijk zijn voor de AGGM in Senegal een bezoek zullen brengen aan de boeren die leven in het grootschalige vergroende gebied in Niger. Ze willen met eigen ogen zien welke lessen er voor Senegal uit te trekken zijn. Dat is een positieve ontwikkeling.”

Eind vorig jaar verscheen er in NRC een stuk waarin stond dat de klimaatverandering ook positieve aspecten heeft, met de Sahel als voorbeeld: er zou meer regen vallen dan twintig jaar geleden.
“Dat klopt maar ten dele. Er zijn inderdaad jaren dat er meer neerslag valt dan twintig jaar geleden. Dat is waar. Maar de karakteristieken van die neerslag zijn sterk veranderd. Dat zag die NRC-journalist over het hoofd. De regen is veel onregelmatiger geworden – niemand kan het begin van het regenseizoen nog voorspellen.

Kunnen we concluderen dat gebieden in de Sahel netto nog steeds ‘verwoestijnen’?
“Ik vind het lastig om daar een uitspraak over te doen. Er zijn zeker gebieden waar het slechter gaat, en gebieden waar het beter gaat. Bij verwoestijning is namelijk niet alleen de regen een factor. Neerslag is niet onbelangrijk, maar het menselijk beheer van de natuurlijke hulpbronnen is een doorslaggevender factor dan de hoeveelheid neerslag.

Mocht neerslag een bepalende factor zijn, dan zou het in het noorden van Nigeria groener moeten zijn dan in het zuiden van Niger. Dat is niet het geval, omdat er in Zuid-Niger veel meer aan natuurlijke regeneratie wordt gedaan.”

In welke mate steunen westerse overheden de techniek van natuurlijke regeneratie?
“Duitsland investeert in het herstel van gedegradeerde gronden in de Sahel, en ook Nederland heeft ideeën in die richting. De vergroening van landbouwsystemen komt steeds hoger op de agenda te staan. In die zin ben ik optimistisch over de komende jaren, mits we sneller evolueren.”

U bent een van de weinige Sahel-optimisten.
“Ik ben in ieder geval optimistischer dan toen ik in 1978 in de Sahel ging werken. Er was een enorme droogte, en niemand had een idee wat we konden doen tegen de degradatie van landbouwgronden. Er werden zaken geprobeerd die mislukten. Louter de aanplant van bomen is een fiasco geweest. Nu weten we precies wat we moeten doen, én hoe we het moeten doen. De resultaten staan er: de lokale boeren hebben grond zo hard als een bureaublad opnieuw vruchtbaar gemaakt. Dat is pure winst.

Als je het hebt over landdegradatie en verwoestijning, is de standaardreactie: ‘laten we bomen planten’. Eigenlijk tot zeer recent nog. De reden daarvoor is mij een raadsel. Als alle bomen die sinds de jaren tachtig in de Sahel het overleefd hadden, was het daar nu een soort Amazonewoud.”

Waarom is er dan nog steeds zo’n focus op de aanplant van bomen?
“Ik weet het echt niet. Voor iemand met een achtergrond in bosbouw is het aanplanten van bomen natuurlijk een standaardproces. Je selecteert de soorten en je plant ze aan. Als je tegen zulke mensen begint over natuurlijke regeneratie valt dat niet altijd goed. In Niger daarentegen, staat de hele bosbouwdienst volledig achter het idee van natuurlijke regeneratie. De Nigerese president wil op maandelijkse basis worden geïnformeerd over de vooruitgang van de vergroening. Dat is politieke ondersteuning op hoog niveau. Daar kunnen andere landen wereldwijd een voorbeeld aan nemen.”

Zou het succes van natuurlijke regeneratie een manier kunnen zijn om ook maatschappelijke problemen, zoals de opmars van het extremisme en de migratie-exodus te voorkomen?
“Het kan in ieder geval één van de bouwstenen zijn, omdat het bijdraagt aan de verbetering van het bestaan. Maar er moet meer gebeuren natuurlijk. Met vergroening alleen ben je er nog niet. Het is een stap in de goeie richting, maar slechts één stap van de vele die nodig zijn.”

Dit artikel verscheen eerder op mo.be.

Voor het maken van verhalen hebben we jouw steun nodig.

Ja, ik word vriend (€6 per maand)

xqpgxpK2_400x400   Arne Gillis volgt voor het Belgische MO* voornamelijk de regio Afrika met een speciale focus op natuurlijke reserves en grondstoffen.

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .
 
 
 

Waterstofketel hit op Bouwbeurs

Geplaatst op 14 februari 2019 Zonne- en alternatieve energie

BeursnieuwsTekst: Marion de Graaff, Tekstbureau ‘t Kofschip

Waterstofketel hit op Bouwbeurs

Op de Bouwbeurs presenteerde Remeha een belangrijke innovatie: de waterstofketel. Van tevoren was er al de nodige aandacht in de pers, en dat zorgde ervoor dat de stand enorm goed bezocht werd. Belangrijk voordeel is dat waterstof eenvoudig te transporteren en op te slaan is. Is waterstof ‘de’ oplossing van het energievraagstuk?

Het liep vijf dagen lang storm bij Remeha. Bouwers en installateurs, iedereen wilde de waterstofketel zien en er meer van weten. De werknemers die de stand bemanden, stonden de vele beursbezoekers geduldig te woord. Ook minister Kajsa Ollongren kwam een kijkje nemen en liet zich informeren. De ketel zelf hing bescheiden aan de rand, je zou er haast overheen kijken.

De cv-ketel op waterstof is een interessante oplossing in het hele energievraagstuk. Warmtepompen zijn vooral geschikt voor nieuwbouw, waar ze bij de bouw qua logistiek gemakkelijk te installeren zijn. Een warmtepomp in een oudere woning is lastiger te realiseren en daardoor duurder. Daarbij komt dat een goede isolatie een voorwaarde is voor een optimaal rendement, en dat kan ook een flinke kostenpost zijn. Voor bestaande bouw is de waterstofketel dan ook een betere oplossing.

Opslag is cruciaal

Tijdens de Bouwbeurs sprak Manager Innovative Technologies Marco Bijkerk van Remeha twee keer in een volgepakte Croesezaal over waterstof als een van de energiedragers van de toekomst. Bijkerk legde uit hoe de ketel werkt en vertelde dat waterstof eenvoudig te transporteren en op te slaan is. Dat is een belangrijk voordeel, want energieopslag door middel van een accu of batterij heeft nog vaak als minpunt dat er energie verloren gaat. Toch is opslag cruciaal omdat we in een toekomst zonder fossiel aardgas echt zijn aangewezen op wind- en zonne-energie. Door het omzetten van elektriciteit via elektrolyse is waterstof ‘bewaarbaar’. Als er eenmaal een distributienetwerk is, kan de waterstof vervolgens gebruikt worden in verwarmingsketels, maar ook bijvoorbeeld in waterstofauto’s. Het bestaande aardgasnetwerk kan daar een belangrijke rol in spelen en is met wat kleine aanpassingen geschikt om waterstof te transporteren. Bijkerk benadrukte dat waterstof niet ‘de’ oplossing is, maar een van de manieren voor CO2 reductie. Het is ook de moeite waard om te onderzoeken of warmtepompen en waterstofketels gecombineerd kunnen worden, waarbij de warmtepomp in de zomer aanstaat en in de winter waterstof gebruikt wordt.

Testen en monitoren

De ketel is nog niet op de markt. Binnenkort gaat hij op proef in een appartementencomplex in Rozenburg, deelgebied van Rotterdam. Daar zal uitgebreid getest en gemonitord worden, een belangrijke stap dus in het traject van prototype tot eindproduct. Bij de proef zijn ook de gemeente Rotterdam, netbeheerder Stedin en de woningstichting/verhuurder van de appartementen betrokken. Verloopt de proef goed, dan kan het snel gaan. Zo’n halve eeuw geleden stapte Nederland over van stadsgas naar aardgas. De transitie van aardgas naar waterstof is volgens de ontwikkelaars van de waterstofketel ook prima te maken, zeker als de overheid daar een speerpunt van maakt en energiebedrijven maatregelen gaan nemen. Bijkerk zal ook spreken op het congres Duurzaam Gebouwd in Leeuwarden, dat als thema ‘It giet om’ heeft, in het Nederlands: ‘Het gaat veranderen.’ De wens om gasloos te verwarmen leeft sterk in Friesland en de Friezen zijn geïnteresseerd in alle vormen van duurzame energie. Waterstof is een mogelijkheid, en de introductie van de waterstofketel komt dus op een goed moment.

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .
. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .
 

Dit doen autofabrikanten met waterstofauto's

Dit doen autofabrikanten met waterstofauto’s

De markt voor auto’s met een brandstofcel aan boord staat nog in de kinderschoenen. Het aantal tankstations waar je waterstof kunt tanken is klein, net als het aantal beschikbare waterstofauto’s. Hyundai en Toyota hebben er elk een. Wat is de stand van zaken bij de fabrikanten?

Sinds 2013 zijn er over de hele wereld zo’n achtduizend waterstofauto’s verkocht. Ter vergelijking: dat is ongeveer het aantal dat Tesla in Nederland op jaarbasis verkoopt. Daar komt als het aan de fabrikanten en bedrijven die zich met deze technologie bezighouden ligt verandering in.

Zo wil Toyota, dat met de Mirai al een waterstofauto in de showroom heeft staan, al in 2020 wereldwijd meer dan 30.000 voertuigen met een brandstofcel per jaar verkopen. AutoWeektestte deze auto in oktober nog uitvoerig.

Zo werkt een waterstofauto

  • Een waterstofauto is een elektrische auto die waterstof in plaats van een batterij als energiebron gebruikt.
  • De waterstof wordt in een brandstofcel met zuurstof uit de lucht omgezet in water.
  • Door een chemische reactie ontstaat elektriciteit die de elektromotor aandrijft.
  • Uit de uitlaat komt alleen waterdamp en warmte.
  • Bij dit proces ontstaat geen CO2, waardoor het voertuig uitstootvrij is.

De Mirai is overigens niet de enige in zijn soort. Hyundai heeft met de Nexo een waterstofauto in het aanbod en in de Verenigde Staten is de Honda Clarity verkrijgbaar, zij het via een leaseconstructie. Afgelopen november kondigde Mercedes-Benz de komst van de GLC F-Cell aan, eveneens een auto met brandstofcel.

Vijftig tankstations in het vooruitzicht

Daimler, Honda, Hyundai en Toyota zijn samen met de BMW Group, Kawasaki en tal van andere industriële partijen, waaronder Shell, Total en Engie, verenigd in het Hydrogen Council.

Dit samenwerkingsverband wil de komende jaren zo’n 10 miljard euro in de technologie en infrastructuur steken, met het uitbreiden van het aantal tankstations als een van de speerpunten.

“Wat de gebrekkige infrastructuur voor het tanken betreft; dat is net als bij de vroege elektrische auto’s een beetje een kip-en-het-eiverhaal. Begin je met de stations of met de auto’s? Via het Hydrogen Council investeren we samen met de andere deelnemers ieder jaar echter veel geld om dit op orde te krijgen”, aldus pr-manager Mike Belinfante van Hyundai.

Op het moment gaat een groot deel van de investeringen naar Duitsland. Niet alleen omdat de afstanden daar groter zijn, maar ook omdat de regering daar volgens Belinfante wat voortvarender te werk gaat. “Het aantal stations moet van ongeveer zeventig naar vierhonderd worden uitgebreid voor 2023.”

In Nederland staat de teller op vier tankstations. Het vijfde opent later dit jaar in Den Haag, met nog eens tien extra locaties in de planning. De overheid heeft voor 2025 een totaal van vijftig in het vooruitzicht gesteld. Rond die tijd moeten er vijftienduizend waterstofauto’s rondrijden.

‘Obstakels moesten overwonnen worden’

Bij Daimler, het moederbedrijf van Mercedes-Benz, wordt sinds de jaren tachtig onderzoek gedaan naar brandstofceltechnologie. Dit resulteerde in 1994 in de presentatie van de Necar 1, de eerste waterstofauto ter wereld.

De fabrikant had er destijds een bedrijfswagen voor nodig om de techniek te herbergen, maar al snel paste de brandstofcel in een auto van het formaat A-Klasse.

In 2008 ging de Honda FCX Clarity in productie, een auto die tot 2014 in beperkte aantallen beschikbaar was via een leaseconstructie. Zijn opvolger verscheen in 2016.

De eer van de eerste in serie geproduceerde waterstofauto gaat naar de Hyundai ix35 fuel Cell, de voorloper van de Nexo. De Toyota Mira dateert van 2014, al begon het Japanse merk al in 1992 met de ontwikkeling van de technologie.

“In de ontwikkeling van de techniek is veel tijd gaan zitten. Obstakels zoals wat te doen bij lage temperaturen – waterstof bevriest immers – moesten eerst overwonnen worden. Desalniettemin waren we in 2013 de eerste fabrikant ter wereld met een in serie geproduceerde waterstofauto”, zo geeft Belinfante te kennen.

Na vijf minuten weer onderweg

Goedkoop zijn de in Nederland verkrijgbare Nexo en Mirai helaas niet. De Hyundai SUV kost 74.995 euro, terwijl de Toyota-sedan voor 80.925 euro in de prijslijst staat. Daar staat tegenover dat je met een waterstofauto verder komt dan met een elektrische auto.

Toyota belooft een actieradius van ongeveer 500 kilometer, de Hyundai Nexo komt volgens de fabrieksopgave ongeveer 665 kilometer ver op een tank waterstof. Alleen de allerduurste Tesla Model S-uitvoering komt bij deze afstanden in de buurt, en dan uitsluitend onder ideale omstandigheden.

Het gebrek aan voldoende tankstations is weliswaar een nadeel, het feit dat je kunt tanken is juist een groot pluspunt ten opzichte van batterij-elektrische auto’s. In plaats van dertig minuten of meer voor een paar honderd kilometer aan reikwijdte, ben je met een waterstofauto binnen vijf minuten weer onderweg.

“Met het tanken verricht je dezelfde handeling die automobilisten al zo’n honderd jaar doen. Op die manier is de overgang naar waterstofauto’s een veel natuurlijkere. Je hoeft jezelf geen nieuwe gewoontes aan te leren”, aldus Guido Roozekrans, de pr-man van Toyota.

‘Men is te veel gericht op batterij-elektrische auto’s’

Hyundai en Toyota zullen naar eigen zeggen stappen blijven ondernemen om waterstofauto’s definitief op de kaart te zetten. Zo zal Hyundai zijn techniek op het gebied van waterstofauto’s delen met Audi, terwijl Toyota patenten heeft vrijgegeven.

“Toyota heeft de afgelopen 25 jaar miljarden in de ontwikkeling van de waterstofauto gestoken en wil zich vooral op deze technologie richten”, zo laat Roozekrans weten. “Om de waterstofeconomie en waterstofmobiliteit op gang te brengen, heeft Toyota in 2015 maar liefst 5.680 waterstoftechnologiepatenten vrijgegeven.”

In Nederland, zo geven beide merken toe, zijn ze ook afhankelijk van het overheidsbeleid in hun streven een doorbraak voor waterstofauto’s te bewerkstelligen.

“We hebben weliswaar veelvuldig contact met Tweede Kamerleden en beleidsbepalers, maar we merken dat er domweg niet genoeg kennis van zaken is. Men is nog niet heel bekend met waterstofauto’s, ook omdat men te veel gericht is op batterij-elektrische voertuigen. Daarnaast zit er een veel actievere lobbybeweging achter de elektrische auto”, zo concludeert Belinfante.

Zie ook: Is waterstof snel bij meer tankstations beschikbaar?
Zie ook: Is waterstof snel bij meer tankstations beschikbaar?
. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .
 

artikel

Werkt een cv-ketel voor aardgas ook op waterstof?

klimaattechniek

In hoeverre wijkt de techniek van een op aardgas gestookte cv-ketel af van een waterstofketel? Is ombouwen een optie? En wat betekent waterstof voor installatie en onderhoud?

Werkt een cv-ketel voor aardgas ook op waterstof?  

Door Joop van Vlerken

Nooit eerder zijn in Nederland woningen verwarmd met hr-ketels op pure waterstof. Daarom wordt in Rozenburg een proef uitgevoerd met cv-toestellen die een appartementsgebouw verwarmen met 100% waterstof. De voorbereidingen zijn inmiddels getroffen en begin 2019 start de proef. In de ketelruimte van het appartementsgebouw komen twee hr-ketels te hangen, één van Remeha en één van Bekaert.  

Ketelcomponenten voor waterstof 

“In principe is het gewoon een hr-ketel”, zo legt Marco Bijkerk uit, manager innovatietechnologie bij Remeha: “behalve dat we alle componenten die normaal met aardgas in aanraking komen, hebben vervangen door speciaal voor waterstof ontworpen componenten. Het gaat dan onder meer om de gasklep, de ventilator en de brander. Deze hebben we opnieuw moeten ontwikkelen. De rest van de hr-ketel blijft helemaal hetzelfde.”   

Brander is belangrijk onderdeel  

Ook Bekaert heeft een ketel ontworpen speciaal voor dit project, vertelt Joan Teerling, manager Research & Innovation bij Bekaert. “Wij ontwikkelen normaal gesproken het technisch hart van een cv-ketel voor onze klanten, de zogeheten heat cell. Een belangrijk onderdeel hiervan is de brander. Hier ligt onze expertise. Ongeveer de helft van de branders wereldwijd komt van ons. En dat is een van de belangrijkste onderdelen in de ketel als je van aardgas over wilt gaan naar waterstof. Het is bovendien het meest ingewikkelde onderdeel dat aangepast moet worden. De andere zaken zijn minder ingewikkeld.”   

Waterstof heeft hogere verbrandingssnelheid  

Volgens Teerling is de belangrijkste reden om deel te nemen aan de proef aantonen dat waterstof een goed alternatief is voor aardgas in cv-ketels.  “Het is niet zo moeilijk, maar er zijn wel een aantal zaken waar rekening mee gehouden moet worden. Waterstof heeft bijvoorbeeld een hogere verbrandingssnelheid. De verschillende partijen zijn het er nog niet over eens hoe je daar mee om moet gaan. Ik kan nu nog niet vertellen hoe wij het opgelost hebben, omdat we patent op deze technieken aanvragen. Daarnaast heb je te maken met een hogere vlamtemperatuur en de volumestromen zijn anders, net als de dichtheid van waterstof.”   

Waterstof in energietransitie  

In de energietransitie kan waterstof een grote rol spelen, voorspelt Bijkerk. “De energietransitie gaat gepaard met hoge kosten. Zeker als je kijkt naar het all-electric maken van bestaande woningen. Als je alleen door het vervangen van de ketel en de brandstof woningen CO2-vrij kunt maken, dan heb je het probleem in één keer opgelost. Het scheelt de consument niet alleen veel geld. Het wordt ook veel makkelijker om zijn huis te verduurzamen.”  Het einde van de cv-ketel is nog niet in zicht in deze denkwijze.

All-electric is lastig  

Dat wordt bevestigd door Teerling. “De bestaande bouw is lastig all-electric te maken, bijvoorbeeld omdat huizen heel goed geïsoleerd moeten worden en er laagtemperatuurverwarming moet worden aangelegd. Ik denk dat de waterstofketel voor de bestaande bouw een goede oplossing is. We kunnen bovendien gebruik maken van bestaande infrastructuur, kennis en technologie. Dat scheelt heel veel tijd en geld.” Hij verwacht dan ook niet dat er voor installateurs al te veel gaat veranderen als ketels straks op waterstof draaien. “De technologie blijft voor het overgrote deel hetzelfde en dat geldt ook voor de ketel. Dat betekent ook dat de onderhoudsfrequentie bijvoorbeeld gelijk blijft.”

Waterstof in energieopslag

Daarnaast biedt waterstof nog tal van andere voordelen, weet Bijkerk. “Met waterstof kun je ook het probleem van energieopslag deels oplossen. Doordat je duurzame elektriciteit omzet in waterstof is het namelijk makkelijker op te slaan. Daarnaast is er nog de mogelijkheid om huizen uit te rusten met brandstofcellen zodat er ook lokaal elektriciteit van gemaakt kan worden. Het is dus niet alleen het gebruik in hr-ketels. Je kunt er nog zoveel meer mooie dingen mee.”

Globale energiebehoefte  

Teerling vult aan: “Waterstof biedt veel meer mogelijkheden voor opslag dan elektriciteit. En het is breed toepasbaar. In de industrie wordt het al volop gebruikt. Daarnaast hebben we het gewoon nodig, want de experts voorspellen dat de globale energiebehoefte in 2050 voor 40% elektrisch is en verduurzaamd kan worden met bijvoorbeeld zon en wind. Voor de overige 60% blijven we afhankelijk van brandstoffen, dat maar deels met biomassa kan worden ingevuld. Daar ligt een grote kans voor waterstof.”  

Met waterstof kunnen we bestaande infrastructuur, kennis en technologie gebruiken

Met waterstof kunnen we bestaande infrastructuur, kennis en technologie gebruiken

Cv-ketels ombouwen naar waterstof  

Hoewel het volgens Bijkerk nog te vroeg is om er echt een oordeel over te vellen, denkt hij niet dat de huidige hr-ketels omgebouwd gaan worden voor waterstof. “Dat wordt heel erg lastig. Technisch kan het natuurlijk, maar ik vraag me af of het loont. Er is veel activiteit in de woning nodig om al die onderdelen te vervangen.” Ook Teerling vindt het nog te vroeg om te zeggen of het mogelijk is bestaande systemen om te bouwen. “Maar ik sluit het zeker niet uit. Technisch gezien denk ik dat het mogelijk is, maar misschien wordt het wel veel te duur. De bestaande ketel vervangen door een waterstofketel is vermoedelijk goedkoper en eenvoudiger uit te voeren. Waterstof is sowieso inpasbaar in de huidige keteltechnologie.”  

Risico’s van waterstof   

Op het gebied van veiligheid is er net als bij de verbranding van aardgas aandacht nodig voor de risico’s, beaamt Bijkerk. “De risico’s vallen ook voor waterstofgas zeker binnen de technische haalbaarheid. We moeten er ook niet te moeilijk over doen. Voordat aardgas de norm werd, gebruikten we stadsgas dat ook voor 50% uit waterstof bestond. Waterstofgas is vluchtiger en kan dus makkelijker door materialen heen. Daar heeft Gasunie al onderzoek naar gedaan en de resultaten wezen uit dat het allemaal erg meevalt. Daarnaast ligt de snelheid van verbranding hoger. Maar het zijn allemaal normale processen die je goed moet bekijken.”  

Leestip: Wat is waterstof

Bijmengen van waterstof  

Naast 100% waterstof, is het ook mogelijk om bepaalde percentages waterstof in te voeden in het aardgasnet, vertelt Bijkerk. “Op Ameland hebben we meegedaan aan een proef waar 20% waterstof in het aardgasnet werd gemengd. Voor de normale cv-toestellen die daar getest zijn, leverde dat geen problemen op.” Dus is het makkelijk om nu meteen de aardgastoevoer naar Nederlandse huishoudens te verduurzamen door het bijmengen van waterstof? Zo eenvoudig is het helaas niet, legt Bijkerk uit. “Er is in die proef op Ameland maar een bepaald aantal toestellen getest. Maar in Nederland staan ook oude gashaarden of andere gastoestellen en fornuizen. Daar is nog geen onderzoek naar gedaan. Je kunt dus niet zomaar het percentage waterstofgas in het gasnet opvoeren. Er moet eerst meer onderzoek gedaan worden.”    

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .

Gevels, daken en straten als bron van energie

Gevels, daken en straten als bron van energie

TNO organiseerde een minisymposium over gevels, daken en straten als energiebron. Design gaat soms ten koste van het rendement. Maar is dat een bezwaar als het mooi is en daardoor breed toegepast gaat worden?

Peter Paul van ’t Veen van TNO trapte de middag af met de melding van de oprichting van het Bouw en Techniek Innovatie Centrum BTIC: “TNO zet samen met de 4TUBouw en de hogescholen op verzoek van de Bouwagenda en in samenwerking met 3 ministeries (BZK, EZK en I&W) plus 3 brancheorganisaties (UNETO VNI, Bouwend Nederland en NLIngenieurs) een meerjarig innovatieprogramma op. Doel is de technologische en sociale ontwikkelingen van de energietransitie in de bouw een nieuwe impuls te geven. De uitdagingen zijn namelijk alleen maar groter geworden.”

Kleur de energieleverende gevel

Marloes van Heteren, partner en architect Studio Solarix zag de uitdaging vooral in de design van zonnepanelen: “Hoe mooi is het niet als gebouwen via hun ‘huid’ energie kunnen opwekken. Dat moet ook, want met alleen zonnepanelen op de daken gaan we het niet redden. Alle gebouwen moeten energieneutraal worden en daarvoor moet je de gevels gebruiken. We zijn aan de slag gegaan en het eerste door ons ontworpen paneel in 2016 was half composiet en half een zonnepaneel. Patroon, kleur, textuur en formaat zijn aan te passen en zo kun je een gevel van morfologie voorzien, zodat je een mooie gevel ziet en geen zonnepanelen. Nu, in oktober 2018 is de wereldprimeur van een gevel die geheel is voorzien van solar design door Solarix: het pand van Kuijpers Installaties in Helmond. Daar zal ook sensorgestuurde ledverlichting toegepast worden, waardoor bijvoorbeeld het weerbericht naar een verlichtingsscenario is te vertalen. We ontwikkelen door en nu laten we testen uitvoeren voor kleurbeleving in relatie tot de opbrengst van zonnecellen. Die minderopbrengst is ongeveer 15% afhankelijk van de kleurintensiteit.”

Thermische-pv onterecht onderbelicht

Marcel Cloosterman, voorzitter warmtesectie Holland Solar, benadrukte hij het feit dat het opwekken van zonnewarmte veel efficiënter is per m2 dan andere vormen van opwekking. Hoger dan biomassa of biobrandstoffen en bijna 4x efficiënter dan pv-panelen. “De grote massa moet de techniek gaan toepassen en dan moet het er ook goed uitzien. Als het over verduurzamen gaat is de uitdaging groot. Slechts 6,6% van de energie die we verbruiken is duurzaam (jaar 2017) en van dat percentage is 60% opgewekt door biomassa. Dat betekent voor een groot deel bijstook in kolencentrales, dus kun je je afvragen hoe duurzaam dat is. Als je dan ziet waar we naar toe moeten in 2030, dan zal het allemaal heel veel sneller moeten.”

Mensen willen niet wonen in een energiefabriek

Hendrik-Jan Weggeman, algemeen directeur Emergo verhaalde over de balans tussen optimale eigenschappen, design en commerciële prijsstelling van de Emergo prefab daken. “Onze eerste ervaring met energie producerende gebouwen was de ontwikkeling van een duurzaam renovatiedak voor de Stroomversnelling. Dat het mooier moest, daar waren mijn zakelijk partner en ik het snel over eens. Mooi en ook betaalbaar is daarom de kern van onze productontwikkeling. Een duurzaam energiedak moet naast energie produceren ook dienen als waterkering, warmte-isolatie en geluidswering. En, het moet er goed uitzien. Mensen willen niet in een energiefabriekje wonen, maar gewoon een fijne woning.”

Rondleiding met de Mona Lisa als sluitstuk

Na de presentaties de rondleiding in MEC-bouwlab langs diverse demonstraties met proefopstellingen van warmtepanelen voor de buitengevel. Ook de geprinte PV-panelen worden getoond, naast de pv-integratie in bouwdelen of zelfs een fietspad of wegafscheiding (SolaRoad). Opvallend is een testopstelling voor een zonneboiler die de nokvorst op daken vervangt. De ontwerper ervan legt uit dat ook voor hem esthetiek en het goed inpassen in een bestaand dak veel aandacht krijgt. Buiten het lab staat een groot paneel met daarop de Mona Lisa afgebeeld. Of haar mysterieuze glimlach inhoudt dat zij al weet wat de toekomst brengt? Wat TNO en de partners betreft is die zonnig. Met gevels en straten die zonne-energie- of warmte opvangen om aan de ontembare energievraag van de mensheid te kunnen voldoen.

Tekst en beeld: Tom de Hoog

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .
 

Gaan we ooit door heel Europa met de trein in plaats van het vliegtuig?

NOS  Geschreven door
  Leen Kraniotis  redacteur economie

Hoeveel sneller kun je met de trein naar Berlijn? NS en ProRail hebben deze week met hun Duitse collega’s afgesproken om komend half jaar te bekijken hoe de trein tussen Amsterdam en Berlijn sneller kan. De rit duurt nu 6 uur en 22 minuten, met maar liefst vijftien tussenstops onderweg. Daar moeten volgens NS minstens twee uur af.

“De trein kan op bepaalde stukken harder en moet minder vaak stoppen”, vindt ProRail-directeur Pier Eringa. “In 4,5 uur naar Berlijn moet mogelijk worden. En voor de langere termijn moeten we in Europa investeren in nieuwe hogesnelheidslijnen.”

Snellere treinen moeten mensen uit het vliegtuig lokken, is de gedachte. Ook het kabinet wil dat we vaker met de duurzamere trein gaan in plaats van het vervuilende vliegtuig.

Maar hoeveel sneller zou een treinreis naar allerlei Europese steden in de toekomst kunnen zijn? En wint de trein dan van het vliegtuig? Bekijk het hier:

Is de trein binnen Europa straks sneller dan het vliegtuig?

Tot ongeveer 750 kilometer kan een hogesnelheidstrein prima op reistijd concurreren met het vliegtuig. Dan gaat het vanuit Amsterdam om steden zo ver als München, Praag of Kopenhagen. Maar voor hogesnelheidsspoor naar zulke steden moet diep in de buidel worden getast.

78 miljard

Ingenieursbureau Royal HaskoningDHV becijferde de kosten voor een netwerk naar 31 grote steden in een straal van zo’n 750 kilometer rond Amsterdam op 78 miljard euro. “Dat is veel geld, maar op Europees niveau is dit maar een kleine investering”, zegt Barth Donners van het bedrijf. “Je zou zo’n netwerk bij wijze van spreken met het infrastructuurbudget van anderhalf jaar kunnen aanleggen.”

Ter vergelijking: In Europa wordt jaarlijks zo’n 55 miljard euro in autowegen geinvesteerd en zo’n 35 miljard euro in spoor. Maar waarom ligt er dan nog geen Europees HSL-netwerk? “Bij infra-investeringen kijkt men toch vooral naar binnenlandse belangen”, zegt Donners. “Je zou echt moeten uitzoomen en over de grenzen heen kijken, naar het grotere belang. En dat is ook het milieubelang.”

Als je echt ambitie toont, kan je zo’n netwerk aanleggen in vijf tot tien jaar.

Barth Donners, ingenieursbureau Royal HaskoningDHV

Europese landen zullen dus veel meer moeten samenwerken. Het Europese spoor is nu een soort lappendeken, met in ieder land een andere technologie. “Dat maakt het spoor inefficiënt en onnodig duur”, zei ProRail-topman Eringa eerder. “We moeten overstappen van oude, dure spoorsystemen naar moderne, goedkope, systemen die met elkaar kunnen praten.”

“Als je echt ambitie toont, kan je zo’n netwerk aanleggen in vijf tot tien jaar”, zegt Donners. “Meer realistisch is dat het vijftien tot twintig jaar duurt voordat we zo snel kunnen reizen, als we het echt willen en de juiste keuzes maken.”

Als er uiteindelijk zo’n netwerk ligt en de prijs van een treinticket is vergelijkbaar met een vliegticket, dan kan de trein veel marktaandeel afpakken van het vliegtuig. Op de route Amsterdam-Berlijn kan die dan bijvoorbeeld stijgen van een geschatte 9 procent naar 68 procent, voorspelt Royal HaskoningDHV. Van de bijna 500.000 vluchten van en naar Schiphol zou dan ruim een kwart niet meer nodig zijn, omdat veel mensen voor bestemmingen op minder dan duizend kilometer de trein pakken.

Japan is het goede voorbeeld

Dat een snelle trein op zulke trajecten veel populairder kan zijn dan het vliegtuig, bewijst Japan. Tussen de megasteden Tokio en Osaka (515 kilometer, 2:22 uur reistijd) heeft de hogesnelheidstrein Shinkansen nu een marktaandeel van maar liefst 86 procent, versus 14 procent voor het vliegtuig.

Tussen Tokio en het verder gelegen Hiroshima (820 kilometer, 3:44 uur) is de verhouding nog altijd 70 procent trein en 30 procent vliegtuig. Dat de snelle treinen op piekmomenten iedere tien minuten vertrekken, maakt ze extra aantrekkelijk.

De Japanse Shinkansen-hogesnelheidstrein is snel en stipt, een voorbeeld voor veel Europese spoorbedrijven hansjohnson | Flickr | Creative Commons by-nd

“Het is echt een kwestie van politieke keuzes maken”, zegt Donners van Royal HaskoningDHV. “In Japan kijkt men meer naar het grote geheel en niet alleen naar het lokale belang. De treinbedrijven hebben veel meer geld om hogesnelheidslijnen te ontwikkelen, de overheid financiert mee.”

Hoe kan het dat je treinkaartje naar het vliegveld soms duurder is dan een vliegticket naar de zon? NPO Focus legt het uit in deze special.

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .

Een groene toekomst is er alleen voor de rijken: de eco-elite

De verduurzaming van Nederland leidt tot een nog ongelijkere verdeling van schone en leefbare ruimte, zegt sociaal wetenschapper Shivant Jhagroe. De eco-elite verschuilt zich in lommerrijke wijken, de grijze rest is voor de armen.
 Hans Marijnissen  

Beeld uit de film ‘Elysium’, die gaat over een droomwereld met fraaie woningen in een groene omgeving, met schone lucht. Op de grijze aarde zijn de ‘milieupaupers’ achtergebleven. ©-

Oké, ‘Elysium’ (2013) is maar een sciencefictionfilm, maar volgens de Leidse wetenschapper Shivant Jhagroe is de film in het debat over de vergroening van Nederland heel goed bruikbaar. In het jaar 2154 heerst er op de overbevolkte en sterk verontreinigde aarde armoede, en de rijke elite is inmiddels uitgeweken naar ruimtestation Elysium.

Als je niet bereid bent om alles voor duur­zaam­heid aan de kant te zetten, doe je al niet meer mee. Veel mensen hebben die luxe niet Sybrand Buma, CDA-leider

In een enorme holle cirkel is een droomwereld aangelegd met fraaie woningen in een groene omgeving, met schone lucht, en alle zorg is voorhanden. Op de grijze aarde zijn de ‘milieupaupers’ achtergebleven. Hoofdpersoon Max is daar bij een bedrijfsongeval blootgesteld aan een dodelijke chemische stof en heeft nog maar vijf dagen te leven. Alleen de behandeling in Elysium kan hem redden. Anderhalf uur later zullen de kijkers weten of het Max lukt het gat tussen de have’s en de have-nots te overbruggen. Een ding is zeker: dat wordt vechten.

Revolte

CDA-leider Sybrand van Buma waarschuwde vorige week in weekblad Elsevier voor een tweedeling die in de toekomst kan leiden tot een revolte rond het thema duurzaamheid, net als in de tijd van Pim Fortuyn. ‘Als je niet bereid bent om alles voor duurzaamheid aan de kant te zetten, doe je al niet meer mee. Veel mensen hebben die luxe niet’, zei hij. Is die revolte van Buma het begin waar Elysium het einde is?

Shivant Jhagroe, sociaal wetenschapper ©Angeline Swinkels | fotograaf

“Laat ik beginnen met te zeggen dat Buma zich wel zorgen kan maken, maar dat zijn neo-liberale koers eerder de veroorzaker van zijn voorspelde revolte is dan dat deze bijdraagt aan de voorkoming daarvan”, zegt Jhagroe. “Dit kabinet zegt: ‘Vergroening? Do it yourself’. Vind je het dan gek dat de kansrijken de mogelijkheden benutten? Maar hij heeft wel een punt. De film Elysium is weliswaar een overdrijving van de toekomst, maar kijk naar de praktijk van vandaag. Sinds het jaar 2000 zijn er meer klimaatvluchtelingen dan oorlogsvluchtelingen en naar schatting zijn er daar in 2050 meer dan 150 miljoen van. In Europa overlijden jaarlijks een half miljoen mensen als gevolg van verontreinigde lucht. Die cijfers laten niet alleen de slachtoffers van het milieu zien, maar ook dat die vallen onder mensen die ook op andere vlakken minder kansen hebben. Ze wonen op de slechte plekken, zijn armer en laagopgeleid. Ruimteschip Elysium bestaat dus al, in de mooie groene wijken waarin vooral de witte burgers allemaal erg ‘duurzaam’ leven.”

Shivant Jhagroe, die aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam promoveerde op de politieke betekenis van stedelijke verduurzaming, krijgt zelden applaus. “Áls de handen op elkaar gaan, is dat uit beleefdheid”, zegt hij. Maar dat deert hem niet. De sociaal wetenschapper zwemt tegen de stroom in. Hij wil inspireren én irriteren, juist om andere denksporen mogelijk te maken.

Vooral in de discussie over duurzaamheid en de aanpak van de klimaatproblemen is dat hoognodig. “Na tien jaar debat over de vergroening van Nederland is er vooral een dor landschap ontstaan.” Nederland lijdt volgens Jhagroe aan wat hij met een lelijk woord ‘duurzaamheidsvermoeidheid’ noemt.

Dat groene leven is een lifestyle van de happy few, van de rijke eco-elite met kansen, op allerlei gebied Shivan Jhagroe, sociaal wetenschapper

Die vermoeidheid is volstrekt misplaatst, zegt hij. Het gaat volgens Jhagroe juist helemaal de verkeerde kant op. “Duurzaamheid heeft de afgelopen jaren meestal de bestaande ongelijkheid vergroend. Dat groene leven is een lifestyle van de happy few, van de rijke eco-elite met kansen, op allerlei gebied. We hebben een soort groen kapitalisme gecreëerd. Terwijl om echte veranderingen teweeg te brengen, de massa bereikt moet worden. Niet alleen vanwege het gelijkheidsdenken, maar omdat vergroening van de elite weinig zoden aan de dijk zet. Er is massa nodig om de uitstoot in te dammen.”

Als vergroening vanuit de neo-liberale politiek aan de vrije markt wordt overgelaten, vergroot deze de ongelijkheid eerder, benadrukt Jhagroe. Een tweede methode van de vergroening, via allerlei burgerinitiatieven, heeft precies hetzelfde effect. Alleen mensen met een goed netwerk en een stevige achtergrond doen mee met de stadstuin of de energiecoöperatie.

Kloof

Naast zijn eigen onderzoek verwijst Jhagroe naar een serie rapporten van andere onderzoekers die de kloof tussen de ‘rijke groenen’ en de ‘arme grijzen’ blootleggen. Onderzoeksbureau CE Delft bijvoorbeeld berekende dat in 2017 750 miljoen euro aan subsidies en belastingvoordelen is verdeeld in het kader van het klimaatbeleid. Slechts een vijfde is maar aan de armere huishoudens besteed. In een ander rapport laat datzelfde CE Delft zien dat bij ongewijzigd beleid armere huishoudens in 2050 3,5 keer zoveel aan kosten in verband met klimaatbeleid moeten ophoesten dan rijke. Ze betalen relatief gezien meer belasting en de energierekening in hun minder goed aangepaste woning is hoger. Die huishoudens zijn dan in totaal 17 procent van het besteedbaar inkomen kwijt aan deze maatregelen.

Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) liet in de publicatie ‘Kiezen bij de kassa‘ zien dat ‘bewust consumeren’ vooral een hobby van de hoogopgeleiden is. Biologische groenten en vlees zijn voor de laagopgeleiden niet te betalen. Een elektrische auto al helemaal niet. Een overzicht van de laadpalen toont dat die vooral in de rijkere buurten staan. SCP-directeur Kim Putters waarschuwde daarom onlangs dat de verduurzaming van Nederland de sociale tegenstellingen dreigt te vergroten.

Geweldig, de Tesla, maar ook ge­weld­da­dig. Het kobalt wordt door kindslaven gedolven.

Als ik u zo hoor, bent u faliekant tégen het woord ‘duurzaamheid’ omdat dit verhullend werkt, maar ook tegen het verschijnsel: de vergroening van Nederland vergroot volgens u de verschillen.

Shivant Jhagroe: “Gebruik drie keer het woord duurzaamheid en je hebt subsidie. Ik ben tegen het woord en stel voor het eens een maand helemaal niet te gebruiken. Het is een containerbegrip geworden, waar niemand tegen kan zijn. Duurzaamheid verblindt, daarom gaat er zoveel mis. Laat dat woord weg, en vervang het door een ander, duidelijker begrip. Hebben we het dan over milieu, of achterstand, of armoede, of migratie? Pas dan kan ook duidelijk worden voor welke problemen we een oplossing zoeken.”

Het voordeel van een economische benadering van duurzaamheid is dat als er geld mee verdiend wordt, innovaties ook echt beklijven.

“De vraag is of die duurzame producten of diensten wel echte oplossingen zijn, als zij maar door een klein deel van de bevolking kunnen worden gekocht. De elektrische Tesla is een geweldige uitvinding, maar ook een gewelddadige. Het kobalt dat in de accu zit, wordt volgens Amnesty International door kindslaven in Congo gedolven. Fijne schone auto, en onbetaalbaar. In de supermarkt liggen naast de bananen met een keurmerk, de ‘grijze’ bananen voor één euro per kilo. Even afgezien van de vraag wie die schone producten kan betalen, is er het vraagstuk of de schone variant wel de juiste oplossing is. Je zou je bijvoorbeeld kunnen afvragen of we in Nederland al die geïmporteerde bananen wel in die hoeveelheden moeten willen. En dan de Tesla: is het niet beter om het openbaar vervoer te verbeteren zodat iederéén elektrisch kan rijden: met de lightrail? Dan komen we eindelijk weg van de groene privileges van de elite. Die als enige geld heeft om ‘goed te doen’ door ‘groen te doen’. Daardoor ontstaat echt geen betere wereld, hoogstens een fijn gevoel.”

Nederland staat voor een enorme opgave om aan de doelstellingen voor het Klimaatakkoord te voldoen. Hoe halen we die als de markt en het particulier initiatief níet langer meedoen?

“Daar pleit ik ook niet voor, wel voor een veel grotere rol van de overheid. Schone lucht en de gezondheid van burgers lijken mij bij uitstek publieke verantwoordlijkheden, staatszaken. Maar de overheid heeft zich inmiddels zo ver van die zorgplicht teruggetrokken, dat een organisatie als Urgenda naar de rechter moet stappen om die publieke verantwoordelijkheid op te eisen. ‘Op te dringen’ is misschien beter gezegd. Dat heeft de rechter ook in niet mis te verstane bewoordingen gedaan. Milieudefensie doet precies hetzelfde als zij Shell aansprakelijk stelt voor het mede veroorzaken van de gevaarlijke klimaatverandering. Het klimaatbeleid moet vooral een zaak van de politiek zijn, en daarmee ook de verduurzaming van Nederland. Zij heeft als opdracht de gehele bevolking een schone toekomst te bieden. En dan heb je het plotseling niet langer over de dunne groene laag die over onze samenleving wordt gelegd, maar over het verkleinen van maatschappelijke verschillen.”

Dat is wel een enorme klus. Hoe kan die in het kader van het klimaatbeleid worden geklaard?

“De overheid heeft allerlei knoppen en handels waarmee duurzame ontwikkeling kan worden gestuurd. Neem de besteding van de sub-sidie voor zonnepanelen. Die gaat nu vooral naar de particuliere woningeigenaren. Kunnen die rijkere huishoudens de panelen niet zelf betalen? Je zou met die subsidie ook de woningcorporaties kunnen stimuleren de sociale woningbouw aan te pakken. Daardoor wordt er straks niet alleen minder fossiele brandstof gebruikt, maar huurders krijgen in de toekomst ook een lagere energierekening. Duurzaamheid en de verkleining van de sociale verschillen gaan zo hand in hand. Dat is ook een voorwaarde. Hetzelfde geldt voor het stimuleren van biologisch voedsel en het verminderen van vleesconsumptie. Met belastingen en beloningen kan een koers worden gevaren die de kloof niet vergroot, maar via vergroening juist verkleint. Radicale duurzaamheid, noem ik dat, er zou geen andere moeten bestaan.”

 

Lees ook:  Nederland is rijk, maar scoort superslecht op duurzame ranglijsten
Wie alleen naar geld kijkt, ziet dat het in Nederland heel goed gaat. Wie breder kijkt ziet dat de welvaart ten koste gaat van het milieu.
. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .

 


Duurzame energie opslaan in een weckpot

Mensen kijken uit een dakraam met rondom zonnepanelen

In de winter energie gebruiken die de zomer daarvoor is opgewekt. Het kan met een Ecovat. Een enorme ondergrondse warmtebuffer, die dient als opslag voor zonnestroom en windenergie. In Arnhem vindt binnenkort een grootschalige demonstratie plaats.

Opslag was tot nu toe een belangrijke ontbrekende schakel in de transitie naar duurzame energie. ‘Je moet een Ecovat zien als een grote weckpot onder de grond, gevuld met grondwater. Met een diameter én diepte van ongeveer 32 meter. vertelt Aris De Groot, directeur van Ecovat.

Koel in de zomer, warm in de winter

Een netwerk van duurzame stroomopwekkers voedt het Ecovat. Bijvoorbeeld zonnepanelen en windmolen. Het vat zet opgewekte elektriciteit om in warmte, waardoor het water in het vat opwarmt. De temperatuur kan oplopen tot 90 graden Celsius. Die warmte blijft lang bewaard, vanwege goede isolatie. Na zes maanden is 90% van de warmte behouden.

Energie die in de zomer wordt opgewekt, is te gebruiken in de winter. Warmtewisselaars kunnen ieder moment de opgeslagen warmte uit het water trekken en doorgeven aan aangesloten huizen. Exact de temperatuur die nodig is. Zo worden huizen in de zomer gekoeld en in de winter verwarmt.

500 woningen met een Ecovat

Op kleine schaal doorstond het Ecovat al enkele testen, maar nu begint het grotere werk. In de Arnhemse wijk Ons Dorp start mede dankzij RVO.nl binnenkort een demonstratietraject. Een Ecovat gaat 500 woningen voorzien van duurzame energie. Het hele jaar door. De Groot hoopt dat het demonstratieproject bijdraagt om de energietransitie te versnellen.

Energiebesparing tot € 650 miljoen per jaar

Als het project in Ons Dorp slaagt, is landelijke invoering weer een stap dichterbij. “Dat zou fossiele energiecentrales overbodig maken en de uitbreiding van de netcapaciteit beperken. Adviesbureau Berenschot rekende voor ons uit dat dit Nederland op de lange termijn een besparing oplevert van € 380 miljoen tot € 650 miljoen per jaar.”

Rol RVO.nl

Het project in Arnhem kwam onder andere tot stand dankzij de regeling Demonstratie Energie-Innovatie (DEI) van RVO.nl. Deze subsidie is bedoeld voor ondernemers die investeren in een energie-innovatie en daarmee bijdragen aan de economische (groene) groei in Nederland.

RVO 29 aug 2018

Meer weten?

Meta-informatie hoofdinhoud

 

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .

3 keer duurzaam gebouwen: Daken maken de stad klimaatbestendig

groene daken

Klimaatverandering en het aangekondigde Klimaatakkoord maken een duurzame gebouwde omgeving noodzakelijk. Dankzij pioniers met concrete oplossingen krijgt een duurzame stad vorm. Gasloos, circulair en klimaatbestendig; drie Amsterdamse voorbeelden. Vandaag: hoe daken de gebouwde omgeving klimaatbestendig maken.  

24-08-2018 09:45 | Door: Rianne Lachmeijer

Dit artikel is  onderdeel van een serie over duurzaam bouwen. Volgende week verschijnt het laatste deel: Een circulaire wijk.

“Als je op straat loopt, realiseer je je niet hoeveel verschillende soorten daken er zijn. En elk dak biedt andere mogelijkheden”, vertelt Jan Henk Tigelaar, project manager bij Rooftop Revolution tijdens een presentatie.

Nederland beschikt over circa 400 km2 aan plat dak. Rooftop Revolution wil deze daken bedekken met planten. “Mensen wonen graag in een groene omgeving”, legt Tigelaar uit. Maar een dak bedekt met planten levert meer op dan mooi uitzicht.

Wat groene daken opleveren

Een groen uitzicht vermindert stress en verhoogt de concentratie, aldus Tigelaar. Daarnaast verhoogt beplanting de isolatiewaarde van het dak: In de zomer houdt de groene dakbedekking de warmte buiten en in de winter juist binnen. Dat levert een energiebesparing op. Ook neemt de waarde van huizen volgens hem met 4 tot 15 procent toe als deze in een groene buurt staan.

‘Een combinatie met zonnepanelen is altijd een goed idee’

Daarnaast kan beplanting de levensduur van het dak verdubbelen en “een combinatie met zonnepanelen is altijd een goed idee.” Hij legt uit: “Zonnepanelen worden minder efficiënt als het warmer wordt dan 25 tot 30 graden en een traditioneel dak kan op een ’s zomerse dag wel 70 tot 80 graden worden.”

Doordat een groen dak koeler is, vergroot dit het zonnepanelenrendement en vermindert het tegelijkertijd de hitte in de stad. Tot slot verlichten groene daken de druk op het riool tijdens piekbuien die door klimaatverandering vaker voor zullen komen. “Het riool is niet voorbereid op het klimaat van de toekomst”, stelt  Tigelaar.

Een klimaatbestendige gebouwde omgeving

Ook de gemeente Amsterdam is zich bewust van de impact van piekbuien op het riool, weet Daniël Goedbloed, programmamanager bij Rainproof. “Ontwikkelaars van nieuwe gebouwen zijn verplicht om binnen een uur 60 millimeter aan regenval op hun kavel te kunnen opvangen”, vertelt hij. Dit maakt onderdeel uit van het rioolbeleid en moet ervoor zorgen dat Amsterdam bij een hoosbui niet direct onderloopt.

Goedbloed neemt ons mee naar zijn favoriete dak, waar wateropslag en beplanting worden gecombineerd: een ‘groen-blauw’ dak. “Een standaard groen dak is bedekt met sedum, omdat het weinig water nodig heeft. Het kan uitdrogen en daarna weer opleven, maar op dit dak heb je allerlei soorten planten. Waardoor het een heel fijne plek wordt om rond te wandelen. Je ziet veel bloemen en bijen, dat levert ecologische waarde op”, zegt Goedbloed tijdens de rondleiding.

Het dak als omgekeerde polder

Het dak is van vastgoedeigenaar Breevast en is aangelegd door de Dakdokters in samenwerking met Karres en Brands. De bovenste laag van het dak bestaat uit planten en een drainagesysteem, daaronder bevindt zich een waterbergingssysteem waar men circa 80 millimeter water in kwijt kan. Het gaat om een zogenoemd ‘polderdak’, omdat het systeem als een omgekeerde polder werkt. “In plaats van dat het water buiten laat, houdt het water binnen.”

Met behulp van sensoren reageert het systeem op weersvoorspellingen. Als er een grote bui aankomt, wordt de waterberging geleegd zodat er voldoende ruimte is voor het extra water. “Alleen in extreme gevallen is dat nodig, meestal houdt het dak al het regenwater vast.” Na een korte stilte vervolgt hij: “Nu staat het helemaal droog.” Dat is een gevolg van klimaatverandering waar het vandaag niet overgaat. “Morgen is regen voorspeld”, klinkt het hoopvol uit de groep.

Benieuwd naar het eerste deel van de serie? Lees nu hoe de Zuidas zich voorbereidt op de energietransitie.

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .

………………………………….

‘We moeten veel meer bomen planten om water vast te houden’

Wissing ontwerpt wereldwijd tuinen en parken en heeft meerdere prijzen gewonnen. De klimaatverandering baart hem steeds grotere zorgen. ‘Ik baal als een stekker. Bomen gaan dood. Tien tot vijftien procent wordt bedreigd….beuken, berken, esdoorns. Ze laten nu hun blad vallen als laatste poging om te overleven.’

Agroforestry

Wissing pleit voor de aanplant van veel meer bomen. ‘Dat is vooral belangrijk voor schaduw en voor de waterhuishouding. Als je kijkt wat voor een wortelstelsel er onder de grond ligt bij grote bomen, dan kan er heel veel water vastgehouden worden.’

De landbouw moet volgens Wissing echt een slag gaan slaan nu. ‘Agroforestry, van akker naar bos. Je ziet het langzaam ook hier ontstaan’, legt hij uit. Het is een combinatie van land- en bosbouw. Volgens hem zijn er steeds meer mensen geïnteresseerd nu de klimaatverandering zitbaar wordt.’

Kijk hier naar de reportage (de tekst loopt door onder de video):

Voedselbos

Ank van Maanen en Vincent Wittenhorst zetten volop in op deze manier van voedselproductie. Met hun project Weet wat je Eet in Montferland willen ze bos en voedselproductie combineren. Ze zijn één van de winnaars van Brood en Spelen, een landelijke ontwerpprijsvraag waar plattelandsvernieuwing het thema was.

Natuurboerderij Wittenhorst in Stokkum, gemeente Montferland, moet nog volledig uit de grond gestampt worden. ‘De eerste ideeën zijn er’, legt Van Maanen uit. Maar het komende half jaar moet het ook echt vorm gaan krijgen. Maar we houden heel erg rekening met water, energie en grondstoffen. Wij willen de bodem beter maken, water vast houden; lokaal produceren en uiteindelijk willen een voedselcoöperatie oprichten.’ Zo moeten er onder andere fruitbomen en notenbomen geplant worden.

Foto: Ontwerp project Stokkum

Plattelandsvernieuwing

Volgens Rijksbouwmeester Floris Alkemade moet er echt een omslag gemaakt worden op het platteland. Dat zei hij op de dag dat de prijswinnaars van Brood en Spelen bekend werden gemaakt. Rijksbouwmeester Floris Alkemade: ‘De grote veranderingen die zich nu op het platteland aftekenen, zijn niet alleen problematisch. Ze bieden ook grote mogelijkheden. Radicale vernieuwingen zijn nodig om het platteland weer duurzaam en aantrekkelijk te maken.’

De prijsvraag biedt boeren en grondeigenaren de kans om met creatieve ideeën aan de slag te gaan. Ank van Maanen heeft met het winnen van de prijsvraag 25.000 euro gekregen en professionele begeleiding om het plan van het voedselbos uit te werken. Naast Van Maanen wonnen nog 15 andere projecten hetzelfde. Een belangrijke reden om zo’n groot aantal winnaars te benoemen, is volgens Alkemade om zicht te krijgen op de mogelijkheden om het platteland te innoveren, maar ook op de belemmeringen die vernieuwing tegenhouden.

Heeft u opmerkingen of aanvullingen op dit bericht? Mail dan met de redactie: omroep@gld.nl. Of stuur ons direct een WhatsApp-bericht: 06 – 220 543 52

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .
.
Krabben, hier een kokoskrab, en bomen vormen de grondstof voor de nieuwe flexibele folie.

Nieuw materiaal uit krabbenschalen en bomen zou plastic verpakkingsfolie kunnen vervangen

Onderzoekers van het Georgia Institute of Technology hebben een materiaal gecreëerd op basis van krabbenschalen en vezels uit bomen ,dat het potentieel heeft om de flexibele plastic vershoudfolie voor voedingswaren te vervangen. Het nieuwe materiaal is biologisch afbreekbaar, en het wordt gemaakt door verschillende lagen chitine uit krabbenschalen en cellulose uit bomen over elkaar te spuiten, wat een flexibele, doorzichtige folie geeft.

“De belangrijkste maatstaf waarmee we het vergelijken is PET, polyethyleentereftalaat, onder de transparante verpakkingen die je vindt in voedselautomaten en zachte drankflessen een van de meest voorkomende, uit petroleum gemaakte materialen”, zei J. Carson Meredith, een professor aan de School of Chemical and Biomolecular Engineering van het Georgia Institute of Technology (Georgia Tech).

“Ons materiaal laat een vermindering zien van 67 procent van de doorlaatbaarheid voor zuurstof tegenover sommige soorten PET, wat betekent dat het in theorie voedsel langer en beter vers kan houden”, zo zei hij in een persmedeling van Georgia Tech.

Nanovezels

Cellulose, dat afkomstig is van planten, is de meest voorkomende natuurlijke biopolymeer, gevolgd door chitine, dat gevonden wordt in de schalen van schaaldieren en de schilden van insecten, en in zwammen. Een polymeer is een zeer grote molecule, vaak een keten, die bestaat uit een herhaling van kleinere aan elkaar gekoppelde moleculen, een biopolymeer is een biologische vorm daarvan.

Het team bedacht een methode om een film te creëren door nanovezels – erg kleine vezels – van cellulose en chitine in suspensie in water te houden, en ze op een oppervlak te spuiten in alternerende lagen. Eens het materiaal volledig gedroogd is, is het flexibel, sterk, doorzichtig en composteerbaar.

“We waren al verschillende jaren cellulose-nanokristallen aan het bekijken, en manieren aan het onderzoeken om die te verbeteren voor gebruik in lichtgewicht composietmaterialen en ook in voedselverpakkingen, vanwege de enorme marktmogelijkheden voor hernieuwbare en composteerbare verpakkingen”, zei professor Meredith, die eraan toevoegde dat het verpakken van voedsel in het algemeen zeer belangrijk zal worden met de toename van de wereldbevolking.

Het team was voor een andere reden ook chitine aan het bekijken, en de onderzoekers begonnen zich af te vragen of dat ook enig nut zou kunnen hebben in voedselverpakkingen.

“We zagen in dat, omdat de chitine-nanovezels positief geladen zijn, en de cellulose-nanokristallen negatief, ze goed zouden kunnen werken als alternerende lagen in een coating, omdat ze een mooi raakvlak zouden vormen”, zei Meredith in de mededeling van Georgia Tech.

Professor Meredith met een staal van het nieuwe verpakkingsmateriaal.Copyright_2018_Georgia_Institute_of_Technology/Allison Carter

Kristalstructuur

Verpakkingsmateriaal dat bedoeld is om voedsel goed te houden, moet verhinderen dat er zuurstof doorheen komt. Een deel van de reden waarom het nieuwe materiaal als gasbarrière een verbetering is tegenover de traditionele plastic verpakking, zit in de kristalstructuur van de folie.

“Het is moeilijk voor een gasmolecule om door een vast kristal te geraken, omdat ze de kristalstructuur moet verbreken”, zei Meredith. “Iets zoals PET aan de andere kant, heeft een aanzienlijke hoeveelheid amorfe of niet-kristallijne inhoud, dus er zijn meer gemakkelijke paden voor een kleine gasmolecule om erdoor te geraken.”

Milieu-activisten zoeken al lang naar hernieuwbare alternatieven om van petroleum afgeleide materialen te vervangen in consumptiegoederen. Met de hoeveelheid cellulose die nu al geproduceerd wordt, en een ruime toevoer van chitine-rijke afvalproducten uit de schaaldieren-industrie, is er waarschijnlijk meer dan genoeg materiaal beschikbaar om van de nieuwe folie een leefbaar alternatief te maken voor flexibel verpakkingsmateriaal, zei Meredith.

Maar er is nog werk aan de winkel. Om het nieuwe materiaal eventueel concurrentieel te maken op het gebied van prijs, zal er een productieproces ontwikkeld moeten worden dat het schaalvoordeel kan maximaliseren, dat met andere woorden op grote schaal kan produceren zodat de prijs per eenheid daalt.

En terwijl de industriële processen om op grote schaal cellulose te produceren al “volwassen” zijn, staan de methodes om chitine te produceren nog in hun kinderschoenen, zei Meredith. Bovendien is er nog meer onderzoek nodig om het vermogen van het nieuwe materiaal te verbeteren om waterdamp tegen te houden.

De studie van Meredith en zijn team over het nieuwe verpakkingsmateriaal is gepubliceerd in “ACS Sustainable Chemistry and Engineering”.

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .

 

 


Varken buiten in de modder

Biologische landbouw groeit

De biologische landbouw liet in 2017 over het algemeen een duidelijke groei zien ten opzichte van een jaar eerder. Onder andere de omvang van de biologische varkensstapel (+ 24,2 procent) en de productie van biologisch varkensvlees groeide (+26,3 procent). In de biologische akkerbouw is de aardappelproductie toegenomen. Dat blijkt uit laatste cijfers van het CBS over de biologische landbouw in 2017.

Klik hier om verder te lezen

Bron: CBS 19 juli 2018

 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

            Opinie Energietransitie

Verdeel de lusten en de lasten van de groene revolutie eerlijk

Foto Rhonald Blommestijn

Zonder ingrijpen zal de nieuwe energietransitie leiden tot nieuwe ongelijkheid. Michiel Hulshof en Koen Straver pleiten voor ‘energie-rechtvaardigheid’. Voorkom dat het klimaat de nieuwe splijtzwam wordt.

De laatste energietransitie die Nederland doormaakte, was die van steenkool naar aardgas. De gevolgen bleken desastreus voor veel Limburgers. Ruim 45 duizend ‘kompels’ en 30 duizend anderen verloren hun baan. Vaders en broers kwamen werkloos thuis te zitten, of belandden met versleten rug en stoflongen in de WAO. De mijnstreek liep leeg. Het luxueuze Heerlen veranderde in een troosteloze stad van armoede en drugsoverlast. Tot op de dag van vandaag zijn de gevolgen van de mijnensluiting merkbaar. In 2011 nog verzakte winkelcentrum ’t Loon in Heerlen door verwaarloosde mijnschachten. Ook de werkloosheid en de armoede in de voormalige mijnstreek bleven decennialang boven het landelijke gemiddelde.

We staan nu aan het begin van een nieuwe energietransitie. De gasketels, kolencentrales, dieselauto’s en raffinaderijen moeten plaatsmaken voor duurzame alternatieven zoals warmtepompen, windmolens, zonnepanelen en elektrische auto’s. Hoog tijd om te voorkomen dat de ‘groene revolutie’ dezelfde desastreuze uitwerking heeft op tienduizenden gezinnen als de sluiting van de mijnen.

Het afgelopen jaar deden wij, ECN part of TNO en onderzoeksbureau Tertium, samen met Milieudefensie en Alliander onderzoek naar de ‘winnaars en verliezers van de energietransitie’. Door middel van expertsessies, interviews en literatuuronderzoek brachten we in kaart waar nieuwe vormen van ongelijkheid kunnen optreden. De lijst is lang en zorgwekkend.

Zonder ingrijpen krijgen echte pechvogels te maken met een opeenstapeling van problemen: ze verliezen hun baan, kijken uit op ongewenste windmolens, ontvangen steeds hogere energierekeningen, ze zien hun wijken verpauperen, wonen in onverkoopbare huizen en kunnen zich steeds moeilijker verplaatsen. Een nieuw ‘mandje vol sukkelaars’ met een diepe afkeer voor de overheid dient zich aan.

Duurzaamheidskloof

Een paar weken geleden waarschuwde filosoof René Cuperus in de Volkskrant voor een ‘duurzaamheidskloof’, waarbij de ‘lager betaalde, lager opgeleide helft’ van Nederland de grootste rekening gepresenteerd krijgt omdat ze onvoldoende geld hebben om op tijd over te stappen op duurzame energie. Zijn zorgen zijn terecht al menen wij dat het te simpel is te stellen dat de energiekloof gaat lopen tussen de huidige groep ‘rijk en hoogopgeleid’ aan de ene, en ‘arm en laagopgeleid’ aan de andere kant. De energietransitie die voor de deur staat, zal haar eigen verliezers creëren. Dat gebeurt nu al.

Terwijl de trotse eigenaar van een Volkswagen Golf 1.9 TDI Trendline uit 2001 op diesel niet meer met zijn auto in de binnenstad van Utrecht mag komen, kunnen Tesla-rijders hun bolide rustig inpluggen bij een laadpaal aan de Oude Gracht. Trek deze trend door en je ziet de tweedeling ontstaan: terwijl ‘winnaars’ vrijelijk met hun auto door de straten zoeven, staan ‘verliezers’ te wachten op de bus. Is dat echt de samenleving die we willen?

Groene golf

De laatste jaren richten steeds meer enthousiaste burgers coöperaties op voor het opwekken van hun ‘eigen’ groene stroom. Deze ‘groene golf’ lijkt louter positief, maar kan op termijn eveneens problemen veroorzaken. Uit sociologisch onderzoek weten we dat het ‘zelforganiserend vermogen’ niet gelijkmatig over ons land is verdeeld: in dorpen of stadswijken met een sterk ontwikkeld verenigingsleven ontstaan veel eerder energiecoöperaties dan in dorpen of stadswijken zonder sterke sociale verbanden. Die kloof loopt lang niet altijd parallel met inkomen of opleidingsniveau. Het resultaat: terwijl de ene Nederlander lekker kan meeparticiperen met een windmolen- of zonnepanelenproject, weet de ander niet eens dat zoiets bestáát.

Ook de aanleg van aardgasvrije woonwijken zal leiden tot nieuwe haves en havenots. Hoe meer Nederlanders zich laten afkoppelen van het gasnetwerk, hoe minder huishoudens overblijven om de netwerkkosten te betalen. Woningeigenaren met een krappe beurs zijn dubbel de klos: ze kunnen niet investeren in een warmtepomp, en betalen daardoor noodgedwongen een steeds hogere gasrekening. Ook hier is het verschil tussen rijk/hoogopgeleid en arm/laagopgeleid niet allesbepalend. Huurders zouden weleens beter af kunnen zijn, omdat woningcorporaties verplicht investeren in de energiehuishouding van hun huurhuizen. Kosten: 108 miljard euro en of de overheid even wil bijspringen, alstublieft.

Niet alle langetermijngevolgen vallen te voorspellen. Welke beleidsmaker kon in de jaren zestig voorzien dat de vondst van de aardgasbel bij Slochteren ertoe zou leiden dat Groningers vijftig jaar later bovenmatig gebukt gaan onder depressies en angststoornissen? Ook nu hebben we geen glazen bol, maar we zijn het verplicht aan de vorige verliezers om te leren van het verleden.

Toen kwamen duizenden mensen zonder baan te zitten. Hoe zit dat nu? Uit de Nationale Energieverkenning blijkt dat het aantal arbeidsplaatsen in de fossiele energiesector snel afneemt: van 73 duizend voltijdsbanen nu naar 62 duizend over twee jaar. De gevolgen voor het verlies aan indirecte banen – onderhoudsmonteurs van gasketels, toeleveringsbedrijven voor gasleidingen – zijn mogelijk nog groter.

Lokale economie

Net als bij de mijnensluitingen, komt het verdwijnen van de fossiele energiesector in sommige regio’s harder aan dan in andere. De haven van Rotterdam en de provincie Groningen zijn het meest afhankelijk van de fossiele industrie en daardoor kwetsbaar. Een te late omslag kan grote gevolgen hebben voor de gezondheid van de lokale economie, de aantrekkelijkheid van de regio, de huizenprijzen en uiteindelijk de sociale structuur.

Gericht arbeidsmarktbeleid voor de verwachte fossiele banenkrimp ontbreekt. Vakbond FNV pleitte vorig jaar voor een ‘kolenfonds’ van 800 miljoen euro voor de werknemers van de vijf kolencentrales die binnenkort sluiten. Waarschijnlijk zijn wel meer van dat soort fondsen nodig.

Natuurlijk biedt de groene revolutie ook nieuwe kansen op werk. Onderzoeksbureau CE Delft rekent op ruim 11 duizend extra banen per jaar tot 2035. Die zijn nodig voor het installeren van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen, het afkoppelen van gasleidingen, het open graven en weer bestraten van hele steden en het aanleggen van warmtenetten. Maar wie gaat dat werk doen?

De bouwsector wordt op dit moment compleet overvraagd. Overheid, opleidingen en de sector zouden veel meer moeten doen om jongeren op mbo-niveau te interesseren voor een carrière in de duurzame installatietechniek. Zo kan het aantal potentiële winnaars van de energietransitie worden vergroot.

Foto Rhonald Blommestijn

De strijd om de ruimte

Dan de strijd om de ruimte. Provincies en Rijk hebben afgesproken dat windmolens op land in 2020 voor 6.000 megawatt aan energie zullen opwekken. De teller staat nu op 3.300 megawatt. Dat betekent dat Nederland de komende twee jaar een verdubbeling te wachten staat. We hebben de situatie tot 2050 doorgerekend; dan moet Nederland naar schatting vier keer zoveel windenergie op land opwekken dan nu. Een deel daarvan kan worden opgevangen door efficiëntere windmolens, maar zeker niet alles. Ook het opwekken van zonne-energie heeft gevolgen voor het landschap (zonnevelden) en de woonomgeving (panelen op het dak).

Lusten en lasten van wind- en zonne-energie komen vaak niet bij dezelfde groepen terecht. Dat geldt op nationaal niveau: windmolens draaien niet op de plekken waar de meeste energie wordt gebruikt. Terwijl de ene groep moet leven tussen de molens, kunnen anderen overlastvrij genieten van windenergie. Op lokaal niveau geldt vooral dat de eigenaar van een windturbine profiteert, terwijl de buren in de slagschaduw van de molen kampen met slapeloze nachten door het zwiepende geluid van de wieken.

De overheid kan en moet veel meer doen om deze oneerlijke situatie te verbeteren. Denk bijvoorbeeld aan het plaatsen van windmolens op plekken waar de energievraag het grootst is. Of onderzoek de mogelijkheid van kleinere molens – die zijn wellicht minder efficiënt, maar geven ook minder geluidsoverlast. Een andere interessante aanpak is die langs de A16: daar komt een kwart van de windmolens in eigendom van de lokale gemeenschap. Per gemeente wordt een stichting opgericht die in overleg met inwoners de lusten van deze ‘dorpsmolens’ zo goed mogelijk verdeelt.

Mattheüs-effect

Dan hebben we nog het probleem dat het best wordt samengevat in de beroemde Bijbelpassage: ‘Want wie heeft, zal nog meer krijgen, en wel in overvloed, maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft nog worden ontnomen.’ Wie nu kan investeren in groene energie profiteert het meest. Wie niet kan investeren, gaat er op termijn op achteruit. Onderzoek van CE Delft in opdracht van Milieudefensie, FNV, de Woonbond en de ngo Tax Justice berekende de gevolgen van dit ‘Mattheüs-effect’: Nederlanders met een bruto-inkomen van maximaal 17.646 euro gaan in 2021 zo’n 6 procent van hun inkomen aan energie betalen. Als we niets doen, kan dat oplopen tot 17 procent in 2050.

Netwerkbedrijf Alliander schat dat 750 duizend gezinnen moeite hebben met het betalen van hun energierekening. De verschillen kunnen in korte tijd snel oplopen, zeker als woningcorporaties en kapitaalkrachtige woningeigenaren tegelijkertijd maatregelen nemen om energie te besparen of zelf op te wekken. Voor de fossiele ‘achterblijvers’ wordt het leven dan snel duurder.

We moeten onderkennen dat de energietransitie, zoals alle omwentelingen, niet alleen winnaars maar ook verliezers kent. De overgang naar duurzame energie kan alleen succesvol verlopen als die gepaard gaat met sociale maatregelen. Anders lopen we het risico dat klimaat de nieuwe splijtzwam in de samenleving wordt. Wie wil weten wat er dan kan gebeuren, moet kijken naar de gevolgen van het vertrek van de fabrieken in de Amerikaanse rust belt. De inwoners voelen zich als slachtoffers van de globalisering ernstig verwaarloosd en stemden anderhalf jaar geleden massaal op het ‘America First’ van Donald Trump.

Wij pleiten voor ‘energie-rechtvaardigheid’ als toetsingskader voor nieuw beleid: stimuleer duurzaam vervoer, maar bedenk wat je doet met eigenaren van derdehands diesels. Plaats die windmolen, maar vraag je af wat de omwonenden daaraan hebben. Haal dat aardgas uit je stad, maar verzin een oplossing voor woningeigenaren met weinig geld. Sluit die kolencentrale, maar school de werknemers om. Prijs die lokale energiecoöperatie, maar zorg dat iedereen er lid van kan worden. Kortom: bedenk niet alleen wat goed is, maar ook voor wie en voor wie niet.

Om dit goed te doen, moet de overheid meer onderzoek doen naar de gevolgen van de energietransitie. Pas als we duidelijk weten hoe de lasten en lusten precies worden verdeeld, kunnen ethisch onderbouwde keuzes worden gemaakt. Zo kan een nieuw energie-drama worden voorkomen.

Michiel Hulshof is journalist en medeoprichter van Tertium, bureau voor burgerparticipatie. Koen Straver is sociaal wetenschapper bij ECN part of TNO. Met Alliander en Milieudefensie deden zij onderzoek naar ‘winnaars en verliezers van de energietransitie’.

 

 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 

 

 

Het klimaatakkoord nadert je voordeur

angepast,Economie
De plannen om alle huizen in Nederland de komende tientallen jaren te verduurzamen zijn vergevorderd. Wat opvalt: we moeten niet te hard van stapel lopen. En geruststellend: het is de bedoeling dat we het niet direct in onze portemonnee voelen, al is het natuurlijk afwachten of dat ook echt lukt.

Een en ander blijkt uit gesprekken van de NOS met deelnemers die werken aan het klimaatakkoord. Dat wordt op 6 juli gepresenteerd, maar de hoofdlijnen tekenen zich al af.

Voor alle 12.000 wijken in Nederland wordt een plan opgesteld hoe ze tot 2050 duurzaam gemaakt kunnen worden. Nederland wordt hier voor opgedeeld in dertig ‘energie-regio’s’. Provincies, gemeenten en energiebedrijven moeten dan kijken wat per wijk de beste oplossing is.

Al over drie jaar moet iedereen in Nederland weten waar hij aan toe is. Bewoners krijgen inspraak en het kan voor veel mensen ook nog een flink aantal jaren duren voordat er echt iets verandert.

Hogere gasbelasting, ‘groene’ leningen

Om mensen te stimuleren om van het gas af te gaan, gaat de belasting op aardgas waarschijnlijk omhoog en die op elektriciteit naar beneden. Daardoor worden duurzame alternatieven goedkoper ten opzichte van de traditionele cv-ketel. Uiteindelijk zal het recht op gas verdwijnen en vervangen worden door een recht op warmte, is de verwachting. Het recht op aansluiting verdwijnt al op 1 juli aanstaande.

Volgens de plannen moeten particuliere huizenbezitters voor de verduurzaming van hun huis een lening met lage rente kunnen krijgen. Die is dan gekoppeld aan het huis en niet aan de eigenaar. Als iemand zijn huis verkoopt, gaat ook de lening over op de volgende koper.

Deze zogenoemde gebouwgebonden financiering moet voorkomen dat mensen de investering direct in hun portemonnee voelen. Verlaging van de energiekosten moet de kosten van de lening afdekken.

Laatste details

De plannen zijn nog niet allemaal af, maar technisch wel zo goed als rond. Over de invulling van details wordt nu nog onderhandeld. Zo moeten de banken een ‘groene lening’ ontwikkelen en zitten er nog juridische haken en ogen aan de gebouwgebonden financiering.

Uiteindelijk moeten het kabinet en de Tweede Kamer beslissen hoe het wettelijk kader van het akkoord er precies uit komt te zien.

Voor het klimaatakkoord wordt aan zes ‘tafels’ gesproken over alle aspecten die erbij komen kijken. De verduurzaming van huizen komt aan bod bij de tafel ‘gebouwde omgeving’. In andere gespreksrondes gaat het over de verduurzaming van de elektriciteitsproductie, de industrie, de transportsector en de landbouw. De ‘gebouwde omgeving’ heeft van alle klimaattafels de laagste doelstelling als het gaat om CO2-reductie, maar de maatregelen komen wel bij ons allemaal over de drempel.Een overzicht van het ministerie met de verschillende ‘tafels’ minezk.nl

Naar verwachting kunnen in 2030 zo’n miljoen huizen van woningcorporaties zijn aangepakt, de helft van de totale voorraad sociale huurwoningen. Een paar duizend wijken kunnen bijna volledig CO2-neutraal gemaakt worden omdat de verduurzaming gecombineerd kan worden met al bestaande renovatieplannen.

Daarnaast kan tot 2030 ook bijna een kwart van de vier miljoen eigendomswoningen worden aangepakt. In totaal moeten er naar verwachting voor 2030 bijna twee miljoen woonhuizen verduurzaamd worden om aan de kabinetseisen van het klimaatakkoord te voldoen.

De doelstellingen voor CO2-reductie vloeien voort uit het regeerakkoord, waarin staat dat de CO2-uitstoot in Nederland in 2030 bijna gehalveerd moet zijn ten opzichte van 1990. In 2050 moet Nederland volgens het internationale klimaatakkoord van Parijs, net als de rest van de wereld, zo goed als CO2-neutraal zijn.

In grote en middelgrote steden zullen in veel wijken warmtenetten aangelegd worden om het aardgas te vervangen. Die warmtenetwerken moeten draaien op restwarmte van de industrie en warmte die opgepompt wordt uit de aarde met behulp van geothermie.

Nieuwbouwwijken zullen vaak volledig elektrisch worden, ook voor de warmtevoorziening. Het gaat dan meestal om een combinatie van een warmtepomp en zonnepanelen.

Op sommige afgelegen plaatsen zal gas voorlopig nodig blijven, maar idealiter zo snel mogelijk vervangen wordt door ‘groen’ gas of waterstof. Die huizen krijgen hybride cv-installaties die op elektriciteit draaien maar op hele koude winterdagen ook over kunnen schakelen op gas.

Mensen hoeven niet allemaal als een dolle naar de bouwmarkt te rennen.

Deelnemer klimaatonderhandelingen

Voor huizenbezitters lijkt de boodschap dat we het kalm aan kunnen doen. Zolang niet duidelijk is wanneer je wijk van het gas af gaat en wat ervoor in de plaats komt, is het ook lastig om te bepalen hoe je je huis het beste kunt verduurzamen. Isoleren is altijd goed, zegt een van de betrokkenen, en een paar zonnepanelen op je dak kunnen ook geen kwaad. Verder is het raadzaam om af te wachten wat je gemeente voor wijkoplossing heeft bedacht en dan de maatregelen te nemen die daar bij aansluiten.

Hoewel er dus heel wat op stapel staat, kunnen de meeste mensen voorlopig het beste afwachten. Of zoals een van de deelnemers aan het klimaatakkoord het formuleert: “Mensen hoeven niet allemaal als een dolle naar de bouwmarkt te rennen”.

 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 

Verkenning Brede Welvaart 2018 – Circulaire economie, gedrag en beleid.

mei 2018

Burgers en bedrijven steunen circulaire economie, maar niet als het hen zelf geld kost

 

Burgers en bedrijven vinden het legitiem dat de overheid beleid voert om tot een meer circulaire economie te komen. Het draagvlak voor circulaire maatregelen neemt echter af als deze groepen zelf de pijn ervan voelen. Inzicht in het gedrag van burgers en bedrijven, en vooral in de beweegredenen achter concrete gedragingen, helpt om effectief circulair-economisch beleid vorm te geven. Dit zijn enkele van de conclusies uit de ‘Verkenning Brede Welvaart 2018 – Circulaire economie, gedrag en beleid’, een coproductie van het Planbureau voor de Leefomgeving, het Centraal Planbureau en het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Klik hier om verder te lezen     >  rapport CPB 30 blz.

 

 . . . 
<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

In Zaandam wordt straks één zonnepaneel per minuut gemaakt

Daniël Kuijk (r) en Bert Schouws in de hal waar zij eind dit jaar beginnen met de productie van zonnepanelen

Daniël Kuijk (r) en Bert Schouws in de hal waar zij eind dit jaar beginnen met de productie van zonnepanelen © Jean-Pierre Jans

Terwijl ook deze industrie bijna helemaal naar Aziatische lagelonenlanden is verkast, opent nog dit jaar een zonnepanelenfabriek bij Zaandam. ‘Dit is blauwekielenwerk zonder blauwe kielen.’

De laatste stap in het maken van zonnepanelen laat zich vergelijken met het bakken van tosti’s. Het acht meter hoge bakbeest dat de op printplaten geplakte zonnecellen straks gaat lamineren, wordt door de initiatiefnemers van zonnepanelenfabriek Energyra omschreven als een soort tosti-ijzer.

Ze ontvangen in een nog vrijwel lege fabriekshal in Westknollendam, het noordelijkste puntje van de Zaanstreek. Vanaf eind dit jaar komt hier één zonnepaneel per minuut van de band – vijf dagen in de week, 24 uur per dag. “Hier komt het grote monster,” zegt Daniël Kuijk wijzend.

In het één voetbalveld grote pand werden tot twee jaar geleden stoomcabines en bubbelbaden gemaakt. De nieuwe fabrieksvloer glimt nog helemaal. Op haar step rijdt het dochtertje van de fotograaf door de hal.

Zo’n uitgestrekte vloer vraagt daar ook wel een beetje om, dat snappen ze bij Energyra. “Toen de hal leeg kwam, konden wij het ook niet laten,” zegt Bert Schouws. “We hebben toen even een balletje getrapt.”

Onderscheidende plannen
In de fabriekshal gaat Energyra iets doen wat niet meer voor mogelijk werd gehouden. De productie van zonnepanelen is de laatste tien jaar bijna helemaal naar het Verre Oosten verplaatst. In Europa konden fabrikanten het niet meer bolwerken.

Vorige week bleek nog dat plannen voor een assemblagefabriek voor zonnepanelen in Oost-Groningen zijn afgeblazen.

Het bedrijf achter de fabriek, zonneparkontwikkelaar Powerfield, ziet ervan af omdat de importtarieven van de EU op goedkope Chinese zonnepanelen worden verlaagd, terwijl de export naar de VS juist duurder wordt, als gevolg van president Trumps ‘America First’.

350.000

Energyra verwacht in de nieuwe fabriek met voorlopig één productielijn 350.000 zonnepanelen per jaar te maken.

Toch belemmert dat Energyra niet de productie van zonnepanelen terug naar het Westen te halen – heel symbolisch, naar het oudste industriegebied van Europa. Het verschil is volgens Kuijk dat de Groningse plannen zich te weinig onderscheidden van de Aziatische concurrentie.

Begonnen als werkgelegenheidsproject voor een krimpregio was het de bedoeling te beginnen met 180 arbeidsplaatsen. Dát lijkt hem inderdaad een gevecht dat Europa niet kan winnen. Dan kom je immers bij de bekende beelden uit lagelonenlanden. “Rijen arbeiders die met kapjes voor hun mond zitten te solderen.”

Dat zijn overigens niet de zonnepanelen die Energyra wil maken. Het bedrijf gaat ze maken volgens een technologie die is ontwikkeld door de Noord-Hollandse energieonderzoekers van ECN, zonder het opzichtige, hoekige rasterpatroon dat de zonnecellen met elkaar verbindt. “Dat is een van de zwakke punten van de traditionele zonnepanelen.”

Extra lange levensuur
In de hitte overdag zet het glas uit, ’s nachts koelt het af en krimpt het. “Het rekken en krimpen zorgt voor kleine breukjes, waardoor de zonnepanelen langzaam maar zeker degraderen. Na vijftien jaar is de capaciteit twintig procent afgenomen,” zegt Schouws.

Bij de Energyrapanelen wordt de stroom naar de onderkant afgevoerd via een geleidende lijm, een vondst van ECN. “Daardoor zijn er geen soldeerverbindingen die na verloop van tijd verbroken kunnen worden.”

De zonnepanelen van Energyra, waarvoor het bedrijf een garantie voor 30 jaar afgeeft, laten zich ook beter recyclen. Zonder soldeerverbindingen komt er geen fluor, lood of tin aan te pas. “In de aanschaf zijn ze ietsje kostbaarder, maar doordat ze langer meegaan, zijn ze per kilowattuur toch steeds de goedkoopste,” bezweert Kuijk.

Dankzij de minder breekbare deklaag zijn ze ook geschikt voor landen met veel sneeuw en hagel

Powerfield, maar ook andere ontwikkelaars van zonneparken, hebben daarom al aangekondigd bij Energyra te bestellen, zodat de fabriek voor de productie van het eerste jaar al bijna zeker is van voldoende afnemers.

Kuijk en Schouws hoor je ook niet zeggen dat de hele zonnepanelenproductie op den duur terugkomt naar Europa. Ze mikken op een niche van klanten die snappen dat tegen de hogere prijs ook een extra lange levensuur staat.

De ECN-techniek maakt het ook mogelijk zonnepanelen te maken die bij uitstek geschikt zijn voor een warm klimaat of juist, dankzij een minder breekbare deklaag, voor landen met veel sneeuw en hagel.

Niet op de Chinese manier
Door het werk in de fabriek te robotiseren blijven de kosten binnen de perken. “Zo hebben we het lagelonenvoordeel van de Aziatische landen vrijwel volledig geneutraliseerd,” zegt Schouws. Bij Energyra kunnen straks vijf mensen de hele productielijn runnen.

Met drie ploegendiensten voor vijf dagen in de week en in totaal ongeveer veertig man personeel verwacht Energyra rond de 350.000 panelen per jaar te maken. En dat is met één productielijn. De fabriekshal in Westknollendam is groot genoeg voor een tweede rij machines.

Ook Energyra is in 2013 begonnen als crisisproject, als plan om de maakindustrie terug te brengen naar deze regio. ‘Trots op wat we kunnen en niet op wat we kletsen,’ zo omschrijft Energyra het wervend.

Maar in de krappe arbeidsmarkt van 2018 is wel duidelijk dat het daarbij niet meer om werkgelegenheid te doen is. “Wij snappen ook wel dat je het hier niet op de Chinese manier kunt aanpakken. Om in Nederland te produceren moet het op deze manier: met robots en een handjevol hoogopgeleide procesoperators. Wij zijn een blauwekielenbedrijf zonder blauwe kielen.”

Voor de regio betekent de nieuwe fabriek een versterking van deze innovatieve sector en de mogelijkheid om de technologie van ECN zelf te gelde te maken. Daar heeft het ook wel aan ontbroken sinds de productie van zonnepanelen bijna is verdwenen uit Europa. “Geen zonnepanelenfabriek in de wereld die niet is gebouwd met Nederlandse techniek.”

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .