Artikelen

 

 


spark roosegaarde

Hoe kunnen we op een duurzame manier vieren, zonder de overlast van vuurwerk, maar wel met het effect ervan? Kunstenaar Daan Roosegaarde raakte geïnspireerd door het magische licht van vuurvliegjes en de wens om de traditie van vuurwerk te moderniseren. Het resultaat is SPARK Bilbao, een poëtische voorstelling van duizenden, biologisch afbreekbare licht sparks die organisch door de lucht zweven. De Wellbeing Summit in Bilbao-Biscay, Spanje, is de eerste ter wereld die dit innovatief design voor duurzaam vieren toont. 

SPARK Bilbao is een alternatief voor traditionele en vervuilende vieringen zoals vuurwerk, ballonnen, drones en confetti. De première van SPARK Bilbao kan vanaf nu bekeken worden. Door een combinatie van design en technologie worden duizenden licht sparks van biologisch afbreekbare materialen geluidloos bewogen door de steeds veranderende wind. SPARK is geïnspireerd op vuurvliegjes, zwermen vogels en de sterrenhemel. In het centrale park van Bilbao brengt deze circa 50 x 30 x 50 meter grote wolk van SPARK de bezoekers tot verwondering en reflectie over de verbondenheid met zichzelf, elkaar en de natuur.

SPARK zal van 1 tot en met 3 juni 2022 in Bilbao-Biscay worden tentoongesteld. Kunstenaar Daan Roosegaarde is gemotiveerd om onze angstgevoelens voor de toekomst om te zetten in nieuwsgierigheid door het ontwerpen van realistische alternatieven. SPARK Bilbao nodigt iedereen uit om deel uit te maken van een milieuvriendelijke toekomst. Met SPARK wordt de onderlinge verbondenheid tussen mens en natuur gevierd, en kunnen tradities op een nieuwe manier in stand worden gehouden. Daarnaast is het een duurzaam alternatief voor evenementen die reflectie en feestelijkheid willen bevorderen, zoals de Olympische Spelen, the Fourth of July, oudejaarsavond of andere gemeenschappelijke vieringen.

Tijdens de groeiende samenwerking tussen Studio Roosegaarde, Draiflessen Collection en de Wellbeing Summit ontwikkelde de kunstenaar dit baanbrekende en betoverende landschapskunstwerk. “Vieringen zijn een belangrijk moment voor gemeenschappen om samen te komen en hun culturen te koesteren. SPARK Bilbao roept een kinderlijke verwondering op die gemeenschappen opnieuw met elkaar verbindt.

Corinna Otto, Museum Directeur Draiflessen Collection en curator van The Wellbeing Summit “Voor veel mensen voelt de huidige situatie beperkend, en het traditionele vuurwerk wordt steeds meer verboden. SPARK Bilbao is een plek van verwondering en een nieuw duurzaam alternatief om samen te vieren.”

Studio Roosegaarde

Als een design lab verbinden de ontwerper Daan Roosegaarde en zijn team, mensen en technologie om landschappen te verbeteren en de verbeelding te prikkelen. Internationaal bekende ontwerpen zijn: WATERLICHT (een virtuele overstroming die de kracht van water laat zien), SMOG FREE PROJECT (’s werelds eerste grootste luchtzuiveraar die smog in juwelen verandert), het SPACE WASTE LAB (visualiseren en upcyclen van ruimteafval), URBAN SUN (reinigt openbare ruimtes van het coronavirus) en Seeing Stars (dat de sterren terugbrengt in de straten van jouw stad). SPARK is het vierde project van de serie DreamScapes van Studio Roosegaarde en Media.Monks waarin een droom realiteit wordt om een betere wereld te creëren.

De Draiflessen Collection

De Draiflessen Collection is in 2009 opgericht op particulier initiatief van de ondernemersfamilie Brenninkmeijer. Het kunstmuseum benadert thema’s die zich bewegen tussen spanningsvelden als traditie en toekomst, geloof en twijfel, grenzen en vrijheid, werkelijkheid en fictie, die belicht worden vanuit artistieke en wetenschappelijke invalshoeken. Actuele voorbeelden zijn de trilogie FAITH, LOVE, HOPE (2019/2020), de tentoonstelling EMIL NOLDE – A CRITICAL APPROACH BY MISCHA KUBALL (2020/21) en TOUCH (2021).

The Wellbeing Summit

The Wellbeing Summit for Social Change vanaf 1 t/m 3 juni 2022 in Bilbao-Biscay is het eerste evenement dat 1.500 leiders van sociale verandering, overheden en bedrijven van over de hele wereld samenbrengt om individueel en collectief welzijn te bevorderen voor diegenen die in de frontlinie van sociale verandering werken. De onderwerpen zullen gaan van de neurowetenschappen van welzijn, tot milieubehoud, tot intergenerationele trauma’s en bovendien worden gezondere organisatieculturen aangemoedigd. Kunst staat centraal tijdens het evenement, met een spectaculair programma van visuele en podiumkunsten, gepresenteerd in samenwerking met gerenommeerde internationale kunstorganisaties en partners waaronder de Ursula Hauser Collection, het Silkroad Ensemble en de Science Gallery Bengaluru.

 

 

green friday

Black Friday, de drukste shopdag van het jaar, is uitgegroeid tot een zwarte dag voor klimaat en milieu. Dat vroeg om een reactie. Die kwam er in de vorm van Green Friday.

De Franse milieuorganisatie Envie bedacht in 2017 het concept Green Friday. Het initiatief is inmiddels uitgegroeid tot een steeds breder wordende beweging. Die presenteert zichzelf als een alternatief voor willekeurige consumptie en onnodige aankopen die worden aangezwengeld door reclame.

Het wil consument er aan herinneringen dat hij zelf verantwoordelijk is voor de aankoopkeuzes die hij maakt, en dus ook voor de concrete gevolgen op het milieu. Het doel is niet om mensen zich schuldig te laten voelen, maar om burgers bewust te maken van een meer verantwoorde consumptie.

In Frankrijk en in België worden op verschillende dagen rond en op Black Friday acties gevoerd door de aangesloten deelnemers. Meer informatie daarover acties vind je op de website van Green Friday.

In Nederland vinden er vooral positieve acties plaats die het klimaat vooruit helpen.

Grotere beweging op gang brengen

Zoals dat van Stichting Trees for All die een veel grotere beweging op gang wil brengen van consumenten en bedrijven die verantwoord willen consumeren en een bijdrage willen leveren aan een groene wereld.

Meer dan 160 merken en bedrijven, waaronder Dille & Kamille, Decathlon, Innocent, ANWB, en Intratuin komen samen met Trees for All met een landelijke tegenbeweging en maken van Black Friday Green Friday. Alle deelnemende bedrijven zetten zich tijdens Green Friday in om bomen te planten via de duurzame bosprojecten van Trees for All. Het doel: het planten van vijftigduizend bomen.

Alles wijst erop dat de koopgekte rondom aanbiedingen tijdens Black Friday groter wordt dan ooit dit jaar. Deze overconsumptie heeft grote impact op onze aarde, zoals uitputting van onze natuurlijke bronnen, vervuiling en onnodig veel CO2-uitstoot. In een tijd waarin we steeds vaker neigen naar duurzame opties in plaats van ‘koopjes’, staat Black Friday haaks op onze beweging richting een groenere aarde. Daarom roept Trees for All in aanloop naar 26 november retailers op om op groen te gaan.

Op Groen

De iconische logo’s worden vergroend, zodat consumenten in één keer zien dat ze bij die retailers een bewuste aankoop kunnen doen. Maar het gaat verder dan alleen de buitenkant; retailers hebben afgesproken die dag óf geen kortingen te geven óf alleen de duurzame artikelen aan te prijzen. Zo wordt het kopen niet per se gestimuleerd, worden consumenten bewust gemaakt van hun aankoop én dragen ze bij aan een bosrijke wereld.

Simone Groenendijk, directeur Trees for All: “Stoppen met shoppen is een illusie, maar van onze aankoop een bewuste aankoop maken en tegelijkertijd een investering doen in de toekomst door bomen te planten, dat is een mooi streven. Met deze beweging willen we mensen niet alleen bewust maken van de negatieve effecten van Black Friday, maar ook het belang van bomen onderstrepen. Ja, dit is een meerjarenproject, waarbij we hopen dat steeds meer retailers mee gaan doen en zoveel mogelijk consumenten van Black Friday Green Friday maken.”

Wie zich aan wil sluiten, kan zich via www.greenfriday.nl aanmelden.

Duurzaamnieuws plant in de Green Friday week een extra boom voor elk nieuw lid. Nog geen lid? Dan is nu het moment!

Radicaal sluiten

Haglöfs diet het heel radicaal: het gaat gewoon dicht op black friday. Het bedrijf heeft altijd al tegengesteld gehandeld. Door op die dag juist de prijzen te verhogen, de winst aan goede doelen te schenken en tweedehands producten te promoten in plaats van nieuwe.

Dit jaar doet het merk niets rond Black Friday. Haglöfs zal op deze dag waar mogelijk alle activiteiten sluiten en trekt met medewerkers de natuur in. Het is klaar met het geven van ook maar enige aandacht aan de meest agressieve verkoopdag van het jaar.

Ook protest

Net als vorig jaar komt Extinction Rebellion Nederland in opstand tegen deze dag, met een duidelijke, eenvoudige boodschap: stop met Black Friday.

Voor dit jaar is de invulling van de acties nog niet bekend. Vorige jaar waren er

– Satirisch straattheater dat de absurditeit van Black Friday laat zien
– Guerrilla repairs
– Gratis kleding uitdelen
– Educatie over het vervuilende systeem en hoe mode daarmee te maken heeft
– Dansen door de straten: toxic system rave

cleantech

Parallel aan het verzet aan beide kanten van het conflict om verduurzaming van de energievoorziening vonden er in de afgelopen decennia technologische ontwikkelingen plaats die hun eigen economische momentum hebben gekregen en nu ongeacht protesten tot een kanteling lijken te gaan leiden.

Duurzame technologie met windturbines, zonnepanelen, accu’s, groene waterstof, elektrisch aangedreven auto’s, isolatie technieken, warmtepompen, brandstofcellen en technieken voor energieopslag maken elk een stormachtige ontwikkeling door. Door verbetering van de efficiëntie en de massaproductie is de prijs voor elektrische energie uit wind en zon nu overal lager dan voor elektrische energie uit kolen en gas en zelfs vele malen lager dan voor stroom uit nieuw te bouwen kerncentrales. Ondanks alle felle protesten groeit de capaciteit van windturbines wereldwijd met 17% per jaar en die voor zonneparken met meer dan 35 % per jaar.

In 2020 werd er voor het eerst in Europa meer stroom opgewekt met duurzame bronnen dan met fossiele. De verschillen tussen de landen in Europa zijn nog wel erg groot. In Duitsland, Spanje en het VK is de hoeveelheid groene stroom al duidelijk groter dan de hoeveelheid grijze stroom, maar er zijn ook landen waarbij nog geen 5% van de stroom duurzaam wordt opgewekt. Uiteraard liggen de percentages duurzaam voor het totale energieverbruik, inclusief warmte en transport, nog wel lager dan alleen voor de elektrische energie. Vooral de verduurzaming van de warmtevoorziening vraagt meer tijd.

De verkoop van elektrische voertuigen (EV’s) groeit met 45 tot 60% per jaar en door de ontwikkeling van betere en goedkopere accu’s zullen de EV’s goedkoper worden in aanschaf. De gebruikslasten zijn nu al beduidend lager dan voor brandstofauto’s. Na de baanbrekende ontwikkeling van EV’s door Tesla is de in 2003 opgerichte firma in 2020 uit de rode cijfers gekomen en is er een mega-fabriek in Shanghai geopend. Nieuwe mega-fabrieken zijn in aanbouw in Berlijn en in Texas. In 2021 verwacht Tesla 1 miljoen auto’s te produceren. Het is nog maar iets meer dan 1 % van de totale hoeveelheid geproduceerde auto’s op de wereld, maar de andere grote autofabrikanten zien intussen in dat ze niet achter kunnen blijven. Na Volkswagen hebben nu ook Ford, General Motors, BMW, Volvo en Mercedes  aangekondigd dat het hele wagenpark met alle modellen voor 2035 volledig elektrisch zal worden aangedreven. China heeft verklaard dat in 2035 de helft van het aantal nieuw verkochte auto’s elektrisch aangedreven moet zijn. Californië wil zelfs een totaal verbod op de verkoop van auto’s met brandstofmotor vanaf 2035 en het VK wil zo’n verbod al per 2030.

Door de combinatie van betere isolatie van gebouwen en door warmtepompen die op groene stroom de omgevingswarmte naar binnen brengen, daalt het energiegebruik voor verwarming van woningen en andere gebouwen spectaculair met 85 % of meer.

Opslag en transport

Er zijn nog veel hobbels te gaan voordat de energievoorziening van de wereld geheel duurzaam is. De grootschalige opslag van energie om langdurige discontinuïteit te overbruggen en het transport van duurzame energie over lange afstanden om klimaatzones te overbruggen zijn nog in ontwikkeling.

Voor rechtse politici is dat een argument om toch maar naar kernenergie over te stappen. Er zijn echter tal van betere concepten. De klassieke stuwmeren kunnen gebruikt worden voor energie-opslag. Tijdelijke overproductie van groene stroom kan worden omgezet in waterstof dat kan worden opgeslagen in onderaardse leegstaande zoutkoepels en in ammoniak dat kan worden opgeslagen in grote tanks. Zonnestroom uit landen met veel ruimte en veel zon kan omgezet worden in waterstof en ammoniak dat per schip naar andere landen getransporteerd kan worden. Door veel meer dikke kabels aan te leggen tussen landen met verschillende productie en gebruikshoeveelheden kan het verschil tussen vraag en aanbod aanzienlijk kleiner gemaakt worden.

Voor korte termijn fluctuaties is energiemanagement voor egalisatie van vraag en aanbod een goede mogelijkheid, waarbij de opslagcapaciteit van elektrische auto’s gebruikt kan worden. Al deze mogelijkheden vormen een enorme uitdaging voor de technologie van de toekomst en kansen voor investeerders.

Er zullen oplossingen gevonden moeten worden voor de schaarse grondstoffen die voor accu’s, windturbines en elektromotoren nodig zijn. De techniek om het vliegverkeer en scheepsverkeer te verduurzamen zal nog verder ontwikkeld moeten worden en de infrastructuur met laadpalen zal nog verbeterd moeten worden.

Toch is de energietransitie nu in volle gang en wordt de macht van fossiele energie langzaam maar zeker gebroken. Het argument dat het niet kan is achterhaald. Prof Mark Jacobson van de Stanford universiteit heeft voor 143 landen becijferd dat we voor 2050 met de huidige technieken 99,7 % van de globale CO2 kunnen stoppen .

De grote doorbraak van de energietransitie is het besef dat dit veel meer werkgelegenheid oplevert dan er door het verminderen van fossiele energie gaat verdwijnen en dat de totale kosten voor de transitie lager zullen zijn dan de kosten door klimaatschade en gezondheidsschade die nu veroorzaakt worden door fossiele brandstoffen.

Een andere grote omwenteling ontstaat doordat de energievoorziening gedecentraliseerd en de opwekking gespreid en gedemocratiseerd wordt, zodat er geen geopolitieke spanningen met prijsfluctuaties meer door kunnen ontstaan.

Einde steenkool

Omdat steenkool de meest milieuvervuilende fossiele brandstof is en steenkool bij de verbranding in een centrale per eenheid opgewekte elektriciteit twee keer zo veel CO2 afgeeft als aardgas, staat het gebruik van steenkool wereldwijd onder grote druk van de klimaatbeweging.

Tot de jaren 50 was steenkool de belangrijkste energiebron voor zowel industrie, transport, elektriciteit, verwarming als transport. Gas, olie, kernenergie en waterkracht hebben een groot deel van die functies overgenomen. In 2019 voorzag steenkool nog maar voor 25% in de totale energiebehoefte van de wereld. Sindsdien daalt het gebruik van steenkool met 8 % per jaar. Sindsdien daalt het gebruik van steenkool met 8 % per jaar.

Het gebruik was nog wel essentieel voor de ijzer- en staalindustrie en voorzag voor ongeveer de helft in de energiebehoefte van elektriciteitscentrales. In de kolenmijnen van de wereld werkten vele duizenden arbeiders onder ongezonde en gevaarlijke omstandigheden en bij de verbranding van steenkool komt schadelijk stof, zwavel, kwik en CO2 vrij. Steenkool kreeg steeds meer de wind tegen.

Sinds 2008 is het gebruik van kolen in de VS gezakt vanaf 1,2 miljard ton/j naar 0,4 miljard ton/j in 2020. Het gebruik in elektriciteitscentrales is in de afgelopen 5 jaar gedaald van 50 naar 10 %. De belangrijkste oorzaak is niet het klimaat maar de overschakeling op goedkoper aardgas, dat door de nieuwe fracking-techniek in grote hoeveelheid beschikbaar was gekomen. In 2012 vonden 90.000 mensen een baan in de Amerikaanse kolenindustrie maar in 2019 werkte er nog 54.000 mensen. Het is nog maar 0,03 % van het totale aantal arbeidsplaatsen in de VS en dat zal naar verwachting de komende jaren nog verder dalen.

De angst voor verder verlies van banen in de steenkoolindustrie heeft Trump veel stemmen opgeleverd. In de staat Wyoming bijvoorbeeld won Trump in 2020 van Biden met 70 % tegen 27 % van de stemmen. De staat heeft 19 kolenmijnen en produceert 40% van alle kolen in de VS. Circa 6000 arbeiders in de kolenindustrie hebben er een heel goed inkomen. Liz Cheney vertegenwoordigt die staat in het Huis van afgevaardigden. Toen zij met nog 9 andere republikeinen naar geweten voor impeachment van Trump stemde, kreeg zij de hele Republikeinse Partij vanuit Wyoming over zich heen. De Republikeinse Partij is niet alleen de partij van Trump geworden maar vooral de partij voor fossiele brandstoffen en ontvangt jaarlijks 60 miljoen US$ aan donaties van big fossil.

Ook in de rest van de wereld is steenkool bezig aan een gestage neergang. China was door de enorme economische groei in 2018 de grootste gebruiker geworden met 4,6 miljard ton/j, meer dan de helft van het totale verbruik in de wereld. De energievoorziening van China was voor 59% gebaseerd op steenkool, maar vanwege de enorme luchtverontreiniging wordt al enige jaren zwaar ingezet op schone energie uit wind en zon en sinds 2014 is het gebruik van kolen ook daar aan het dalen. Veel installaties staan de helft van de tijd stil en maken verlies.

India is met 0,72 miljard ton per jaar ook nog een grootgebruiker. De elektriciteitscentrales draaien daar nog voor 70% op steenkool uit eigen land. Zowel in India als in China wordt zwaar ingezet op energie van windparken en zonneparken. De EU gebruikt ook nog 0,5 miljard ton voor het grootste deel in Duitsland en Polen, maar in de meeste andere Europese landen worden de kolencentrales echter vrij snel gesloten zodat daar in 2025 geen kolencentrales meer in bedrijf zullen zijn. Verder zitten Indonesië, Australië en Rusland elk nog op een gebruik van 0,4 – 0,5 miljard ton.

Vanaf 2020 is elektriciteitsopwekking met zonnepanelen en windturbines in de hele wereld goedkoper dan uit steenkoolcentrales. Vanwege de onevenredig grote bijdrage van 44% door steenkoolcentrales aan de wereldwijde CO2 emissie staat steenkool onder druk in landen die zich willen houden aan de klimaatafspraken van Parijs. Op de kapitaalmarkt besluiten steeds meer investeerders om niet meer in steenkool te beleggen. Het steenkool tijdperk nadert haar einde.

Einde kernenergie

Kernenergie had in de jaren 70 het imago dat het klimaatneutraal zou zijn en wordt nog steeds door rechtse kringen gepropageerd als oplossing voor het klimaatprobleem. Vanaf 2020 is echter zonneklaar dat stroom uit wind en zon veel goedkoper is en dat de risico’s voor ongevallen bij kernenergie te groot zijn.

Vanaf de jaren 50 is door tientallen landen ingezet op kernenergie. Tussen 1965 en 1980 werden elk jaar 15 tot 30 nieuwe reactoren gebouwd. Amerika stond aan de top.

Na de ramp in Chernobyl in 1986 was de animo sterk verminderd. Dit werd nog minder na de ramp in Fukushima in 2011. Een groot aantal landen hebben toen besloten niet met kernenergie verder te willen gaan. Vanaf een maximum van 429 centrales is het aantal teruggezakt naar 340 in 2019 waarvan 97 in Amerika. De meeste centrales zijn inmiddels ouder dan 25 jaar. Terwijl de oudste centrales langzaam maar zeker gesloten worden,  komen er weinig nieuwe centrales bij. De globale elektriciteitsproductie uit kernenergie is sinds 2005 nauwelijks nog toegenomen.

Hoewel de technologie en de veiligheid van moderne centrales veel beter is dan van de eerste types, is de angst voor ongevallen groot. De veiligheidsvoorschriften zijn intussen zodanig dat de bouw van nieuwe centrales zeer lang (10 tot 15 jaar) duurt en extreem duur is geworden. Hierbij komt dat er geen goede oplossing is gevonden voor het radioactieve afval en dat er bijna geen land, verzekeraar of bedrijf is dat garant wil staan voor eventuele schade. Elektriciteit uit kernenergie is al met al 3 tot 4 keer zo duur geworden als energie uit wind en zon. Nieuwe zonneparken en windparken kunnen bovendien zonder risico binnen enkele jaren gerealiseerd worden.

Illustratief voor de toekomst van kernenergie is de financiële situatie van het Franse staatsbedrijf EDF. Om de 56 oude kernreactoren draaiend te houden moeten zij tot aan 2030 bij elkaar €100 miljard investeren, terwijl ze al een schuld van €42 miljard in de boeken hebben staan.

De grote kostenvoordelen van schone energie zullen zo een kantelpunt worden in het voordeel van cleantech.

Lees meer afleveringen uit de serie Kantelpunten.

* * * * * * * *

* * * * * * * *

* * * * * * * *

            Natuur

Pure stikstof is niets meer dan een hap lucht. Toch brengt het onze gezondheid en onze natuur in gevaar. Hoe zit dat? Als je dit artikel leest, begrijp je eindelijk wat het probleem (en de oplossing) is. 

Dit artikel komt uit het Greenpeace Magazine. Wil je dit magazine ook thuis ontvangen? Word dan nu supporter!

Stikstof: wat is het eigenlijk?

Hap lucht
Pure stikstof (N2) is een natuurlijk element dat in 78% van elke hap lucht zit die wij inademen. Stikstof is essentieel voor al het leven op aarde, maar een overmaat is schadelijk voor mens en natuur.

Als stikstof zich bindt aan waterstof vormt het ammoniak en als het zich aan zuurstof bindt, ontstaan nitraat en nitriet (NOx of stikstofoxiden). Ammoniak en NOx zijn zogenoemde reactieve stikstofverbindingen die de huidige problemen veroorzaken.

Uitstoot
● Landbouw/veeteelt: 46%
● Scheepvaart en wegverkeer: 11,2%
● Huishoudens: 6,1%
● Ammoniak uit zee: 2,2%
● Industrie, afval- en energiesector: 2,2%
● Buitenlandse bronnen: 32%
NB: er waait 4 keer zoveel stikstof Nederland uít dan
dat er binnenkomt.

Dierenmest
Nederland stoot gemiddeld 4 keer zoveel stikstof uit als andere Europese landen: 177 miljoen kilo in 2019. Daarvan bestaat 40% uit stikstofoxiden en 60% uit ammoniak.

Ammoniak ontstaat in dierenmest, waarvan Nederland jaarlijks meer dan 75 miljard kilo produceert (ruim 4.400 kilo mest per Nederlander). De veehouderij speelt dan ook een sleutelrol in de natuurcrisis.

Van alle Europese landen houdt Nederland per hectare landbouwgrond het meeste aantal dieren. Noord-Brabant is zelfs het meest vee-dichte gebied ter wereld. Driekwart van ons vlees gaat de grens over. Anders gezegd: 100 miljoen mensen in 140 landen eten dagelijks vlees van Nederlandse makelij.

Onze op hol geslagen veestapel levert naast omzet en werkgelegenheid vooral veel lasten op. Voor de natuur, door watervervuiling, klimaatverandering en verlies van biodiversiteit, maar ook voor de mens.

De gevolgen

In de lucht
Ammoniak wordt in de atmosfeer omgezet in fijnstof en dat is schadelijk voor onze luchtwegen, hart en bloedvaten. Niet voor niets dringt de Gezondheidsraad aan op het terugdringen van de stikstofuitstoot.

De industriële veehouderij is sowieso een ongezonde sector, voor omwonenden én voor veehouders. Varkensfabrieken stoten naast ammoniak bijvoorbeeld ook methaan, sulfaat en stofdeeltjes uit. Allemaal stoffen die wetenschappelijk in verband gebracht zijn met ademhalings- en longproblemen. Andere gezondheidsrisico’s door vee zijn besmettelijke ziektes als hepatitis E, Q-koorts en vogelgriep.

Op het land
Planten hebben gebonden stikstof nodig om te groeien. Maar door te veel stikstof groeien bepaalde planten heel snel, waardoor ze langzame groeiers overwoekeren. Daardoor verdwijnen insecten en vervolgens de vogels die daarvan afhankelijk zijn.

In Nederland is al 60-70% van weidevogels zoals de grutto en de veldleeuwerik verdwenen. De helft van de beschermde vogelsoorten die het hele jaar hier verblijven, is gevoelig voor stikstof. Het gros hiervan staat ook op de Rode Lijst. Soorten als het korhoen, de tapuit of de duinpieper zijn sterk bedreigd of al verdwenen.

In het water
Gebonden stikstof – en vooral nitraat en ammonium – veroorzaakt overmatige algenbloei in ons (grond)water, wat weer tot zuurstofarm water met een hogere zuurgraad en vissterfte leidt. Omdat nitraat in drinkwater kan leiden tot bloedarmoede, blauwzucht en vergroting van de schildklier, geldt hiervoor een Europese wettelijke norm.

Die norm wordt overschreden in het grondwater van ruim 30 (van de circa 200) Nederlandse grondwaterbeschermingsgebieden, blijkt uit een RIVM-rapport. Ook zijn de concentraties stikstof en fosfor te hoog in een groot deel van de oppervlaktewateren. Sowieso is de kwaliteit daarvan niet op orde, waardoor duurdere waterzuivering nodig is.

Wie is er verantwoordelijk?

Boerenlobby en de overheid
Zowel de overheid als de boerenbelangenorganisatie LTO Nederland proberen het stikstofprobleem op te lossen zonder daadwerkelijk het onderliggende systeem van intensieve veehouderij te veranderen. Dweilen met de kraan open dus.
Met hele dure dweilen zelfs, zoals luchtwassers om ammoniak uit de lucht te filteren en emissiearme stalvloeren.

De overheid heeft jarenlang onvoldoende gedaan om de natuurcrisis aan te pakken. En uit onderzoek blijkt dat ook de nieuwe stikstowet onze meest kwetsbare natuur niet gaat redden. Ook kwam landbouwminister Schouten met het voorstel om de veestapel op een eiwitarm dieet te zetten, een plan dat al vrij snel afgeschoten werd. Eerder stelde LTO Nederland al voor dat we als land de beschermde status van natuurgebieden opheffen. Praktisch betekent dit dat we onze natuur dus laten stikken.

De Rabobank
Investeerders als de Rabobank zijn medeverantwoordelijk voor de stikstofcrisis. ‘Growing a better world together’ is de slogan van deze ‘boerenbank’. Groei jaagt de Rabobank zeker na, maar een betere wereld duidelijk niet. In ons rapport De vleeskoorts van de Rabobank lieten we zien hoe de bank klimaatverandering, achteruitgang van de natuur, gezondheidsproblemen en dierenleed financiert.

Het is onverantwoord dat dit soort grote geldschieters miljarden blijft steken in een systeem dat vervuilend én onhoudbaar is. De manier van boeren die daarbij hoort, het ombouwen van boerderijen naar veefabrieken, heeft de bank jarenlang winst opgeleverd. En veel boeren vastgezet op een doodlopende weg.

Alstublieft: de rekening
Goed beschouwd is de vee-industrie allang failliet: ondanks de enorme omzet van deze sector, zijn de kosten groter dan de baten. In opdracht van Greenpeace berekende onafhankelijk onderzoeksbureau Ecorys dat de landbouwsector ons in 2018 € 6,9 miljard kostte. 

Daarvan wordt € 5,5 miljard door de veehouderij veroorzaakt. En dan zijn dit alleen de kosten die relatief makkelijk in geld uit te drukken zijn, zoals schade aan natuur, klimaat en volksgezondheid.

Kostenposten als de ontbossing van de Amazone voor de sojateelt voor veevoer tellen we nog niet eens mee. Hoe langer we wachten met een echte transitie naar een duurzaam landbouwsysteem, hoe meer belastinggeld er in deze bodemloze put verdwijnt.

Hoe kan het anders?

Meer plantaardige eiwitten
Vlees eten en op grote schaal exporteren zoals we dat in Nederland gewend zijn, kan simpelweg niet meer. Onze natuur, ons klimaat én onze gezondheid zijn er de dupe van. Een gezonde toekomst begint met een landbouwsysteem waarin we minder dieren ‘verwerken’ en meer plantaardige eiwitten produceren.

Eiwitten zijn nu eenmaal een onmisbare voedingsstof, maar we kunnen ze ook prima uit planten halen. Ook biedt ecologische landbouw veel ruimte aan natuur en biodiversiteit. En als we wereldwijd drastisch minder vlees gaan consumeren, neemt ook de vraag naar veevoer af; daar wordt nu nog veel Amazonewoud voor gekapt.

Meer weten?
Hier lees je precies hoe gezond de Nederlandse landbouw en veeteelt er over twintig jaar uit kan zien.

Auteur

Gerelateerde artikelen

Hoe diep kunnen we zinken?

Rita Borghardt

Bedrijven staan in de rij om een graai uit de diepzee te nemen. Wat daar lonkt is glanzender dan een pot met goud. Greenpeace komt daarom in actie.

Onze natuur. Onze zaak.

Rita Borghardt

In de stikstofcrisis lijken ‘boeren’ en ‘natuur’ lijnrecht tegenover elkaar te staan. Hoe zit dat? Onze stikstofkenner Hilde Anna legt het je uit.

 

 

 

 

 

Nederland aan Kop Groene Industrie_Marjan Minnesma_Vk 8mei21

INTERVIEWMARJAN MINNESMA

Volgens Marjan Minnesma kan Nederland koploper van de groene industrie worden. Dan moet Rutte wel naar haar luisteren

Urgenda-Directeur Marjan Minnesma: ‘Hoe kunnen wij van de rest van de wereld vragen om ons land boven water te houden, als we zelf het slechtste jongetje van de klas zijn?  ‘Beeld Ivo van der Bent

Urgenda-Directeur Marjan Minnesma: ‘Hoe kunnen wij van de rest van de wereld vragen om ons land boven water te houden, als we zelf het slechtste jongetje van de klas zijn?' Beeld Ivo van der Bent

Marjan Minnesma wil Rutte graag vertellen over concrete oplossingen die de industrie vergroenen. Het is tijd dat het kabinet laat zien dat het over daadkracht beschikt. ‘Klimaat moet net als corona prioriteit krijgen.’

Bas Mesters    7 mei 2021, 17:52   

Marjan Minnesma wil in gesprek met Rutte om concrete oplossingen voor de energietransitie aan te dragen. Maar praten om het praten doet ze niet meer. ‘Het moment waarop we een dwangsom gaan eisen bij de rechter komt naderbij’

Ze heeft de afgelopen nacht een brief geschreven aan Mark Rutte, vertelt Urgenda-directeur Marjan Minnesma halverwege het interview. Hij ligt nog op haar bureau, maar tegen de tijd dat dit artikel in de krant staat, is de brief op de post. Een alarmbrief. ‘Ik ben eraan begonnen omdat we lang genoeg hebben gewacht.’

Zes jaar geleden bepaalde de rechter in de Urgenda-rechtszaak dat de overheid zich aan haar eigen klimaatbeleid en minimumnormen moet houden. Tot twee keer toe ging het rijk ertegen in beroep, maar in december 2019 stelde de Hoge Raad Urgenda definitief in het gelijk.

Vanaf 2020 moet de overheid zorgen dat Nederland minimaal 25 procent minder broeikasgassen uitstoot dan in 1990. In 2020 is dat dankzij corona, een warme winter en een lage gasprijs bijna gelukt. Maar in 2021 gaat het kabinet volgens Minnesma haar eigen doelen bij lange na niet halen. ‘Er zal naar schatting 8 megaton meer dan de toegestane 166 megaton aan broeikasgassen worden uitgestoten. Dat lijkt een kleine overschrijding, maar is het niet: sluiting van de Hemwegkolencentrale leverde netto slechts 1 megaton minder uitstoot op. En het terugbrengen van de maximumsnelheid naar 100 kilometer per uur verlaagde de CO2-uitstoot met 0,5 megaton.’

Daarom heeft de vrouw die met haar klimaatoverwinning op de Nederlandse staat in 2015 een wereldprimeur had enkele vragen aan Rutte: hoe gaat het kabinet in 2021 die 8 megaton aan uitstoot voorkomen? Wat zijn de plannen? Wat is de visie?

Ze wil in gesprek met Rutte om mee te denken en concrete oplossingen aan te dragen. Maar praten om het praten doet ze niet meer. ‘We leverden met ruim 800 energie-, zorg, wooncoöperaties, gemeenten, bedrijven, milieuorganisaties en wetenschappelijke instellingen een 54-puntenplan in met voldoende oplossingen. En nog worden de emissiedoelen niet gehaald. Het moment waarop we een dwangsom gaan eisen bij de rechter komt dichterbij. Iets wat we aanvankelijk juist nooit wilden doen, omdat de Urgenda-rechtszaak een constructieve rechtszaak van liefde was, bedoeld om iedereen in Nederland een gezonde toekomst te bezorgen. Maar nu krijg ik het gevoel dat we aan het lijntje worden gehouden.’

Minnesma – opgeleid als bedrijfskundige, jurist en filosoof – ontwikkelde zich de afgelopen twintig jaar tot een van de boegbeelden van het streven naar een energietransitie in Nederland. Voor haar overstap naar Urgenda werkte ze onder meer bij Greenpeace, NOVEM, de voorganger van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, en diverse universiteiten, waaronder het Dutch Research Institute For Transitions (DRIFT) van de Rotterdamse Erasmus Universiteit. Deze week publiceerde ze samen met oud-politicus Jan Terlouw Bezorgde Brieven – Over de wereld van onze kinderen. Een boek waarin de twee reflecteren op de manieren waarop de klimaat- en milieuproblemen kunnen worden aangepakt.

Ze vindt dat Nederland onder ogen moet zien dat we ons op dit moment helemaal niet als een daadkrachtig land gedragen. ‘We zijn misschien goed in innoveren, maar al snel houden we een borrel om dat te vieren, doen er een strik omheen, en dan gebeurt er niets meer. We zijn heel slecht in opschalen, in echt dingen organiseren. Dat zie je ook met de aanpak van corona.’

U vindt Nederland niet geloofwaardig als het om het bestrijden van de klimaatcrisis gaat?

Op internationale conferenties roepen we het hardst dat de klimaatdoelen moeten worden gehaald, maar zelf staan we in de top-10 van grotere landen die per hoofd van de bevolking het meeste broeikasgas uitstoten. Nederland ligt voor een derde onder de zeespiegel, die in de somberste scenario’s met drie meter kan stijgen. Hoe kunnen wij van de rest van de wereld vragen te doen wat nodig is om ons land boven water te houden, als we zelf het slechtste jongetje van de klas zijn? Ik denk dat het voor de geloofwaardigheid van Rutte en van Nederland noodzakelijk is dat we onze zaakjes snel beter op orde krijgen.’

Wat zou u Rutte willen voorstellen als hij in deze politiek turbulente dagen tijd heeft om u te ontvangen?

‘Hij moet visie en daadkracht laten zien. Anders halen we die 8 megaton minder emissie niet, en al helemaal niet het doel van 55 procent minder uitstoot over tien jaar, zoals de Europese Commissie nastreeft. Je kunt klimaat niet meer behandelen als een van de dertig dossiers waar het kabinet aan werkt. Het moet net als corona prioriteit hebben. Er moet eens in de twee weken een klimaatpersconferentie van het kabinet komen, waarin wordt verteld wat bedacht, gedaan en gerealiseerd is. Communicatie over klimaat is nu te technisch en verbrokkeld. Het gaat over regeltjes hier, regelingen daar en eindeloze discussies, terwijl je wil dat een overheid het grote verhaal vertelt en mensen meeneemt naar de toekomst.’

Wat zou dat grote verhaal moeten zijn?

‘Dat het in de tweede helft van deze eeuw wereldwijd uitermate ongezellig gaat worden voor de jongeren die nu al leven: halvering van de biodiversiteit, stijgende zeespiegel, weersextremen, bosbranden, te weinig en te veel water en daardoor voedselproblemen, klimaatvluchtelingen. Ik weet niet of jij het leuk vindt als er uiteindelijk alleen nog kwallen in zee zwemmen? Om dit te voorkomen moeten we versneld overgaan naar een economie die draait op 100 procent duurzame energie. We hebben de kennis en de middelen. Als we het echt willen, kunnen we het in 2030 hebben gerealiseerd.’

Een doemscenario als verhaal?

‘Ik ben het volledig eens met de jongeren die zeggen: ‘Climate is in crisis, treat it like a crisis.’ Net als Roosevelt tijdens de Tweede Wereldoorlog deed toen hij tegen autofabrikanten zei: ‘Jullie maken nu auto’s, maar het worden binnen drie jaar vliegtuigen.’ Of Kennedy, die wilde dat er binnen tien jaar een mens op de maan zou staan, terwijl hij de metalen om dat te realiseren nog niet kende. Acht jaar later stond de VS op de maan. Nu moet je als Nederlandse overheid ook zeer ambitieuze grote doelen stellen: over tien jaar echt een duurzame energievoorziening realiseren, door veel sneller op te schalen met zon, wind, aardwarmte en besparing.

‘Daarom vind ik dat we naast een deltacommissaris voor de dijken een commissaris voor de klimaattransitie moeten aanstellen. Iemand die drie tot vijf grote ‘woman on the moon’-projecten gaat realiseren die echt het verschil maken, met hetzelfde ambitieniveau als dat van Kennedy indertijd. Ik vind dat Rutte die urgentie totaal niet uitdraagt. Hij zegt: ‘Joh, rustig aan, we hebben dertig jaar.’

Concreet, hoe ziet zo’n ‘woman on the moon’-project er uit?

‘De meeste winst kun je boeken met echte industriepolitiek die we nu al veertig jaar niet meer hebben. Door clusters te bouwen. Bijvoorbeeld van windenergie op zee, waterstofproductie en de staalindustrie. 40 procent van de broeikasgassenuitstoot in Nederland komt van de industrie. De grootste uitstoter in die sector is Tata Steel in IJmuiden. Die stoot in zijn eentje 12 megaton uit, bijna 7 procent van de totale CO2-emissie in Nederland. Een ‘woman on the moon’-project zou zijn Tata Steel uitstootvrij maken. Dat kan in tien jaar. Door ijzer niet meer met steenkool, maar met waterstof uit ijzererts te halen.’

Hoe?

‘Waterstof maak je via elektrolyse van water. Dat kun je doen met duurzame stroom van windmolens. Om genoeg stroom te hebben moeten we veel meer windmolens op zee hebben. Waterstof kun je dan ter plekke maken en kan bij IJmuiden worden gebruikt om staal te maken. Met dat staal kun je ook de hele hoge stalen masten maken voor de grote 15 Megawatt windmolens van de toekomst. Die masten zijn zo groot dat ze niet over land kunnen worden vervoerd, maar IJmuiden heeft een diepzeehaven naast de staalfabriek, wat weinig voorkomt in Europa. Op dit moment twijfelen windparkbouwers over opschaling op zee, omdat ze bang zijn dat ze hun overcapaciteit niet kwijt kunnen als het hard waait en de zon schijnt. Die overcapaciteit zou tot lagere stroomprijzen kunnen leiden, wat hun investeringen onrendabel maakt. Maar als ze weten dat die energie altijd gebruikt kan worden om waterstof te maken, gaan ze die enorme windmolenparken wel bouwen.

‘Om zowel de windparkexploitanten, als de waterstofindustrie als de hoogovens zekerheid te bieden moet je ze als overheid in de beginfase ondersteunen. Zo kun je een wereldwijd uniek circulair cluster bouwen: de eerste uitstootvrije staalindustrie, eigen waterstofproductie (al zullen we later ook waterstof gaan importeren), en een afzetmarkt voor grote windturbines, waarin je dan voorop loopt. Mensen die hier aan gerekend hebben zeggen dat dit tot 4.000 banen zal opleveren. En het kan in 2030 functioneren. Daarmee zou een einde komen aan de grafietregens en de gezondheidsproblemen van de omwonenden van de staalfabriek. Je bouwt zo aan een duurzame toekomst. Je bent niet aan het pappen en nathouden.’

Waarom doen we dat niet dan?

‘Tata Steel weet dat dit mogelijk is, maar doet dat niet, omdat het bedrijf nu een ‘duurzaamheidssubsidie’ krijgt om CO2 onder de zee op te gaan slaan (CCS). Directieleden van Tata Steel hebben in gesprek met mij toegegeven dat deze subsidie het probleem verplaatst en de transitie uitstelt. Feitelijk is het weggegooid geld. Het verplaatst het probleem naar onder de zee, maar lost het niet op aan de bron op. En de eerste megaton CO2 zal pas in 2028 onder de grond zitten, terwijl de transitie naar emissievrij met waterstof geproduceerd staal al in 2030 een feit zou kunnen zijn. Zonde toch? Om anders te denken is visie van de overheid nodig. De leiders van de betreffende industrieën willen de omslag best wel maken, maar dat kunnen ze niet op eigen kracht. De overheid moet aan het begin zekerheid, garantstelling en overtuigingskracht bieden. Maar binnen de overheid is iedereen in zijn kleine hokjes bezig.’

Marktpartijen hebben in zo’n verbrokkeld veld natuurlijk enorm de vrije hand.

‘De markt beweegt gewoon mee met subsidies en de mogelijkheden die geboden worden. En als er niet wordt gehandhaafd en geen grotere visie onder die subsidies ligt, gaat dat dus mis. Dan haal je je doelen niet. En misschien wel het belangrijkst: dan verspeel je je draagvlak en geloofwaardigheid als overheid.’

Hoe gaat u draagvlak voor uw plannen realiseren? Bij vissers die moeten wijken voor grote windparken op zee, bij boeren die hun veestapel moeten halveren, bij Nederlanders die hun woning moeten verduurzamen?

‘Een aantal sectoren ga je niet meekrijgen. Als wij elektrisch gaan rijden, dan verliezen de olieraffinaderijen de helft van hun werk, of ze het nu leuk vinden of niet. Als het gaat om de transitie van woningen moet je beginnen met wie wil, met warmtepompen en kleinschalige koudwaternetjes, in plaats van iedereen grootschalige warmtenetten door de strot te drukken die allemaal vastlopen. De vissers die niet meer kunnen vissen rond dat grote windmolenpark waar waterstof wordt gemaakt, die moet je compenseren. De 50 procent boeren die geen opvolger hebben en willen stoppen, koop je uit en je zorgt dat hun (uitstoot)rechten niet kunnen overgaan op andere boeren.’

Maar wie gaat dat allemaal betalen?

‘Dat compenseren en investeren kost geld, maar de klimaatcrisis is een grotere crisis dan de coronacrisis. Daarom zouden we er ook meer geld aan mogen besteden. 100 procent duurzaam is straks goedkoper dan blijven doordraaien op olie, kolen en gas, constateerde ook TNO. Tel op de gezondheids- en welzijnswinst en meer behoud van biodiversiteit. Dat zijn sommetjes die in de klassieke neoliberale economie niet worden meegenomen.

‘Voor de duurzaamheidstransitie van bestaande woningen is overigens geen extra geld nodig, maar een fonds dat geld voorschiet dat weer terugkomt. De huiseigenaren lenen gemiddeld 35.000 euro om te isoleren, zonnepanelen te plaatsen en het huis van een warmtepomp te voorzien en verder aan te passen, en zullen via de energiebesparing die dat oplevert het geleende bedrag in 15 tot 20 jaar terugverdienen. Voor een aantal grote industriële ‘woman on the moon’-projecten kun je met tien miljard euro van de overheid extra ander geld aantrekken van bedrijven die met die subsidie wel durven in te stappen en mee te investeren richting een duurzame industrie .’

En dat gaat lukken met VVD, CDA en D66 in het kabinet?

‘Wat ik wil met die ‘woman on the moon’-projecten is dat we de Nederlandse industrie koploper maken in de wereld. Nieuwe banen, duurzame banen. Dat zijn dingen waar D66 en CDA wel oren naar hebben. De VVD is hopelijk ook pro-industrie. Als ze samen het grote verhaal maken van de circulaire, duurzame economie die meer koerst op gelijkheid en rechtvaardigheid, dan kan zo’n kabinet dit dragen.

En dan eist u geen dwangsom van het kabinet?

‘Een verhaal is niet genoeg, maar ik wil hier wel over praten met Rutte. Natuurlijk realiseer ik me dat die transitie niet gemakkelijk zal zijn. We zijn een fossiel landje. We liggen aan de Noordzee met onze havens waarin we veel steenkool overslaan en verwerken. We hebben een van de grootste chemische clusters van Europa. We zaten op een gasbel. Het wordt een uitdaging. Maar: we hebben veel slimme mensen met oplossingen die er al liggen. We doen het niet, omdat iedereen naar elkaar kijkt, wacht, en hoopt dat er een keer een subsidie komt.

‘De Nederlanders, de jeugd, de toekomst en de rechtsstaat verdienen het dat de overheid de Urgenda-uitspraak van de Hoge Raad respecteert en haar eigen doelen haalt. Echte keuzes maken dus, en die met verve en verbeelding uitdragen. En dan ook uitvoeren! De komende 10 jaar. Afrekenen met het calculerende, neoliberale, oude denken dat maar niet investeert in de toekomst.’

 

De Volkskrant inventariseert in deze interviewserie revolutionaire ideeën om Nederland te verbeteren. Onderwerpen die tijdens de formatie besproken zouden moeten worden.

Lees ook

Volgens Marjan Minnesma kan Nederland koploper van de groene industrie worden. Dan moet Rutte wel naar haar luisteren

Sinds Al Gores ‘An Inconvenient Truth’ vecht Roger Cox voor het behoud van de aarde

Met het Urgenda-arrest doet de Hoge Raad aan juridisch activisme

 

ESSAYTHE COMMON GOOD

‘In de crisis bleek Vadertje Staat onze belangrijkste reddingsboei’

Een samenleving die alleen nog denkt in termen van individuele vrijheid, is weerloos tegenover problemen die een gezamenlijke inzet vergen, betoogt cabaretier en filosoof Tim Fransen.

Tim Fransen: ‘Een gemeenschappelijke betrokkenheid bij wat we belangrijk vinden moet gepaard gaan met een doorlopend democratisch gesprek daarover.’Beeld Rhonald Blommestijn

In april, een paar dagen nadat de overheid de eerste steunpakketten had aangekondigd, belde mijn boekhouder om te melden dat ik er ook voor in aanmerking kwam. Het ging om zo’n vierduizend euro. Rustig legde ik uit dat ik voorlopig niet van plan was om er gebruik van te maken. Dankzij twee succesvolle theatertournees had ik financiële reserves opgebouwd. Ik wilde geen onnodig beroep doen op gemeenschapsgeld. Dat zou op een betere manier kunnen worden besteed.

‘Maar’, stamelde mijn boekhouder, ‘je hebt er toch recht op…?’

Het onbegrip van mijn boekhouder is niet verbazingwekkend. Het is zijn beroep om na te denken over wat – uiteraard binnen de grenzen van de wet – financieel het gunstigste is voor zijn cliënten. Het verbaasde me wel dat dat ik nauwelijks iemand kon vinden die mijn keuze begrijpelijk vond, laat staan lovenswaardig. Sommige mensen reageerden zelfs uitgesproken verontwaardigd: ‘Je betaalt toch ook belasting?’, klonk het. ‘Als de overheid je geld afpakt, waarom zou je het dan nu niet van ze aannemen?’

Daar waar ik had gehoopt dat mensen me zouden binnenhalen als held, bleek het tegendeel het geval: ik was niet goed bij m’n hoofd.

Onlangs las ik het nieuwe boek van rockster-filosoof Michael SandelThe Tyranny of Merit. De hoofdmoot is een aanklacht tegen de meritocratie, het maatschappelijke ideaal dat mensen beloond worden – met geld, erkenning, goede banen – naar hun verdiensten (merites). Dit ideaal speelt winnaars en verliezers tegen elkaar uit, betoogt Sandel. De aanklacht maakt deel uit van een bredere bekommernis in zijn werk: de zorg om de publieke zaak. What’s Become of the Common Good?, luidt de ondertitel van het boek. Dat is iets wat ik me de afgelopen tijd regelmatig heb afgevraagd. Wat legt deze coronacrisis bloot over onze betrokkenheid bij de publieke zaak?

Toen deze crisis toesloeg, werd voelbaar hoe breekbaar de beschaving is. Het gevoel van maatschappelijke urgentie was groot. De opiniepagina’s stonden bol van artikelen met de strekking: ‘Dit is het moment om de samenleving opnieuw in te richten.’ We zitten allemaal in hetzelfde schuitje, leken we te beseffen. We klapten voor onze vakkenvullers en onze helden van de zorg. Mensen stonden zelfs met pizza op de stoep bij het ziekenhuis om het zorgpersoneel te ondersteunen.

Sandel wijst er fijntjes op dat deze saamhorigheid weinig om het lijf had. Het was een solidariteit gebaseerd op angst: we waren bang voor lege schappen en voor een akelige nieuwe ziekte. Deze tweede golf lijkt Sandels gelijk te bewijzen. Nu we een beetje aan corona gewend zijn en de vrees voor lege schappen is geweken, is ook het applaus weggestorven. Angst heeft grotendeels plaatsgemaakt voor ongedurigheid, en we lijken vooral bezig met wat deze crisis betekent voor onze persoonlijke situatie. In de woorden van een bevriende ic-arts: ‘Ik moet tegenwoordig weer mijn eigen eten kopen.’

Sandel wijt de uitholling van de publieke zaak voor een belangrijk deel aan de toegenomen economische ongelijkheid en, zoals gezegd, aan het ideaal van de meritocratie. Los van het feit dat de Amerikaanse samenleving (noch die van ons) bij lange na niet voldoet aan het meritocratische ideaal – de gelijke kansen zijn immers ver te zoeken – zou het realiseren van dit ideaal niet per se een wenselijke samenleving opleveren. In zo’n samenleving gaan de winnaars al snel geloven dat hun verworven positie volledig hun eigen verdienste is.

Sandel maakt korte metten met deze ‘meritocratische verwaandheid’. Ten eerste is het een kwestie van pech en geluk welke talenten we toebedeeld krijgen. Ten tweede is het een kwestie van pech en geluk in welke mate onze samenleving die talenten waardeert. Bijvoorbeeld: Michael Jordan had niet alleen het geluk te worden geboren met een uitzonderlijk talent voor basketbal; hij had ook het geluk ter wereld te komen in een tijd en plaats waarin mensen er verzot op waren. Was Michael Jordan geboren in het Italië van de Renaissance, dan was hij vermoedelijk niet geëindigd aan de top van de inkomens- en statusladder. Destijds zaten mensen meer te wachten op frescoschilders dan op mensen die heel goed een bal door een hoge hoepel konden gooien. In plaats van verwaandheid, past de ‘winnaars’ eerder een houding van dankbaarheid en nederigheid.

De meritocratische verwaandheid van winnaars is niet alleen ongegrond, zij is vooral schadelijk voor het sociale weefsel van de maatschappij. Het geloof van de winnaars dat ze hun succes aan niemand anders te danken hebben dan zichzelf en daarom ook niemand iets verschuldigd zijn, ondermijnt elke basis voor solidariteit. Ook verliezers wordt ingewreven dat ze hun benadeelde positie aan zichzelf te wijten hebben. De meritocratie is immers geen remedie tegen ongelijkheid, integendeel: het is een rechtvaardiging van ongelijkheid. Dit kweekt niet alleen gevoelens van ressentiment (tegen de meritocratische elite), maar creëert ook een dankbare voedingsbodem voor populisten die met deze gevoelens aan de haal gaan.

Nederland is geen Amerika. De ongelijkheid is hier kleiner, net als het geloof in de Amerikaanse droom – het waanidee dat als je maar hard genoeg werkt, succes je ten deel zal vallen. Als het gaat om de uitholling van de publieke zaak, is de diagnose daarmee nog niet compleet. Een andere oorzaak zit in de spanning tussen the common good en ons politieke model, een spanning waar Sandel in zijn vroegere werk over schreef.

Om dat te begrijpen, moeten we stilstaan bij wat we onder the common good verstaan. Bij gebrek aan beter wordt het vaak vertaald met ‘de publieke zaak’ of ‘het algemeen belang’, maar eigenlijk dekt dit niet de lading. Het is namelijk meer dan een gedeeld belang. The common good is het goede dat ons bindt, een gemeenschappelijke betrokkenheid bij wat we belangrijk vinden gepaard met een doorlopend democratisch gesprek daarover. Deze politieke gemeenschapszin moeten we niet verwarren met chauvinistisch nationalisme. Het gaat om het besef dat we op een reële manier een gemeenschap vormen. We moeten een stuk grond op deze aardbol met elkaar delen, we moeten het eens worden over welke wetten gelden, en over hoe we ons belastinggeld willen besteden. Dit alles kan niet zonder een gesprek over wat we belangrijk vinden.

Kortom: the common good moet voortkomen uit de realisatie dat we, ook zonder coronacrisis, in hetzelfde schuitje zitten. Alleen al het doorgronden van de betekenis van the common good maakt duidelijk hoe ver we van zoiets verwijderd zijn.

De uitgangspunten van ons politieke model, de zogenaamde liberale democratie, verklaren veel. Het democratische gedeelte staat voor een bestuursvorm waarbij het volk de macht heeft, het liberale gedeelte staat voor een grondwet die onze individuele vrijheden met rechten beschermt. Die grondwet voorkomt dat democratie een ‘tirannie van de meerderheid’ wordt, waarbij de belangen van minderheden overheerst kunnen worden door de wil van de meerderheid.

Dit betekent ook dat er een zekere spanning bestaat tussen de liberale democratie en zoiets als the common good. Wij hebben er een principe van gemaakt dat individuen niet zomaar ondergeschikt gemaakt kunnen worden aan het algemene belang. Dat is wat ons model het meest onderscheidt van totalitaire regimes. Landen als China, de Sovjet-Unie, of de oude Griekse stadstaat Sparta deins(d)en er niet voor terug om de vrijheid, de privacy, of zelfs de levens van hun burgers op te offeren voor het algemene belang.

Drie hoeraatjes dus voor de liberale democratie.

Of misschien twee, want het is ook de zwakte van ons politieke model. Een gevaar is dat het liberale idee overstroomt van de politiek naar onze cultuur als geheel. Dat de nadruk op individuele rechten en vrijheden het belang van maatschappelijke plichten en verantwoordelijkheden verdringt. Mijn beslissing geen gebruik te maken van een steunmaatregel is daarvan een heldere illustratie. Het complete onbegrip hierover verwacht je alleen in een samenleving waarin burgers gewend zijn te opereren vanuit eigenbelang, omdat ze ergens ‘recht op hebben’.

De aansporing dat we ‘het samen moeten doen’ klinkt dan ook hol, helemaal uit de mond van een liberale premier wiens eigen VVD bij uitstek de logica vertegenwoordigt van eigenbelang en individualisme. Datzelfde geldt voor het beroep op onze solidariteit met de kwetsbaren. De VVD staat er niet om bekend daar de hoogste prioriteit van te maken. Dit is overigens niet zozeer een aanval op de VVD, maar eerder een aanval op onze volksgeest, die de VVD telkens weer tot grootste partij verkiest.

Het gebrek aan politieke gemeenschapszin wreekt zich tijdens deze gezondheidscrisis. Het is namelijk niet in ieders individuele belang – denk aan jonge, gezonde mensen – om zich aan de regels te houden. Daarnaast hebben we te maken met twee andere, steeds verder escalerende crises: een economische en een ecologische. Op economisch vlak dreigt de coronacrisis nu al een diepere kloof te slaan tussen arm en rijk. Alleen door de ongelijkheid terug te dringen valt een giftig politiek klimaat te voorkomen, een klimaat waarbij populisten gevoelens van ressentiment nog verder zullen aanwakkeren en uitbuiten. Voor de noodzakelijke klimaattransitie zal eveneens solidariteit het uitgangspunt moeten zijn, willen we iedereen meekrijgen. En ook hier geldt des te meer dat het fel verdedigen van onze individuele verworvenheden dat bij voorbaat een verloren zaak maakt.

Uiteindelijk is de tegenstelling tussen de liberale democratie en het algemeen belang een valse. Een samenleving die alleen nog denkt in termen van individuele vrijheid, en daarmee maatschappelijke achteloosheid kweekt, is weerloos tegenover problemen die een gezamenlijke inzet vergen. Betrokkenheid bij the common good is dus geen overbodige luxe of een gezelligheidsproject. Het besef dat we in hetzelfde schuitje zitten is een noodzakelijke voorwaarde om de liberale democratie overeind te houden.

Het lastige van dit soort cultuurkritiek is dat elk voorstel tot een concrete oplossing al snel potsierlijk lijkt in verhouding tot de omvang van het probleem. Moeten we die zoveelste vermakelijke Netflix-serie laten voor wat-ie is en ons door de nieuwste pil van Piketty ploegen? Moeten we vaker een open gesprek aangaan met iemand die er compleet andere denkbeelden op nahoudt? Moeten we ons aanmelden als vrijwilliger bij de voedselbank? Vluchtelingen helpen met taallessen? Ons aansluiten bij Extinction Rebellion? Niet meer op de VVD stemmen?

Het zijn allemaal stapjes in de goede richting, maar een cultuurverandering als deze gebeurt niet van de een op de andere dag. Het begint bij het nederige besef dat onze talenten een geschenk zijn en geen verdienste. Datzelfde geldt voor de mogelijkheden om die talenten te ontplooien; die hebben we grotendeels aan de samenleving te danken. Dit besef zou voor een gezonde basis moeten zorgen van solidariteit en maatschappelijke erkentelijkheid.

Meer concreet pleit Sandel ervoor om gebruik te maken van het belastingsysteem als middel van waardering en ontmoediging. Denk daarbij aan loonsubsidies voor banen die we beschouwen als maatschappelijk waardevol. Deze overlappen grotendeels met de banen die tijdens deze crisis essentieel bleken te zijn: verpleegpersoneel, vuilnismannen, leraren. Denken ook aan belasting op werkzaamheden die niks wezenlijks bijdragen aan de samenleving, zoals flitshandel.

Een betere herinnering aan het belang en de kwetsbaarheid van de publieke zaak dan de coronacrisis krijgen we niet. Tijdens deze crisis is Vadertje Staat de belangrijkste reddingsboei gebleken. Het is de staat die niet alleen het zorgsysteem financiert, maar die ook de essentiële noodsteun levert aan ondernemingen, theaters, mensen zonder werk. Die steun komt uit onze collectieve pot met geld. Tegelijkertijd blijven multinationals en superrijken erin slagen hun winsten en vermogens weg te sluizen, een flagrante onrechtvaardigheid die altijd al onacceptabel was, maar door de coronacrisis helemaal onverteerbaar is geworden. In essentie is dit de de ultieme ondermijning van the common good. Want als het de rijksten en grote bedrijven is toegestaan om wel van alle maatschappelijke voorzieningen te profiteren – de infrastructuur, de rechtsorde, goed opgeleide werknemers – zonder er zelf een fatsoenlijke bijdrage aan te leven, waarom zou dan niet iedereen er zo’n instelling op nahouden?

Een einde maken aan deze onrechtvaardigheid is de meest prangende van alle concreet te nemen maatregelen. De huidige situatie doet mij twijfelen of ik geen Gekke Henkie ben om overheidssteun te weigeren. En of ik toch niet beter de suggestie van een vriend ter harte kan nemen: cash die paar duizend euro steun er de sekswerkers mee. Alles voor de publieke zaak.

Tim Fransen is cabaretier en filosoof.

De allerrijkste mensen op aarde richten veruit de meeste milieuschade aan. Willen we dat onze planeet bewoonbaar blijft, dan moeten we inkomen en welvaart veel eerlijker verdelen. Hoog tijd voor een maximuminkomen en een welvaartstaks.

We kunnen de klimaatcrisis niet stoppen zolang er miljardairs zijn

Klik hieronder en lees het hele artikel

https://decorrespondent.nl/11695/we-kunnen-de-klimaatcrisis-niet-stoppen-zolang-er-miljardairs-zijn/6278203916105-29e9abb1?pk_campaign=daily&mc_cid=deea337023&mc_eid=570304cb9a

&&&&&&&&&&&

&&&&&&&&&&&

&&&&&&&&&&&

&&&&&&&&&&&

Thalia Verkade   27 augustus 2020  Thalia VERKADE

Illustratie door Tom Guilmard voor De Correspondent

De Correspondent leest voor:
Thalia Verkade en Marco te Brömmelstroet –
Deze actiegroep wil de straat veroveren op de auto
SoundCloud

De scholen zijn weer begonnen. En de gelijknamige campagnes van Veilig Verkeer Nederland ook. Dit is de club die jong en oud al 88 jaar leert hoe je veilig over straat moet, en bij kinderen het Nationaal Verkeersexamen afneemt – een diploma voor hoe je je op straat dient te bewegen.

VVN stampt het er bij kinderen van jongs af aan in: de straat is gevaarlijk! Kijk links-rechts-links als je niet doodgereden wil worden! En automobilisten krijgen op hun beurt de waarschuwing: pas op fietsers, zeker als het onvoorspelbare kinderen zijn. Voor je het weet ligt er een onder je auto.

De onderliggende gedachte: verkeer moet stromen en mensen moeten hun gedrag daarop aanpassen. Het is ‘het recht van de snelste’. Het voorruitperspectief, waarbij 1.500 kilo zware machines die door woonwijken rijden worden gezien als een voldongen feit.

Loopt het kind op de weg of loopt de weg door zijn speelruimte? Overal in het land hangen spandoeken voor automobilisten en scholieren, dat ze moeten opletten: de scholen zijn weer begonnen. Maar is het niet gek dat de straat zo gevaarlijk is voor kinderen? Lees onze analyse hier terug 

De opstand van een ‘pressiegroep’

Ooit bestond er een club die het daar volstrekt niet mee eens was. Een club die eiste dat het niet nodig zou moeten zijn om uit te kijken als je op straat bent.

Dit was: Stop de Kindermoord. Een beweging die begon in Eindhoven, aan de keukentafel van Vic Langenhoff die bij een verkeersongeluk een kind verloor, en die niet langer accepteerde dat de straat een plek was geworden waar je zomaar doodgemaakt kon worden. Het was de organisatie die in de jaren zeventig het felst in opstand kwam tegen het automobilisme. Met pamfletten. Met demonstraties. Met affiches. Die keihard binnenkomen.

Affiche voor Stop de Kindermoord, ontworpen door Charles Boost 1973.

Zo luidt het begin van de oprichtingsverklaring van ‘pressiegroep’ Stop de Kindermoord in de krant in 1972:

In Eindhoven en Helmond zijn een paar mensen opgestaan die de apathie willen doorbreken waarmee het Nederlandse volk de dagelijkse kinderslachting in het verkeer accepteert. […] Het moet maar eens afgelopen zijn met de onkunde, de achteloosheid of het cynisme waarmee in dit land de prioriteiten worden gesteld. Het gaat hier niet om een randverschijnsel, het gaat om de vraag of wij een beschaafd volk wensen te zijn.

En dan stapt Vic Langenhoff, wiens woorden het zijn, over naar de eerste persoon:

‘Een van de drieduizend verkeersdoden van 1971 was mijn jongste kind, zes jaar oud, op weg naar school van de weg gereden door iemand die met vol gas een onoverzichtelijke bocht in reed. (ƒ 150,- boete; misdadig rijden is goedkoper dan u denkt).’

Automobilisten kunnen de publieke ruimte op zo’n manier gebruiken dat er vierhonderd kinderen per jaar bij doodgaan, stelt deze vader. Dat moet afgelopen zijn. Je kunt je bij hem melden als je de onverschilligheid ook beu bent: Langenhoff zet zijn adres onder de oproep, en blijft publiceren over de reacties. Die stromen binnen.

Veilig over straat: een kwestie van gedrag of van inrichting?

Zo wordt Stop de Kindermoord geboren. Wat begint als een ‘pressiegroep’, groeit uit tot een landelijke organisatie met een actieve achterban van duizenden mensen. Terwijl de voor rechten voor fietsers strijdt, vecht Stop de Kindermoord voor de straat als een plek waar ook kinderen vrij en onbezorgd moeten kunnen spelen en leven, zoals dat voor de komst van auto’s en ander gemotoriseerd verkeer De eerste voorzitter van Stop de Kindermoord is student Maartje van Putten uit Amsterdam, die ook actief is bij de ENWB.

Vic Langenhoff voert intussen publiekelijk oorlog met Veilig Verkeer Nederland, dat de actiegroep aanvalt en de kinderen en hun ouders verantwoordelijk wil houden voor hun eigen veiligheid.

‘[De cijfers] zijn voor Veilig Verkeer Nederland (VVN) aanleiding ouders er met grote nadruk op te wijzen, dat in de eerste plaats zij verantwoordelijk dienen te worden gesteld voor het grote aantal ongevallen dat met name kleuters in het verkeer overkomt’, zo wordt VVN geciteerd in het ‘VVN betreurt het in hoge mate dat veel ouders hun verantwoordelijkheid voor de verkeersveiligheid van hun kinderen afwentelen door bijvoorbeeld als pressiegroep te pleiten voor voorzieningen, die louter en alleen in het technische vlak liggen.’

Ja, verkeersvoorlichting is belangrijk, zegt Langenhoff in reactie tegen het dagblad. ‘Maar wij vinden wel dat de verkeersonveiligheid alleen in de wortel kan worden aangepakt als er een totaal andere verkeersstructuur komt waarbij het niet meer mogelijk is dat auto’s zo maar ongestoord door woonwijken razen. Een nieuwe verkeersstructuur is primair.’

En: ‘Je lost de problemen niet op door te propageren dat voetgangers ’s avonds lichte jasjes moeten gaan dragen.’

Woonerven en een hobbelpot

Stop de Kindermoord staat voor een radicaal andere straat: eentje waarin je überhaupt niet hoeft te vrezen voor je leven.

Dat pleidooi vindt uiteindelijk brede maatschappelijke steun, Vanaf halverwege de jaren zeventig begint het aantal verkeersslachtoffers Dat er wat verandert, is ook te danken aan Tjerk Westerterp, de minister van Verkeer Net als Langenhoff verloor hij zelf een kind in het verkeer. Er zijn mensen die zeggen dat dat het ergste, maar ook het enige was dat het kabinet tot maatregelen bracht. Zoals de introductie van de een levensreddend middel voor mensen in de auto.

Maar verreweg de meeste maatregelen die het leven op straat minder levensgevaarlijk maken, worden op lokaal niveau genomen, onder druk van protestorganisaties als Stop de Kindermoord, die steeds vaker aanschuiven bij de gemeenten. Er komen woonerven. Veel steden gaan aan de slag met vrijliggende fietspaden en snelheidsremmende maatregelen, zoals verkeersdrempels en wegversmallingen. In Rotterdam komt er een voor drempels die elke burger kan aanvragen voor zijn deur.

Kinderen voorrang

Zo leerde ik de Nederlandse straten begin jaren tachtig kennen. Als tamelijk mensvriendelijk. Niet als kindje alleen oversteken. Wel links-rechts-links blijven kijken. Wel fietsverkeersexamen. Maar ik kon spelen bij vriendjes die aan woonerven woonden. Fietsen, ontdekte ik later, was ongeveer overal in de wereld gevaarlijker dan hier.

De grootste slachting was voorbij. Maar ik had geen idee dat die had plaatsgevonden, en hoe die was gestopt. Dat ontdekte ik pas vorig jaar, toen ik werkte aan een En toen had ik meteen een nieuwe vraag: hoe kon het dat ik dit niet wist? Hoe kan het dat de boodschap van clubs als Stop de Kindermoord, die zo belangrijk zijn geweest voor de inrichting van onze straten, nu totaal weg lijkt?

Het korte antwoord: Veilig Verkeer Nederland.

Het tegengeluid wordt ingekapseld

Vic Langenhoff (mijn eindexamenjaar). Wat er sindsdien gebeurde, hoor ik van Janneke Zomervrucht, die nu met pensioen is, maar sinds 1995 bij allerlei organisaties 

We schuiven aan in Delft, aan de keukentafel van Zomervrucht, voor een verhaal over een gedwongen fusie en reorganisatie, hoe belangrijk een naam voor een organisatie is, van naamswijzigingen en van statuten, en hoe constructief tegengeluid ingekapseld en daardoor gesmoord kan raken.

‘In 1994 veranderde de naam Stop de Kindermoord in Kinderen Voorrang! vanwege de vertelt Zomervrucht in haar keuken. Een brief van een kleinkind staat in het raam. ‘Ook begon het aantal gedode kinderen terug te lopen.’

Dat kwam deels door een betere inrichting van de straat. Maar er was een belangrijker reden, die we over het hoofd zien, zegt Zomervrucht. Het omdat ouders hun kinderen pas later zelfstandig over straat lieten gaan. Ofwel: er waren – en zijn nog altijd – minder kinderen op straat die doodgereden kunnen worden. De mogelijke nadelige effecten van die beperkte zelfstandige mobiliteit op de ontwikkeling van kinderen, was iets wat Kinderen Voorrang! 

Inmiddels was de pressiegroep een stichting geworden, die overlegde met de overheid en rijkssubsidie kreeg: ze was niet meer een tegenpartij, maar werkte nu actief samen met gemeenten; net zoals de Eerste Enige Echte Nederlandse Wielrijdersbond dat was gaan doen, 

‘We organiseerden Nationale ’, vertelt Zomervrucht. ‘Dan werden er door onze lokale achterban honderden Nederlandse straten afgesloten voor autoverkeer, en dan konden kinderen daar de hele dag spelen. De Straatspeeldag haalde steevast het Jeugdjournaal en de voorpagina’s. In 1999 Het aantal straten dat meedeed groeide in de loop der jaren tot ruim tweeduizend.

Maar toen ging het mis.

Een gedwongen huwelijk

In 2000 moesten de Fietsersbond, Kinderen Voorrang! en de Voetgangersvereniging van minister Tineke Netelenbos (Verkeer en Waterstaat, PvdA) fuseren met het veel grotere Veilig Verkeer Nederland. Alleen zo konden aanspraak blijven maken op de landelijke subsidie. Schaalvergroting.

De Fietsersbond wist buiten de fusie te blijven, maar de andere twee organisaties niet: ze waren te klein en te zeer afhankelijk van het geld. Zo begon een nieuw tijdperk: dat van , een afkorting die een marketingbureau bedacht voor ‘drie verenigde verkeersveiligheidsorganisaties’. Een grotere gemene deler dan dat ze alle drie ‘iets’ deden met verkeersveiligheid was niet te vinden. Minister Netelenbos benadrukte bij VVN dat het gedachtegoed van de twee kleine partners in de nieuwe organisatie Er kwamen nieuwe statuten met oog voor een veilige ruimte voor de voetganger en inclusieve mobiliteit, mobiliteit voor iedereen.

Zomervrucht vertelt hoe de circa twintig medewerkers van de Voetgangersvereniging en Kinderen Voorrang! allemaal op de beleidsafdeling belandden: daar waar de plannen werden uitgedacht. Ze kregen een plekje op het kantoor van VVN in Huizen. ‘Je kon er alleen met de auto komen, of met een bus vanuit station Naarden-Bussum.’ Het was een pijnpunt voor de twee kleine fusiepartners die in Den Haag en Amsterdam waren gehuisvest. Daardoor ging al niet iedereen mee in de fusie.

‘Het was moeilijk voor ons om voet aan de grond te krijgen’, gaat Zomervrucht verder. ‘Kinderen moesten van Veilig Verkeer Nederland leren dat verkeer gevaarlijk is en hoe ze daarmee om moesten gaan. Dat is geen onzin, maar wel eenzijdig. Wij benadrukten dat er ook verder gewerkt moest worden aan een goede inrichting van de straat.’

Loopt het hert over de weg? Of loopt de weg door het bos?

Jan Torenstra, die ook bij Zomervrucht in de keuken zit, was in die tijd in Delft wethouder voor de PvdA en net als zij begaan met ons gebruik van de publieke ruimte. Hij legt het zo uit: ‘Veilig Verkeer Nederland zegt: de auto moet kunnen rijden, en de rest volgt daaruit. Iedereen veilig over straat – je gedraagt je volgens de verkeersregels. Wij kijken steeds eerst naar: waar staat de voetganger? Hoe houd je de openbare ruimte te voet begaanbaar? Is er wel plek voor de auto?’

Voor Veilig Verkeer Nederland was het kind als een hert dat de weg overstak. Voor Zomervrucht en Torenstra was het juist andersom: 

‘We bleven erop hameren dat het verkeer ook rekening moest houden met de mogelijkheden van kinderen’, vertelt Zomervrucht. Zoals de 

In 2006 viel het besluit om 3VO een andere naam te geven, want Het werd weer gewoon Veilig Verkeer Nederland. In het persbericht stond dat de naamsverandering benadrukte dat de club En dat terwijl de fusiepartners nog steeds totaal verschillend in elkaar zaten.

De organisatie van de Straatspeeldag werd uit handen gegeven aan en de actie omgedoopt tot In afstemming met Veilig Verkeer Nederland ging kinder-tv-zender Nickelodeon dan een middag op zwart. Dat was een mooie stunt, zegt Torenstra. ‘Maar nu ging het om buitenspelen, en niet meer om de vraag of de straat geen speelruimte was.’

Binnenskamers was hier uiteraard discussie over. ‘Door de focus op gedrag en “pas op” zet VVN eigenlijk juist een rem op verbetering van de inrichting van de stad’, zegt Zomervrucht. Daaropvolgende bezuinigingen werden door VVN aangegrepen voor een drastische koerswijziging, waarin er bijna geen ruimte meer was voor het perspectief van de straat als een zorgeloze verblijfsruimte. Het bestuur ging niet in op pogingen tot overleg. De complete beleidsafdeling werd Zomervrucht bleef uiteindelijk 

Zo eindigde het sprookje van de fusie. ‘Drie organisaties moesten samen in dit gedwongen huwelijk, en ieder bracht subsidie in’, zegt Zomervrucht. ‘Maar de afspraken met de minister werden door de grootste fusiepartner VVN vergeten, en de voetgangers en de kinderen staan nu zonder professionele belangenbehartiging en zonder geld. Hun kleine subsidie is bij VVN terechtgekomen, en die is weer, net als voor de fusie, voornamelijk bezig met campagnes en educatie.’

Veilig Verkeer Nederland heet weer Veilig Verkeer Nederland, alsof er niks is gebeurd, alsof de fusie tot 3VO nooit heeft plaatsgevonden. In de huidige statuten van VVN worden de fusiepartners niet genoemd. Zo verdwenen Stichting Kinderen Voorrang!, de Voetgangersvereniging én het hele idee dat je meerdere perspectieven kan hebben op het doel van de straat uit het collectieve geheugen.

Veilig Verkeer Nederland: een A-merk

Het was een gedwongen huwelijk, zegt ook Rob Stomphorst, woordvoerder van Veilig Verkeer Nederland.

Hij wijst me in hun nieuwe onderkomen in Amersfoort, pal aan het treinstation, het bureau waar Janneke Zomervrucht nog aan heeft gezeten. ‘De andere partijen waren clubs die heel specifieke groepjes vertegenwoordigden. Ons gedachtegoed is: íedereen veilig over straat’, zegt hij. Over het woord ‘Kindermoord’: ‘Wij zouden dat nooit zo noemen, in het kader van verkeersveiligheid. Wij kiezen voor positieve communicatie zowel in woord als in beeld. Gelukkig veranderden ze hun naam.’

Stomphorst is duidelijk een ander type dan de kleine fusiepartners. Hij schrikt bijvoorbeeld niet terug van Maar voor die samenwerkingen was de naamsbekendheid van VVN van belang. ‘Veilig Verkeer Nederland was een A-merk. 3VO een C-, een D-merk.’ De opluchting was dus groot toen het weer gewoon VVN werd. Hij vertelt enthousiast verder hoe hij een deal met Total maakte, de benzinemaatschappij, om kinderen 

Leren uitkijken voor en omgaan met de dode hoek, dat is echte VVN-logica. Verstandig. Maar daardoor komt niet de vraag op tafel of het wel een goed idee is dat grote, zware vrachtwagens op elk moment van de dag door drukke stadsstraten kunnen rijden. Precies de kritiek van Zomervrucht. En geld van een oliemaatschappij, dat is sponsoring die Kinderen Voorrang! nooit zou aannemen, zegt Zomervrucht. Ook met Shell 

Het past in een traditie: al in de jaren dertig werd het Verbond voor Veilig Verkeer, zoals VVN in de begintijd heette, gesponsord door de industrie die de Alleen in de directe schoolomgeving onderneemt VVN actie voor autovrije en anders autoluwe straten.

Kan Stomphorst zich voorstellen dat de andere fusiepartners het moeilijk vonden om aansluiting te vinden?

‘Ik denk dat je de zaken realistisch en zakelijk moet bekijken’, zegt Stomphorst.

‘Ja, wij bereiden de kinderen voor op het hedendaagse verkeer’, valt Hermy Grapperhaus in, de bedrijfsjurist die tot dan toe nog weinig aan het woord is gekomen.

‘Het is een gegeven’, gaat Stomphorst door. ‘Vanuit onze missie ontwikkelen wij sinds 1932 verkeersleermiddelen voor het basisonderwijs. Ruim 70 procent van de scholen maakt daar gebruik van.’

‘Dat dat nodig is, die disciplinering op straat van kinderen, dat kun je niet veranderen?’ vraag ik.

‘Dat kun je wel veranderen, maar dan ga je in een commune wonen of in een hutje op de hei’, zegt Stomphorst.

Daar gaat het heen

Over de Straatspeeldag zegt Stomphorst stellig: ‘Het is zo dat je kinderen het verkeerde aanleert als je ze leert dat ze midden op straat mogen spelen. En dan moet je ze de volgende dag uitleggen dat dat niet handig is.’ Dat in de daaropvolgende reorganisatie alle medewerkers behalve Zomervrucht van de twee fusiepartners werden wegbezuinigd, staat Stomphorst niet meer zo voor de geest, zegt hij.

Op het kantoor in Amersfoort vind ik het steeds lastiger om zijn argumenten aan te horen. Want door die fusie, waar Stomphorst zo licht over doet, heb ik nooit geleerd om anders naar de straat te kijken. En dat wuift hij nu weg met ‘dan moet je in een commune gaan wonen of in een hutje op de hei.’

Kun je wel ‘voor iedereen op straat’ zijn, zoals VVN betoogt?

Het gesprek gaat nog even over de toekomst. Bij VVN zijn ze optimistisch. ‘Het autoluw maken van binnensteden ten gunste van ruimte voor voetgangers en fietsers is iets wat steeds dichterbij komt en dat is een heel mooie ontwikkeling’, concludeert Stomphorst.

‘Daar gaat het heen’, vult Grapperhaus aan.

De betere toekomst arriveert vanzelf: zo had ik er ook lang over gedacht. Maar dat het in Nederlandse steden op veel plekken veiliger is ingericht dan in veel andere landen, dat was dus niet vanzelf gegaan. Dat hadden we nou juist aan partijen als Stop de Kindermoord te danken.

Als Stomphorst me uitlaat, krijg ik een boekje mee dat hij heeft laten maken: Om aan mijn kinderen voor te lezen: ‘Verkeer is overal, dus is het opletten geblazen, oren en ogen open!’

MENSenSTRAAT: de wederopstanding

Als organisatie werd Kinderen Voorrang! ingekapseld en verteerd door de gedwongen fusie met Veilig Verkeer Nederland. Maar het gedachtegoed erachter, de straat als plek voor mensen, bleek niet uit te roeien.

Ze zijn weer terug: Janneke Zomervrucht, Jan Torenstra en een tiental andere oudgedienden, ook van de Voetgangersvereniging. Ze hebben een stichting opgericht met hetzelfde doel als voorheen: dat we de publieke ruimte ook blijven zien en inrichten als verblijfsruimte en mensenstraat. Zo heet hun organisatie nu: 

‘Zo’n straat waar slenteren, ontspannen en ontmoeten centraal staan. Een straat die aantrekkelijk, veilig en inclusief tegelijk is. De aantrekkelijke mensenstraat komt er vaak niet, gek genoeg omdat de mens als belanghebbende aan de ontwerptafel ontbreekt. Dat moet veranderen’, schrijven Zomervrucht en lector stadslogistiek Walther Ploos van Amstel in 

Net als toen ze nog Kinderen Voorrang! heetten, richt MENSenSTRAAT zich op het ministerie, op bestuurlijk niveau, vertelt Zomervrucht. Om er een punt van te maken dat het hert de weg oversteekt, maar dat de weg óók zijn bos doorkruist.

De groep heeft er al aan bijgedragen dat er bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ‘lopen’ en het belang daarvan. Daarnaast hebben ze een naar Nederland gehaald, dat onder andere alle gemeenten van de provincie Friesland hebben ondertekend. Wat betekent dat die gemeenten uitspreken dat ze voor de lopende mens alles zullen doen wat in hun vermogen ligt.

De Fietsersbond heeft onlangs samen met MENSenSTRAAT, Milieudefensie, Urgenda, Wandelnet en Natuur & Milieu de die nu ruim 3.100 keer is ondertekend.

En zo is er nu – bijna een halve eeuw na de oprichting van Stop de Kindermoord en de ENWB – opnieuw het begin van een landelijk netwerk, dat net als de protestorganisaties van destijds niet het gedrag van mensen wil inpassen in het verkeer, maar het verkeer wil inpassen in het verkeren tussen mensen.

Naschrift: Dit verhaal is een bewerking van een hoofdstuk uit het boek Het recht van de snelste. Voor publicatie heb ik de tekst voorgelegd aan Veilig Verkeer Nederland. In reactie benadrukt woordvoerder Rob Stomphorst dat de vereniging alles in het werk stelt om samen met hun stakeholders het aantal verkeersslachtoffers omlaag te brengen. Lees zijn volledige reactie .

Op de hoogte blijven?Meld je aan voor mijn persoonlijke nieuwsbrief. Dan krijg je een seintje in de mail als er nieuwe verhalen online gaan.Meld je hier aan 

Lees ook:

Loopt het kind op de weg of loopt de weg door zijn speelruimte?Overal in het land hangen spandoeken voor automobilisten en scholieren, dat ze moeten opletten: de scholen zijn weer begonnen. Maar is het niet gek dat de straat zo gevaarlijk is voor kinderen?Lees onze analyse hier terug

 

 

XXXXXX

XXXXXX

XXXXXXX

XXXXXXX

‘We zijn níét allemaal even schuldig’

Focus. Klimaatjournalist Jaap Tielbeke doorprikt de mythe dat de consument het klimaat kan redden

Als jong en betweterig ‘milieu-fanaatje’ spelde hij anderen de groene les, nu schrijft de Nederlandse journalist Jaap Tielbeke (1989) een boek over hoe een beter milieu níét bij jezelf begint.
Barbara Debusschere
‘Iedereen is hypocriet’, zegt Tielbeke. ‘In een vervuilend systeem is het praktisch onmogelijk om schone handen te houden.’ ©RV Willemieke Kars

Neem het openbaar vervoer. Installeer zonnepanelen. Word vegetariër. Recycleer. Schakel over op groene stroom. De vele antwoorden op de vraag ‘Wat kan ik zelf doen voor het klimaat?’ zijn bekend. Groen consumeren is ook niet meer kneuterig maar trendy. “Ondertussen stijgen de temperaturen steeds sneller en holt de biodiversiteit hard achteruit”, zegt Jaap Tielbeke, journalist bij het Nederlandse weekblad De Groene Amsterdammer. “Dat is toch vreselijk frustrerend?”

U kent die machteloosheid goed?

“Absoluut. Als kind was ik een milieufanaatje dat gefascineerd was door insecten en planten. Toen ik 7 was, ging ik langs de deur om geld in te zamelen voor het Wereldnatuurfonds. Het waren de jaren 90 en er liep toen op de Nederlandse tv een overheidscampagne met de slogan ‘Een beter milieu begint bij jezelf’. Ik geloofde erin en spoorde anderen aan ook afval te scheiden en zuinig om te springen met energie. Maar vandaag…”

…brengt u een boek uit met als titel Een beter milieu begint niet bij jezelf. Wat is er gebeurd?

(lacht) “De milieucrisis is alleen maar groter geworden. Sinds die overheidscampagne is de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer met 57 procent gestegen. Steeds meer wetenschappers geloven zelfs dat we in een nieuw geologisch tijdperk zitten, het antropoceen, het tijdperk van de mens, dat het aanzicht van de aarde ingrijpend verandert. De klimaatwetenschap is al decennia bekend, maar de nodige kentering komt er niet.

“Mijn eerste artikel over het antropoceen had dan ook een misantrope teneur. ‘Het antropoceen is een collectief brevet van onvermogen’, stond erin. Maar langzaamaan ben ik gaan inzien dat zowel ‘een beter milieu begint bij jezelf’ als het fatalistische ‘de mensheid is evolutionair niet uitgerust voor problemen van deze omvang’ twee mythes zijn die de echte oplossingen in de weg zitten. We zijn niet allemaal even schuldig.”

Hoezo? Iedereen gebruikt toch fossiele energie?

“Je hoort vaak ‘wij zijn allemaal Shell’. Of ‘wij zijn het klimaat’. Maar niet ‘de mensheid’ heeft beslist om fossiele brandstof massaal in te zetten of om daar mee door te gaan, ook nadat bleek dat die de opwarming veroorzaakt. Het waren de fabrieksdirecteuren in een kleine hoek van de wereld die de industriële revolutie in gang hebben gezet. En vooral machtige multinationals in de westerse wereld plukten daar de vruchten van. Toen bleek dat hun activiteiten het klimaatsysteem dreigden te ontwrichten, zetten oliemaatschappijen een desinformatiecampagne op touw om twijfel te zaaien over de geloofwaardigheid van de klimaatwetenschap. Nog altijd lobbyen ze om duurzaamheidsbeleid te dwarsbomen.

“Het idee dat wij het als soort per definitie verknoeien, maakt ons onnodig hopeloos en negeert de machtsverhoudingen in dit verhaal. Iemand in Bangladesh draagt een stuk minder bij aan de ontwrichting van het klimaat dan ik en ik minder dan Shell. Slechts twintig fossielebrandstofbedrijven zijn verantwoordelijk voor 35 procent van de totale broeikasgasuitstoot sinds 1965. Terwijl wij ijverig spaarlampen indraaien, gaat de fossielebrandstofindustrie door met nieuwe pijpleidingen en boorpunten aanleggen. Jaarlijks krijgt ze volgens het Internationaal Monetair Fonds meer dan 4.000 miljard euro aan verkapte staatssteun. Terwijl wij vegaburgers kopen, subsidieert de EU de intensieve veeteelt. Terwijl wij ons schamen over een vliegreis, groeit de luchtvaartsector razendsnel en is er geen belasting op kerosine.

“Alleen een grondige hertekening van onze economie kan echt iets veranderen. Dat vergt politiek beleid. Gelukkig verwoorden steeds meer stemmen dat inzicht in plaats van te hameren op de zondige mens die dringend korter moet douchen en groener moet shoppen. Daardoor verval ik niet in defaitisme.”

Maar groener consumeren duwt bedrijven toch in een groenere richting?

“Dat is de mythe van de groene consument die de vervuilende industrieën gretig in stand houdt. Oliebedrijf BP heeft het concept van de persoonlijke ecologische voetafdruk gepopulariseerd. ‘Kijk eerst naar je eigen gedrag, wij blijven voorzien wat jullie vragen’, is wat die bedrijven ons zeggen. Zo hoeven zij niet te veranderen. En politici gebruiken hetzelfde argument. Door de bal bij de consument te leggen, leiden ze de aandacht af van het feit dat dat zij veel meer ‘het klimaat zijn’ dan wij.”

Zegt u dat ecologischer leven niets uithaalt?

“Ik wil zeker niet stellen dat iedereen nu maar kan morsen met energie. Gedragsverandering kan helpen om de norm te verschuiven. Kijk naar vlees eten. Werd je vijf jaar geleden nog vreemd aangekeken als je een vleesloze maaltijd vroeg, nu is dat bijna overal te krijgen. Maar ondertussen is in Nederland de vleesconsumptie amper afgenomen. Ook als het gaat over mobiliteit of energie blijkt dat we er zonder strengere regelgeving niet in slagen ons collectieve gedrag op voldoende grote schaal te veranderen. Daarom begint een beter milieu bij de politiek en de grote bedrijven. Zij hebben wel de macht om diepgaande veranderingen door te voeren, niet wij. Als de overheid besluit de veestapel in te krimpen of de luchtvaart wel te belasten op kerosine, bereiken we in één klap een CO2-reductie die we nooit en zeker nooit tijdig zullen realiseren door vegaburgers te promoten of vliegreizen te compenseren.

“En vegaburgers en Tesla’s kosten meer dan kiloknallers en tweedehands diesels. Niet iedereen kan zich dat veroorloven. Een risico van de consumentenmythe is dat bemiddelde groene dominees die met het vingertje zwaaien een grote groep minder bemiddelde mensen van zich vervreemden. En het wrange is dat de mensen die van zichzelf denken dat ze groen zijn in werkelijkheid vaak vervuilender zijn. Studie na studie toont: hoe rijker, hoe viezer. Want meer centen betekent doorgaans een groter huis, meer reizen en consumeren. De havermelkdrinkende elite leeft niet per se duurzamer.”

Ze is hypocriet?

“Iedereen is hypocriet. In een vervuilend systeem is het praktisch onmogelijk om schone handen te houden. Ik probeer ecologisch te leven maar woon wel in een slecht geïsoleerd appartement zonder groene stroom. Iedereen zou moeten doen wat hij kan, maar hameren op individueel gedrag is al te zeer een manier geworden om het debat dood te slaan. ‘De klimaatspijbelaars gingen eten in de Burger King? De minister die een vliegtaks voorstelt nam zelf het vliegtuig? Dan moeten we die niet serieus nemen.’ Telkens weer ‘hypocrisie!’ roepen is contraproductief. Het is een rookgordijn dat verhult dat de klimaatcrisis bij uitstek een politiek probleem is.”

Maar politici die groene maatregelen bepleiten raken toch nauwelijks verkozen?

“Toch is er vooruitgang. In Nederland is een centrumrechtse regering de aanjager van een klimaatakkoord. In de VS gaat nu zelfs de Democratische presidentskandidaat Joe Biden, een centrist, aan de slag met de Green New Deal van parlementslid Alexandria Ocasio-Cortez. Dat is ambitieuzer dan wat Democraten vier jaar geleden hadden. Stel dat hij wint, dan kan dat enorme impact hebben. Europa komt ondertussen met een eigen Green Deal. Misschien gaat het nog niet ver genoeg, maar die plannen zijn wel alomvattend. Het gaat over de economie aanzwengelen, herverdeling en eerlijke transitie, niet enkel over tonnen CO2-tellen.”

Zal innovatie ons niet redden?

“Technologische vooruitgang is cruciaal. Maar rekenen op een wondertechniek die ons toelaat te blijven doen wat we doen maar dan zonder klimaatschade, is gevaarlijk. ‘Armoede, ziekte en vroegtijdige sterfte hebben we overwonnen met innovatie en groei, dus moeten we meer van hetzelfde doen’, zeggen de ecomodernisten. Maar zo’n mirakeltechnologie is er nog altijd niet. En het rücksichtslos najagen van economische groei is juist een van de oorzaken van het klimaatprobleem. Groene groei is al dertig jaar het dominante mantra en de uitstoot neemt toe. Onze consumptie groeit en wij dumpen onze vervuiling nu gewoon elders. Pleiten voor meer van hetzelfde is het probleem niet begrijpen. Heel veel dingen zullen grondig op de schop moeten.”

Hoe optimistisch of pessimistisch bent u?

“Ik ben geen van beide. Als je denkt dat het allemaal vanzelf goed komt of we toch gedoemd zijn, waarom zou je dan moeite doen? Maar ik ben wel hoopvol. Hoop erkent de ernst van de situatie, maar ook dat de toekomst nog open ligt en de moeite waard is om voor te strijden.”

U put die hoop uit onder andere de klimaatrechtszaken. Zetten zij echt zoden aan de dijk?

“Er zijn toch al enkele belangrijke zaken geweest waarin burgers overheden en bedrijven aanklagen en wonnen. Door de iconische zaak van milieuorganisatie Urgenda moet Nederland nu wel voldoende maatregelen nemen. In Groot-Brittannië is een nieuwe landingsbaan op Heathrow via de rechter tegengehouden. De ene zaak inspireert de andere. Het is niet genoeg, maar dit is een evolutie die aanzwelt. Met nalatige overheden en fossiele brandstofindustrie in het beklaagdenbankje gaat het eindelijk wel over wie écht verantwoordelijk is. Er zijn ook nederlagen, maar dan nog is er impact. Want wie wil nog investeren in bedrijven die voor de rechter dreigen te moeten verschijnen?”

Ook de klimaatactivisten geven u moed. Duwt corona hen niet weg?

“Ze staan nu minder in de kijker, maar zij gaan niet gaan stoppen. Zij weten dat ze een rol te spelen hebben. Zij waren de inspiratie tot de Green Deal en zetten het thema hoog op de agenda. En de klimaatspijbelaars zeggen niet ‘een beter milieu begint bij jezelf’, maar ‘hoe durf je?’ tegen bedrijven en politici. Dat zal steeds luider klinken. Velen zetten de activisten weg als radicaal, maar zo gaat dat altijd met bewegingen die echte verandering in gang zetten. Martin Luther King werd ook als oproerkraaier gezien door de Amerikaanse overheid. De activisten op straat staan ook niet alleen. Er zijn ook het succes van de activistische aandeelhouders en de divestmentbeweging (waarin onder andere banken, pensioenfondsen, universiteiten zich terugtrekken uit fossiele investeringen, BDB).”

U wijst ook op opkomende groene stemmen in de politiek, maar is klimaatbeleid niet hoe dan ook te duur?

“Dat is een dooddoener die voorbijgaat aan de veel hogere kosten van niets doen. Puur economisch is het onbegrijpelijk dat we niet al veel eerder zijn begonnen met een groen investeringsprogramma. We vergelijken staatsfinanciën vaak met het huishoudboekje, maar dat is een valse vergelijking. Overheidsinvesteringen zijn wezenlijk anders dan private. Anders dan bedrijven kunnen landen in principe niet failliet gaan. Tijdens de coronacrisis zag je ook dat overheden opeens miljarden beschikbaar konden stellen voor steunpakketten. Een groene variant is perfect mogelijk, zoals de Green New Deal van Ocasio-Cortez en de Europese Green Deal voorstellen. Die verwijzen niet toevallig naar de New Deal van Franklin D. Roosevelt, bedoeld om VS uit de crisis van de jaren 30 te helpen met een banencreatieprogramma en grote infrastructuurwerken. Dat zwengelde de economie aan. Een overheid die de touwtjes in handen neemt, kan ons wel degelijk uit een crisis halen.

“Al heel snel na de corona-uitbraak waren er ook manifesten voor duurzaam herstel. Dat is een groot verschil met de bankencrisis van 2008. De ideeën richting groen beleid zijn nu een stuk verder gevorderd en er liggen meer beleidsmodellen klaar. Er is absoluut geen garantie dat men die zal volgen en we duurzamer uit die crisis komen, maar het zou wel kunnen. Het hangt af van de keuzes die de komende maanden worden gemaakt.”

Wat zegt u aan wie toch vraagt: ‘Wat kan ik zelf doen?’

(lacht) “Er zit geen lijstje met groene tips in mijn boek. Toch hoop ik te motiveren. Niet door nog eens de ellendige feiten op te sommen en dan krachteloos te zeggen dat we mogelijk nog iets kunnen doen, maar door positieve evoluties die nu bezig zijn te tonen, zoals die klimaatzaken. Je kan activist worden, je aansluiten bij een klimaatbeweging of klimaatzaak. Of in de politiek gaan. Er zijn allerlei manieren om maatschappelijke druk uit te oefenenOok al halen we de afspraken in het Klimaatakkoord van Parijs niet, niet alles is verloren. We kunnen de opwarming nog afremmen als we ons met zoveel mogelijk concentreren op wie echt de nodige verandering kan realiseren.”

Een beter milieu begint niet bij jezelf, Das Mag Uitgevers, 240 p., 23,99 euro.

Metalen hergebruiken zonder smelten

      Amersfoort, 13 december 2019
Scope Design heeft een manier ontwikkeld om van metaalafval nieuwe producten te maken, zonder de metaaldelen eerst te versmelten. Het procedé is nog volop in ontwikkeling, maar heeft intussen de eerste concrete resultaten opgeleverd.

Scope Design ziet het als een van haar taken om ontwerpen zo duurzaam mogelijk te maken, in gebruik en productie. Tijdens een werkbezoek aan HKS Scrap Metals in Amersfoort raakten de ontwerpers geïnspireerd om meer te doen met metaal.

Normaal gesproken wordt ingezameld materiaal van metaal gesorteerd, vermalen en vervolgens gesmolten om te komen tot nieuw te gebruiken metaal. Dit proces bespaart weliswaar het delven van nieuwe grondstoffen, maar kost veel energie bij de verwerking en het transport. Scope Design zocht naar een manier om op meer duurzame wijze metaal opnieuw te gebruiken en vond het antwoord in RAW Metals.

RAW Metals is een metaalcomposiet dat wordt gemaakt zonder smelten. De grondstoffen worden ‘om de hoek’ opgehaald bij de HKS Scrap Metals in Amersfoort. Met het Raw-Cycling procédé worden de metalen vermalen en onder hoge druk in een mal geperst. Vergeleken met koper dat op de traditionele manier is gerecycled, is de uitstoot van CO2 met zestig procent verminderd.

Met RAW Metals voeren de ontwerpers op dit moment allerlei testen uit volgens de ‘trial and error’ methode. Ze onderzoeken hoe het materiaal reageert op draaien, frezen, tappen, zandstralen en polijsten. Het eerste product dat hieruit is voortgekomen is de Raw Metals handdoekhaak.

Het eerste product dat is gemaakt met het Raw-Cycling procédé iis de Raw Metals handdoekhaak.
(Foto: Scope Design)Metalen hergebruiken zonder smelten'    1/1

Tien interventies voor versnelling wereldwijde aanpak tegen voedselverspilling

Op 12 november is het rapport ‘Reducing Food Loss and Waste: Ten Interventions to Scale Impact’ gelanceerd tijdens het internationale congres ‘Reduction of food losses and waste’ in Vaticaanstad. De auteurs van het rapport, waaronder Wageningen University & Research, roepen overheden en bedrijven op de impact te vergroten en het tempo van sectorspecifieke acties te versnellen om de duurzaamheidsdoelstelling 12.3 van de Verenigde Naties tegen 2030 te bereiken.

Klik hier om verder te lezen

Bron: MCB Nieuws Geplaatst door Edwin Vlems

De Groundfridge is een kelder voor in je tuin om voedsel en wijn op te slaan – met een prijskaartje van €12.000

De Groundfridge is een ontwerp van Floris Schoonderbeek.

Moderne huizen hebben vaak geen kelder, terwijl dat best handig kan zijn om voedsel en wijn op te slaan. Ontwerper Floris Schoonderbeek ontwikkelde daarom de Groundfridge, een natuurlijk gekoelde ondergrondse kelder die je kunt ingraven in de tuin.

Schoonderbeek stond in 2015 al op de Dutch Design Week in Eindhoven met een prototype en sleepte meteen een nominatie in de wacht voor beste Nederlandse vormgeving. Dit jaar is de Groundfridge opnieuw te zien op het designevenement in het Klokgebouw op Strijp-S.

De ondergrondse koelkast is verbeterd en klaar voor levering. Een basisexemplaar zonder inrichting kost 9.900 euro, met houten schappen ben je 12.000 euro kwijt. Geen klein bedrag, maar een kelder uitgraven onder je huis is een stuk duurder.

Het bedrijf heeft inmiddels twaalf bestellingen binnen, vertelt een medewerker bij de stand op de Dutch Design Week. Vanuit Nederland is er interesse, maar er gaat er binnenkort ook eentje naar Ibiza.

Het idee achter de Groundfridge is simpel. Onder de grond is het lekker koel door de natuurlijke isolatie van de aardbodem en de koelende werking van het grondwater.

De polyester koepel wordt ingegraven in de tuin, voorzien van een laag purschuim en bedekt met de afgegraven aarde. Afvoeren van de grond hoeft dus niet. Voor het plaatsen van de Groundfridge is bovendien geen vergunning nodig.

De temperatuur in de bolvormige kelder blijft stabiel tussen de 10 en 12 graden Celsius, zonder aansluiting op het elektriciteitsnet. Wel is er een koelsysteem met accu die ‘s nachts koele lucht naar binnen laat. De ventilatiebuis daarvoor is – heel slim – verwerkt in de trapleuning.

Groundfridge

Binnenin is er 3.000 liter aan koelruimte. Dat is gelijk aan ongeveer 20 koelkasten en genoeg om zo’n 600 flessen wijn op te slaan.

De houten schappen zijn speciaal ontworpen voor de Groundfridge en kosten 2.100 euro extra.

Groundfridge

Groundfridge prijst de ondergrondse kelder aan voor mensen met een moestuin die geen eigen kelder hebben, of wijnliefhebbers met een flinke flessencollectie. Maar het bedrijf heeft inmiddels ook interesse uit onverwachte hoek: vanuit Californië komen er aanvragen binnen van mensen die de Groundfridge willen gebruiken als schuilkelder bij bosbranden.

Niet helemaal waar de hippe ‘koelkast’ voor is bedoeld, geeft de medewerker toe. Maar een kniesoor die daarop let.

Elektrische (waterstof) vrachtwagens: een illusie of toekomstmuziek?

Elektrische vrachtwagen toekomst

 

 

 

 

 

 

 

 

Er zijn steeds meer elektrische vrachtwagens op de Nederlandse wegen te vinden, maar tezamen vormen ze nog steeds maar een zeer klein deel van het totale vrachtverkeer. De voorlopers lijken vooral geleid te worden door idealisme en belastingvoordeel, maar ze zorgen vooralsnog niet voor een echte verschuiving in het landschap van vrachtverkeer. Daarom vragen wij ons hardop af of een dominantie van elektrische vrachtwagens, al dan niet als waterstof vrachtwagen, een illusie of juist toekomstmuziek is.

Lichte trucksegment

In het lichte trucksegment zijn er al verschillende voorbeelden van inzet van elektrische vrachtwagens. De gemeente Groningen heeft bijvoorbeeld een elektrische Emoss-vrachtwagen van 12 ton in gebruik genomen voor distributiedoeleinden. De truck heeft een actieradius van 180 tot 200 kilometer, waarmee eigenlijk ook meteen het probleem is blootgelegd: vrachtverkeer legt vaak grote afstanden af en de huidige e-trucks kunnen daar nog niet in voorzien. Heineken begon in 2013 al een samenwerking met Hytruck, maar ook dit is alleen voor stadsdistributie. Toch kan men met de geringe actieradius binnen een stad al een hoop bevoorrading doen.

24-uurs distributie in stadscentra

Er worden ook dieseltrucks omgebouwd tot elektrische voertuigen. Het bedrijf Ginaf in Veenendaal doet dit met zo’n 15 vrachtwagens per jaar. Albert Heijn en de Technische Unie, die veel waarde hechten aan duurzaamheid, maken in stadscentra gebruik van deze omgevormde elektrische trucks. Het grote voordeel hiervan is dat deze elektrische trucks 24 uur per etmaal kunnen worden ingezet. Voor dieselauto’s gelden venstertijden voor laden en lossen in de binnenstad. Met een stille en schone e-truck mag men ook ’s avonds en ’s nachts laden en lossen.

Zware elektrische trucks in ontwikkeling

Op het gebied van zware trucks is het voorlopig nog het dieselvoertuig wat de klok slaat. De Duitse truckfabrikant MAN verwacht in 2021 met een zware elektrische truck de markt op te gaan. Tesla werkt hard aan een baanbrekende e-Truck, die men de “Semi” noemt en Hyundai en Toyota werken aan elektrische waterstof trucks. Terwijl Tesla, Hyundai en Toyota met haar ultramoderne elektrische (waterstof) trucks de vrachtwagenmarkt willen veranderen, kijkt de Brabantse fabrikant DAF de overgang voorlopig nog even aan. Voor hen is innovatie ondergeschikt aan betrouwbaarheid. Toch hebben ze wel toekomstplannen in dezelfde richting en kwam het bedrijf, samen met VDL, met de DAF CF Electric VDL E-Power op de proppen.  DAF verwacht in 2023 “serieuze aantallen” elektrische trucks te gaan produceren. Daarmee bedoelt met geen duizenden, maar honderden. Pas als er voldoende vraag is naar elektrische trucks wordt de productie opgeschroefd.

Duurzaam vrachtverkeer

Geen illusie, wel toekomstmuziek

Het lijkt dus geen illusie dat elektrische vrachtwagens ooit de overhand gaan krijgen, maar het is nog wel toekomstmuziek. Dat is een reden om niet te investeren in gloednieuwe trucks die nog op fossiele brandstof rijden, omdat deze in de nabije toekomst mogelijk ingehaald worden door regelgeving. Daarom kun je bij behoefte aan uitbreiding van het wagenpark beter je geld uitgeven tweedehands variant en bijvoorbeeld kiezen voor gebruikte trucks en trailers van Nooteboom Trading.

De invloed van milieuzones

De ontwikkeling van milieuzones in binnensteden is een belangrijke factor in de toekomst van het vrachtverkeer. In 2017 al riep de belangenclub Transport en Logistiek Nederland dat men wil dat er in de Nederlandse binnensteden per 2025 alleen nog volledig elektrisch mag worden gereden. Hiermee wil men de CO2-uitstoot van vrachtwagens halveren. Experts noemen het plan ambitieus, maar haalbaar. Gezien de trend dat oudere dieselauto’s steeds meer worden uitgebannen, lijkt het een kwestie van tijd voordat dit ook met vrachtwagens gaat gebeuren. Echter, de druk voor schonere stadsdistributie ligt nu alleen nog bij de vervoerder. Om de ontwikkelingen in een stroomversnelling te brengen, moeten ook de ontvangers van producten geprikkeld worden om het gebruik van elektrische voertuigen te stimuleren.

. . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . 

. . . . . . . . . . . 

               Wageningen Wetenschap – 1 oktober 2019

WUR werkt aan zonnepark nieuwe stijl

tekst:  Roelof Kleis

www.resource.wur.nl 

In zonneparken moeten ook natuur en landbouw hun plek krijgen. WUR wil die zonneparken nieuwe stijl ontwerpen.

Ingepast
Nu zien zonneparken er overal in de wereld vrijwel hetzelfde uit: terreinen met dicht op elkaar gepakte zonnepanelen. Om de boel aan te kleden, wordt het terrein soms omzoomd met groen. ‘Maar niemand vindt zo’n park mooi’, zegt Sluijsmans. ‘Ik denk dat er een kans is voor ons om te laten zien dat energieproductie, biodiversiteit en landbouw goed samen kunnen gaan, landschappelijk ingepast en gedragen door het publiek.’

Het microklimaat in de schaduw van die panelen 
is op hete zomerdagen beter dan in de volle zon
Jeroen Sluijsmans

Sluijsmans denkt daazonnepark-met-panelen.jpgrbij aan zonneparken, waar naast de opwekking van duurzame energie ook ruimte is voor landbouw en natuur. ‘Nu ontvangen boeren jaarlijks 5000 euro per hectare grond die ze beschikbaar stellen voor zonnepanelen. Dat is meer dan veel gewassen opbrengen. Als je dat geld nou eens besteedt aan combinaties van duurzame energie en gewasproductie, zou dat wel eens kunnen leiden tot nieuwe verdienmodellen.’

Volgens Sluijsmans zijn er over de grens al experimenten gaande op dat vlak. ‘Aardappelen telen bijvoorbeeld onder zonnepanelen. De opbrengst daarvan is zelfs hoger dan normaal, omdat het microklimaat in de schaduw van die panelen is op hete zomerdagen beter dan in de volle zon.’ Hij wijst daarnaast op technische ontwikkelingen, zoals dubbelzijdige panelen die rechtop staan in plaats van liggen, en het gebruik van semi-tranparante zonnepanelen.

De ruimtes tussen de panelen worden ingezaaid 
met inheemse wilde planten
Jeroen Sluijsmans

De eerste veldtesten vinden op eigen terrein van WUR plaats. In het te ontwikkelen Zonnepark Nergena in het Binnenveld komt het accent volgens Sluijsmans te liggen op het vergroten van de biodiversiteit. ‘De ruimtes tussen de panelen worden ingezaaid met inheemse wilde planten. Hierin gaan we samenwerken met zaadbedrijven die betrokken zijn bij het project Het Levend Archief. Dat park krijgt dan de functie van zaadbank, voor behoud van het genetisch materiaal.’  

Draaibaar
Een deel van Zonnepark Nergena wordt daarnaast gebruikt als proeftuin voor nieuwe technieken. In het park wordt gevarieerd met de hoogte van de panelen en de ruimtes ertussen. Een klein deel van het veld wordt gebruikt om verticale panelen te testen en systemen van draaibare panelen die de zon volgen.’

 

 

 

Nieuw rapport van VN-Klimaatpanel: zeespiegel stijgt steeds sneller

Door de uitstoot van broeikasgassen veranderen de oceanen, gletsjers en ijskappen in een steeds sneller tempo. Als de uitstoot niet snel naar beneden gaat, zullen nog deze eeuw overal gevolgen optreden, zoals zeespiegelstijging, heftiger stormen en de instorting van gletsjers.

Dat staat in het nieuwste rapport van het VN-klimaatpanel IPCC, dat in Monaco is gepresenteerd. Het is voor het eerst dat het panel apart verslag uitbrengt over de oceanen, de ijskappen en de zeespiegel. Meer dan 100 wetenschappers uit ruim 30 landen hebben eraan meegewerkt.

Gedurende de 20e eeuw steeg de zeespiegel met ongeveer 15 centimeter. Tegenwoordig gaat die stijging meer dan twee keer zo snel, zegt het Klimaatpanel.

1 meter 10

Wanneer de uitstoot van broeikasgassen niet sterk aan banden wordt gelegd, zal de stijging verder versnellen. De mondiale zeespiegel zal in het jaar 2100 gestegen kunnen zijn met 1.10 meter (ten opzichte van het niveau in de jaren 1986 tot 2005). Veel laaggelegen steden aan de kust en kleine eilanden wereldwijd lopen al vanaf 2050 jaarlijks grotere risico’s op overstroming.

In het rapport gaat het ook over de gevolgen voor mensen en de manier waarop gemeenschappen zich het beste kunnen aanpassen aan de veranderingen. Aan de basis van deze nieuwste publicatie liggen meer dan 7000 wetenschappelijke onderzoeken.

Nederland

Het is in korte tijd het derde rapport van het IPCC. Eind vorig jaar was er een rapport over de verschillen tussen 1,5 en 2 graden opwarming en een maand geleden publiceerde het panel een samenvatting van alle kennis over klimaat en landgebruik. Het nieuwe rapport is voor ons land heel belangrijk, omdat zeespiegelstijging ons direct raakt.

De cijfers in dit nieuwe rapport zijn veel lager dan die waar de Deltacommissaris een jaar geleden nog voor waarschuwde. Uit onderzoek van Deltares bleek toen dat de Nederlandse zeespiegel in 2100 zelfs tot drie meter zou kunnen stijgen als de opwarming van de aarde ongebreideld doorgaat.

Volgens Nederlandse wetenschappers die hebben meegewerkt aan het nieuwe IPCC-onderzoek zijn de cijfers niet in tegenspraak met elkaar. De kennis over de enorme ijskappen en hun invloed op de zeespiegelstijging is nog niet voldoende uitgekristalliseerd om die hogere Nederlandse cijfers nu al over te nemen, zeggen ze.

Het IPCC is een organisatie van de VN, die klimaatonderzoek verzamelt en beoordeelt, NOS op 3 legt in deze video uit hoe het IPCC werkt.

Wie zegt er eigenlijk dat de aarde opwarmt?
© NOS 2019

 

'Standaard waterrecycling in alle huizen, dat zou mooi zijn'
Tekst: Mari van Lieshout

Een koelkast, oven of wasmachine zijn niet meer weg te denken uit onze standaard huisinrichting. Als het aan Arthus Valkieser ligt, is dat binnen twintig jaar ook het geval met de Hydraloop, een toestel dat douche-, bad- en wasmachinewater opvangt, reinigt en desinfecteert en dat tot 85 procent van het huishoudelijk water kan recyclen.

We moeten slimmer met water omgaan, vindt Arthur Valkieser, bedenker en producent van de Hydraloop. Een toestel voor waterrecycling waarmee hij al enkele awards in binnen- en buitenland binnensleepte. Wat betreft uiterlijk heeft hij wel wat weg van een designkoelkast, maar neemt slechts 0,27m2 vloeroppervlak in beslag. Het toestel reduceert het gemiddelde leidingwaterverbruik per persoon van 133 naar 74 liter. Dat gerecyclede water gaat naar de toiletspoeling, de wasmachine of de tuin. Dat leidt niet alleen tot een afname van leidingwater en lozing op het riool, maar het vermindert ook de CO2-uitstoot omdat in huis zuiniger kan worden verwarmd. De Hydraloop geeft namelijk restwarmte af in de woning. Per huishouden van vier personen scheelt dat uiteindelijk 476 kilo CO2 uitstoot per jaar, heeft Valkieser uit laten rekenen.

Voor de recycling van het water afkomstig van bad, douche en wasmachine maakt de Hydraloop gebruik van een niet eerder toegepaste combinatie van technieken. ‘Reguliere systemen gebruiken filters of membranen om het water te behandelen,’ vertelt Valkieser. ‘Maar die filters en membranen raken verstopt en de systemen hebben daardoor regelmatig onderhoud nodig. Ons systeem is onderscheidend doordat we zeep en andere vervuiling kunnen verwijderen zonder gebruik van een filter of membraan. En we bereiken toch de internationale normen voor een goede waterkwaliteit dankzij de gecombineerde inzet van zes verschillende technieken.’

Verschillende technieken

De eerste stap van recycling wordt gerealiseerd in een tank door de zwaardere verontreinigingen te laten bezinken en de lichtere boven te laten drijven. Het vuil dat naar de bodem zinkt wordt opgevangen, de drijvende verontreinigen verdwijnen over een skimrand. De zware en lichte bestanddelen worden daarna afgevoerd naar het riool. De overgebleven verontreinigingen worden vervolgens verwijderd door toevoeging van lucht in het water. De lucht vormt kleine belletjes die zich aan de opgeloste verontreiniging hechten waardoor de vervuiling begint op te drijven naar het wateroppervlak. Deze drijflaag kan dan ook weer over de skimrand naar de riolering worden geduwd.

De volgende reinigingsfase vindt plaats met schuimfractionering. In het water zitten nog zeep- en shampooresten die in combinatie met de lucht voor een schuimproductie zorgen. De verontreiniging die zich aan de wand van het luchtbelletje heeft gehecht, ‘reist’ met het schuim mee omhoog en verdwijnt ook weer over de skimrand naar het riool. Na deze fase volgt nog een biologische waterbehandeling. Het water is zeer zuurstofrijk en daarmee een ideaal milieu voor bacteriën die de verontreiniging opvreten. In circa vijf uur wordt het troebele afvalwater kraakhelder en voldoet aan de internationale normen voor grijs water. Daarna wordt het water nog door UV-licht gedesinfecteerd en afgevoerd naar de onderste tank, feitelijk de opslagtank. Vanuit deze tank worden de toiletten, tuin en wasmachines voorzien van schoon, gerecycled water. Het systeem reinigt zichzelf. Filters vervangen of reinigen is niet nodig.

Plug &Play

Op de site spreekt Valkieser van een plug&play-systeem waarvoor de gebruiker zo’n 3.000 euro moet betalen. Maar voordat de stekker in het contact kan moet er wel het nodige gebeurd zijn. De watertoevoer vanaf bad/douche en wasmachine naar de Hydraloop moet worden gerealiseerd. Ook moet er een drinkwaterleiding naar het toestel. Vervolgen moeten er toevoerleidingen komen voor het gerecyclede water tussen de Hydraloop en de toiletten, wasmachine en eventueel een opslagtank voor de tuin. Afgezien van de aanlegkosten die er nog bij komen, lijkt het systeem vooralsnog vooral kans te maken in nieuwbouwwoningen. Valkieser: ‘In de nieuwbouw is het inderdaad betrekkelijk eenvoudig om het leidingstelsel meteen mee te nemen. Er is maar een beperkte aanpassing in de woning nodig. Voor de bestaande bouw kan het lastiger worden. Als de wasmachine in de badkamer naast de Hydraloop staat, gaat het nog wel. Maar over het algemeen is een renovatie een goed moment om een Hydraloop te plaatsen.’

Besparing

Het Delftse bureau voor Energieprestatie-advies Epos heeft de energiebesparing in kaart gebracht die met een Hydraloop-toestel kan worden bereikt. Het toestel gebruikt 200 KwH/jaar, maar levert 600 KwH/jaar aan energie besparing terug. Dat is voor een deel te danken aan de warmteafgifte van het toestel. Daarnaast wordt in de woning veel minder leidingwater gebruikt, waardoor ook minder koude wordt geïmporteerd. Een derde besparing is te danken aan het feit dat de wasmachine water kan verwarmen van gemiddeld 20 °C in plaats van het veel koudere leidingwater.

Groots plan voor drijvende zonneparken verontrust natuurorganisaties

Groen

Frank Straver

Artist impression van het geplande zonnepark in de Rotterdamse Rijnhaven. © MAUC

Leg massaal zonnepanelen op Nederlandse wateren, bepleit een landelijk consortium van bedrijven, onderzoekers en de overheid. Dat helpt de klimaatdoelen. Maar natuurbeschermers vrezen schade aan dier en natuur. ‘Benut eerst eens al die lege daken.’

Nederland kan Europees koploper worden met de aanleg van grote drijvende zonneparken. Daartoe presenteert het nationaal consortium Zon op Water morgen een plan. Volgens de initiatiefnemers moeten honderdduizenden zonnepanelen gaan dobberen op plassen, meren, en in spaarbekkens. Dat is nodig voor de klimaatdoelen, zegt het consortium van bedrijven, Rijkswaterstaat, 35 gemeenten en kennisinstellingen zoals TNO.

Een begin is er al. Het grootste drijvende zonnepark dat Nederland nu kent, ligt in de zandwinplas bij Tynaarlo, Drenthe. Een ontwikkelaar plaatste er 23.000 panelen. Daarmee is het nu het grootste zonnepark op water in Europa. Er liggen installatieplannen klaar die optellen tot 500 megawatt in 2021, bijna zo veel als een (kleine) kolencentrale. Dat aantal kan wat het consortium betreft snel verviervoudigen tot 2 gigawatt in 2023.

“Pas op waar je aan begint”, zegt woordvoerder Kees de Pater van de Vogelbescherming. De organisatie maakt zich zorgen over mogelijke schade voor dier en natuur. “Er is nog veel te weinig bekend over de effecten van zonnepanelen die grote stukken water afdekken”, zegt De Pater. Denkbaar is volgens hem dat de waterkwaliteit afneemt, als gevolg van verminderde zoninval. Dat kan vissterfte veroorzaken, waar dan weer lokale vogelpopulaties onder lijden.

Glinsterende panelen

Onduidelijk is of vogels zich te pletter kunnen vliegen op glinsterende panelen omdat ze denken dat het water is. De Vogelbescherming pleit voor landelijk onderzoek. Ook Natuurmonumenten vreest potentiële schadelijke effecten, zegt een woordvoerder. De organisatie is ‘fel tegenstander’ van zonneparken bij natuur, zoals Natura2000-gebieden.

Ontwikkelaars beloven dat ze open wateren niet totaal vullen met panelen. In Andijk, waar met vijftien eilandjes van elk 4900 panelen het grootste dobberende zonnepark van Nederland moet verschijnen, blijft bijvoorbeeld de helft van het wateroppervlak open ‘om de ecologie onder water niet te veel aan te tasten’.

Zulke limieten stellen natuurorganisaties lokaal niet gerust. Ook al zal het geplande zonnepark op het IJsselmeer ‘slechts’ 4 procent van het wateroppervlak bedekken, voorzitter Benno van Tilburg van de IJsselmeervereniging is tegen. Niet alleen ziet hij een zonnepark als verstoring van het landschap, hij vreest ook ecologische schade.

Rustende zwanen en ganzen

Volgens het consortium ‘Zon op water’ zijn vooral zand- en baggerdepots ideaal, omdat ze natuurwaarde ontberen. Maar ook zulke plassen kunnen belangrijk zijn als rust- en broedplaats voor vogels, stelt de Vogelbescherming. De organisatie kreeg daarin onlangs gelijk toen ze bezwaar maakte tegen de aanleg van zonnepanelen op de zandwinplas bij de Weperpolder. Dit verstoorde de rustende zwanen en ganzen. De provincie Friesland berispte ontwikkelaar Groenleven daarvoor.

Met een zorgvuldige aanpak kan installatiewerk natuurvriendelijk uitgevoerd worden, verzekert het consortium. Bovendien zou Nederland niet de luxe hebben om drijvende panelen af te wijzen. Vrije ruimte is schaars. Zonneparken verrijzen op landbouwgrond, maar dit staat ter discussie.

Natuurmonumenten, de Vogelbescherming en de IJsselmeervereniging vinden onafhankelijk van elkaar hetzelfde: leg eerst zo veel mogelijk daken in Nederland vol. Daar is nog ruimte voor 145 miljoen panelen, becijferde Natuur&Milieu in 2017. Daarmee kan Nederland tot 40 procent van de stroom groen opwekken.

Het aantal zonnepanelen op huizen en bedrijven neemt weliswaar toe, maar de hoeveelheid staat in schril contrast met de omvang van de grote zonneparken die investeerders aanleggen op grond en water. Aan drijvende zonnepanelen zit een groot voordeel, aldus het consortium. Ze kunnen meedraaien met de zon, wat de opbrengst tot 30 procent kan vergroten. Uiteindelijk, zeggen de bedrijven en organisaties, kunnen zonneparken zelfs op zee gaan drijven.

Lees ook:
D66 wil drijvende zonnepanelen op het IJsselmeer

Als het aan D66 ligt, drijven er binnenkort zonnepaneeleilanden op het IJsselmeer. Dat moet ervoor zorgen dat Nederland niet meer de zwakste EU-lidstaat is in het opwekken van hernieuwbare energie.

Drijvende zonnepanelen zijn klaar voor een snelle opmars, met Andijk in de hoofdrol

Zonnepanelen veroveren de wereld. Tot nu toe bestond die wereld vooral uit land, maar inmiddels beginnen ze ook aan een opmars op het water. Andijk krijgt binnenkort misschien wel het grootste drijvende zonne-eiland ter wereld dat met de zon meedraait

. . . 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

. . . 

Interview Robert Macfarlane                      

‘De vraag die we onszelf moeten stellen: zijn wij goede voorouders?’

Robert Macfarlane bij een eeuwenoude plataan in de tuin van Emmanuel College in Cambridge. Beeld Hollandse Hoogte / Camera Press Ltd

Eerder verkende hij bergen, wildernissen en oude pelgrimswegen. Nu daalde de Britse schrijver Robert Macfarlane af naar de ‘benedenwereld’. Terwijl zijn land zich verloor in vluchtige Brexitmania zocht hij in grotten, mijnen en catacomben naar de ‘diepe tijd’ en de plek van de mens daarin.

Het is op een ochtend in 2016 in de warmste Arctische zomer ooit dat Robert Macfarlane zich op de Knud Rasmussengletsjer in Groenland in een smeltwaterschacht laat zakken. Binnen 18 meter daalt hij eeuwen af in de tijd. Een moment van stilte, hangend in het oude blauwe ijs, terwijl beneden hem de tunnel nog 100 meter doorloopt tot het granieten gletsjerbed. Dan komt er een bulderende stroom smeltwater op gang en verdrinkt hij bijna.

Dichter bij het Antropoceen, het geologische tijdperk waarin de menselijke soort de natuur domineert, kun je waarschijnlijk niet komen.

Gletsjers leven, zegt Macfarlane (42) in zijn werkkamer in Emmanuel College in Cambridge, waar hij doceert. ‘Het zijn reuzen die bewegen en kraken en geheugens hebben van 100.000 jaar.’ Maar tegen de klimaatverandering zijn ze niet bestand. De Rasmussen trekt zich in snel tempo terug. Waar volgens Google Earth de ijsmassa moet beginnen, strekt zich nu een glinsterend fjord uit. ‘Het lot van de Groenlandse gletsjers en het lot van de mensheid zijn verknoopt. Het ijs is waar onze toekomst zich voltrekt, right now.’

Robert Macfarlane is de bekendste, meest gelauwerde Britse natuurschrijver. In boeken als Mountains of the Mind, The Wild Places en The Old Ways verkende hij de complexe relaties tussen natuur, landschap en gevoelsleven op een manier die tot een soort nieuw literair genre leidde. In Landmarks en het kinderboek The Lost Words deed hij dat met natuur, landschap en taal.

Nu ligt er dan Macfarlanes magnus opus, Underland (vertaald als Benedenwereld). Een boek over de complexe relatie van de mens met de duistere wereld onder zijn voeten, over echte en imaginaire benedenwerelden en over het verleden en de toekomst van de planeet. Zijn reis voert hem van Noorse grotten vol prehistorische inscripties tot de catacomben van Parijs, waar anarchistische hipsters in riolen en kalkgroeven een geheime subcultuur hebben opgebouwd.

Underland bestrijkt een tijdspanne van 4,6 miljard jaar: van het ontstaan van het heelal (in de vorm van een lab voor donkere materie in een onderzeese zoutmijn in Yorkshire) tot de toekomst van het Antropoceen (een onderaardse bergplaats in Finland waar radioactief afval voor duizenden jaren wordt opgeborgen). Het is zowel het boek waar hij het langst aan heeft gewerkt, als het boek met de urgentste boodschap: ‘Look deeper. Verdiep je in de diepe tijd, het lange leven van de planeet, en probeer er lessen uit te trekken.’

Wij weten meer over sterrenstelsels op miljoenen lichtjaren afstand dan over de wereld 10 centimeter onder onze voeten, zegt Macfarlane, terwijl hij zijn bezoeker meetroont naar een eeuwenoude plataan in de tuin van het College, die met zijn zware zijtakken diep in de aarde boort. ‘Het zogenaamde World Wood Web, dat 400 miljoen jaar oude samenspel tussen bomen en schimmels, is pas in de jaren negentig ontdekt. En vorig jaar nog stuitten onderzoekers op een nieuw onderaards bioom van micro-organismen dat de totale massa van de mensheid honderden keren overschrijdt. Ongelooflijk vind ik dat.’

Hoe komt het dat we zo weinig weten van die benedenwereld?

‘We hebben een heel ingewikkelde relatie met de benedenwereld. Ik ken geen cultuur die geen benedenwereld kent, maar het is altijd een wereld die zowel fascineert als afstoot. Het is een plek waar we geliefde spullen verbergen die we willen beschermen, van schilderijen in oorlogstijd tot de lichamen van onze doden. Een plek waar we wegstoppen wat we kwijt willen – kernafval, mensen die we haten, nare herinneringen. En een plek van extractie en openbaring, waarin we afdalen om dingen te verzamelen van waarde – steenkool, goud, visioenen, zoals ooit de makers van prehistorische rotsschilderingen.’

Underland, waaraan Macfarlane uiteindelijk bijna tien jaar werkte, is in zekere zin het spiegelbeeld van zijn eerste boek Mountains of the Mind, over de liefde voor en obsessie met de bergen en bergbeklimmen, zegt hij. Zoals hij zich in dat boek afvroeg waarom mensen de hoogte in gingen, stelt hij nu de vraag waarom ze de diepte in gaan. ‘Met dat verschil dat mensen die naar beneden gingen dat vaak tegen hun wil deden. De benedenwereld is ook een plek van slavenwerk, dwang en opsluiting. Het is een veel duisterder verhaal.’

De wortels van het boek liggen in zijn kindertijd. Macfarlane groeide op in de mijnstreek van Nottinghamshire, een ‘uitgehold landschap’, tussen door Margaret Thatcher ontslagen mijnwerkers die door zijn vader, een arts, werden behandeld voor stoflongen. Nottingham zelf was gebouwd boven op een enorm tunnelnetwerk waar je via een deur in een pub in kon verdwijnen om dan in het kasteel weer op te duiken, en waar hij zijn eerste ervaringen opdeed met caving. Ook de literatuur droeg bij aan de fascinatie: de boeken van Tolkien en Verne, de mythische tochten naar het dodenrijk van Gilgamesj, Orpheus en Aeneas.

En wanneer besloot u dat er een boek moest komen?

‘In 2010, toen je kort na elkaar de ramp met olieplatform Deepwater Horizon en de uitbarsting van de IJslandse vulkaan Eyjafjallajökull had. Daar kwam later nog het ongeluk met de mijnwerkers in Chili bij. De benedenwereld drong zich op als een plek van disruptie, opsluiting, beknelling. Het voelde alsof dit rijk waarvan we zo weinig weten en waarin we ons zo weinig verdiepen ineens in het daglicht trad. Dat gevoel is sindsdien alleen maar sterker geworden.’

De benedenwereld is relevanter dan ooit, zegt u. Waarom?

‘Omdat met de opstijgende benedenwereld ook de diepe tijd aan de oppervlakte lijkt te komen. Dingen die begraven hadden moeten blijven, komen boven: methaan borrelt op uit de ontdooiende permafrost, ziektekiemen komen vrij uit eeuwenoude dierlijke kadavers, afkalvende gletsjers brengen vermiste bergbeklimmers aan het licht en laten de zeespiegel stijgen. Het zijn allemaal tekenen van de versnelling van het Antropoceen, van de milieucrisis en de klimaatcatastrofe die de basale orde van de aarde verstoren.’

Waar heeft u het Antropoceen het meest intens ervaren?

‘Dat was zonder twijfel in het noordpoolgebied, de frontlijn van de klimaatramp. In Groenland waren de temperaturen ongekend hoog, 22 graden, en smolten de gletsjers als nooit tevoren. En op de Lofoten in het noorden van Noorwegen waren de fraaie kusten bezaaid met plastic troep. Het confronteerde me met het gevoel dat we opgesloten zitten in een rampzalige cyclus van extractie, consumptie en verwijdering.’

Dat ‘claustrofobische gevoel’ noemt Macfarlane, in een essay in The Guardian, een van de bepalende ervaringen van het Antropoceen. ‘Een gevoel dat tijd en ruimte opraken, een gevoel dat we in de greep zijn van aardse krachten die we zelf hebben opgeroepen maar die onze krachten te boven gaan, een gevoel dat we, zoals filosoof Timothy Morton het botweg zegt: klem zitten.’

Leidt die geschonden wereld niet ook tot een gevoel van verlies?

‘Jazeker, maar ik ben altijd wantrouwig over unexamined place nostalgia. Die wordt vaak misbruikt om allerlei problematische, chauvinistische gevoelens te mobiliseren. Bij elk uitgedragen verlies moet je je volgens mij altijd afvragen: waarover wordt precies gerouwd en waarom? Ik ben huiverig voor elke gegeneraliseerde klaagzang over verdwijnend landschap en natuur.

‘Het is tegelijk ook gevaarlijk het idee van wilde natuur zo te relativeren dat het geen zeggingskracht meer heeft. Die ecomodernistische houding van: natuur is een mentale constructie, met ingebouwde elitaire trekken, dus laten we gewoon wat nieuwe natuur maken. De Antropoceen-verheerlijkers, ja. Dat is een perfecte dekmantel voor het meest rabiate kapitalisme.’

Meer dan ooit, zegt u, moeten we ons in de benedenwereld verdiepen om gevoel te krijgen voor de diepe tijd. Wat leert het besef dat ook de mens zal uitsterven ons? Biedt diepe tijd een morele les?

Deep time awareness moet niet leiden tot fatalisme en apathie, maar tot een radicaal doordenken van onze plek in de diepe tijd, van onze intergenerationele verantwoordelijkheid. We moeten onszelf leren zien als schakel in een keten van nalatenschappen die zich uitstrekt van miljoenen jaren in het verleden tot miljoenen jaren in de toekomst, en ons bewust worden van wat we nalaten als soort aan de generaties na ons en de soorten die hen zullen volgen.’

Een soort goed evolutionair rentmeesterschap?

‘Ja, de vraag die we onszelf moeten stellen is: zijn wij goede voorouders? Analoog aan het gedachtenexperiment van de term Antropoceen, waarbij we ons afvragen wat toekomstige intelligenties over miljoenen jaren zullen opmaken uit de geologische lagen van plastic, metaal en kippenbotjes die wij nu aanmaken. Nou, zo’n houding van terugkijken vanuit de toekomst hebben we hier in het Verenigd Koninkrijk de afgelopen maanden niet gehad.’

Macfarlane vond die deep time awareness wel op een onverwachte plek, 500 meter diep aan de rotskust van Finland, waar dat land kernafval wil opslaan voor de komende 100.000 jaar. ‘Ik kwam naar Onkalo met het idee dat het de duisterste plek denkbaar was, waar we het ergste opbergen wat we ooit hebben gemaakt. Een nucleaire Götterdämmerung, een plek zonder hoop. Maar het was een van de hoopvolste plekken waar ik ben geweest.’

 Hoe put je hoop uit een nucleair kerkhof?

‘Onkalo bleek een oord van samenwerking, waar mensen oprecht begaan zijn met de toekomst. Ze gaan het kernafval verpakken in sarcofagen van zirkonium, ijzer, koper en graniet, zodat het zelfs een toekomstige ijstijd kan doorstaan. En ze ontwikkelen in een speciale tekentaal een marker system dat over de millennia en de soortgrenzen heen iedereen die na ons komt, menselijk of niet, kan waarschuwen voor wat we daar hebben opgeborgen.’

Een ontroerende vorm van verantwoordelijkheidsgevoel en deep time justice, vindt Macfarlane. ‘Toen ik terugreed, kreeg ik autopech. Ik had me al ingesteld op een ijskoude nacht toen een automobilist stopte om me te helpen. Ik besefte ineens weer hoezeer de mens behalve tot vernietiging in staat is tot samenwerking en altruïsme. Zo kunnen we de crisis te boven komen.’

Bent u daarom zelf ook in actie gekomen?

‘Ik denk het, hoewel ik lang heb gedacht dat schrijven is wat ik het beste kan en waar ik de wereld het meest mee kan veranderen. Maar we hebben de stichting Action for Conservation opgezet, om pubers van 12 tot 17 een band met de natuur bij te brengen. En vorig jaar was ik mede-auteur van A People’s Manifesto for Wildlife, een petitie voor een radicaal ander natuurbeleid die we met tienduizend demonstranten in Whitehall hebben afgeleverd.

‘Dat was natuurlijk een klassieke vorm van actievoeren die tot niks leidt. Iets waar de klimaatactivisten van Extinction Rebellion ook achter zijn gekomen, een beweging die ik geniaal vind in haar slimme, geweldloze verzet. Wel frappant, die opkomst van deep time justice-politiek in een land waar de rest van de bevolking in de greep is van een Brexitmania met een blikveld van 24 uur max. In die zin komt mijn boek op een goed moment boven.’

Robert Macfarlane. Benedenwereld. Reizen in de diepe tijd. Uit het Engels vertaald door Nico Groen en Jan Willem Reitsma. Athenaeum Polak & Van Gennep; 508 pagina’s; € 27,50, Verschijnt 14 mei.

CV Robert Macfarlane

1976 Geboren in Oxford (15 augustus)
1994-2003 Studie en PhD Engelse literatuur, Cambridge en Oxford
2002 Fellow, Cambridge (Emmanuel College)
2007 The Wild Places (De Laatste Wildernis)
2012 The Old Ways. A Journey of Foot (De Oude Wegen)
2019 Underland. A Deep Time Journey (Benedenwereld)

. . . 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>
 

Hennep groeit snel, heeft weinig water en geen pesticiden nodig. Zelfs Trump en Erdogan zijn fan en stimuleren de teelt. Maar nog steeds is katoen koning in de kledingindustrie. Waarom laat die doorbraak zo lang op zich wachten?

De henneprevolutie is ontketend. Nu moet de kledingindustrie er nog aan

Correspondent Kleding

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor De Correspondent ging fotograaf Anoek Steketee langs bij het bedrijf Stexfibers, waar de mogelijkheden van hennepvezels voor een alternatieve textielproductie worden getest.

Het is de onontdekte superfood van de kledingindustrie: hennep.

Het groeit als kool, voor de teelt zijn geen chemische bestrijdingsmiddelen nodig en door de diepe, fijne wortels houdt het gewas de bodem gezond. En dan is hennep ook nog eens beresterk, ga je er niet snel in stinken en houdt het perfect z’n vorm.

Correspondent-leden hoef ik niet te overtuigen. Hennep wordt onder mijn artikelen steevast de hemel in geprezen.

Ook op duurzame modeblogs wordt hennepkleding al jaren geroemd vanwege de superieure eigenschappen en ecologische voordelen. En afgelopen winter kocht ik zelf nog een super warme hennepjas van het merk met de belofte dat het ‘een van de meest milieuvriendelijke stoffen in de wereld is’.

En nee, ik heb het niet over de soort waar je dikke takken of vadsige jonko’s van draait. Vezelhennep, daar waar je kleding van maakt, bevat namelijk de stof waar je high van wordt.

Katoen vervangen voor de vezelgroep waar hennep toe behoort, zou de milieu-impact aanzienlijk kunnen verminderen, is te lezen in

En er is nog meer goed nieuws: de teelt van industriële hennep is wereldwijd bezig aan een opmars.

Het slechte nieuws is alleen: voor Ben Ratelband komt die opleving waarschijnlijk net even te laat.

De droogruimte van Stexfibers, waar hennepvezels worden gedroogd nadat ze uit de testinstallatie komen. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)
De droogruimte van Stexfibers, waar hennepvezels worden gedroogd nadat ze uit de testinstallatie komen. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)

Wat een Turkse delegatie bij een hennepondernemer doet

Wie meer wil weten over hennepkleding, komt al snel uit bij de 62-jarige Ben Ratelband. Met zijn bedrijfje StexFibers is hij al zes jaar bezig met de ontwikkeling van een mooie en duurzame hennepvezel voor de mode-industrie.

Ik ben dan ook niet de eerste die hem belde over zijn expertise. Een paar weken geleden had hij nog een delegatie vanuit Turkije over de vloer. Dat had alles te maken met de speech van president Erdogan waarin hij zijn landgenoten had opgeroepen om op grote schaal hennep te telen. Met nostalgie vertelde de Turkse president over de stad Rize waar hij opgroeide, waar zijn moeder stoffen weefde van hennep, tassen maakte van hennep en waar atleten rondrenden in kledij van hennep (hennep zweet lekker, schijnt).

‘Ik heb niks met het gedachtegoed van Erdogan, maar dit vond ik een mooie zet’

De islamitische krant Dirilis Postani publiceerde niet veel later een aan hennep: ‘Cannabisproductie, een zaak van nationaal belang’. Van energievoorziening tot textielindustrie, iedereen was gebaat bij de teelt van dit groene goud.

Ratelband moet er nog om grinniken. ‘Ik heb niks met het gedachtegoed van Erdogan, maar dit vond ik een mooie zet.’

Wat zijn de mogelijkheden van hennep?

Als ik Ratelband opzoek in zijn kantoor, gevestigd op een industrieterrein ergens aan de rand van Arnhem, knalt een poster met twee enorme hennepplanten met op de achtergrond een gigantisch dollarteken me tegemoet. Het bureau ligt vol zakjes gedroogde cannabis. Niet het lichtgroene, sterk ruikende spul dat ik ken uit de coffeeshop, maar eerder het dorre, bruine zaagsel waarmee ik vroeger de caviakooi bekleedde.

Achter dat bureau zit Ratelband zelf, bien cuit gebruind, haren in een scheiding naar achter gekamd en gehuld in geruite blouse. Van hennep? Nee.

Dat uitgerekend hij de man achter de hennepkleding is, is gerust opmerkelijk te noemen. Hij is meer ondernemer dan modeman. Zo werkte hij jaren als bedrijfseconoom, runde hij tien jaar lang een likeurfabriek op Curaçao, werkte hij voor de Cubaanse sigarenindustrie, was hij eigenaar van een restaurant en hield hij zich bezig met de ontwikkeling van een zonneboiler.

Tot hij in 2013 las over een experiment met henneptextiel.

Twee landbouwkundig ingenieurs van de Wageningen Universiteit waren in 2005 een project gestart genaamd Stextile. Het doel: een nieuwe methode ontwikkelen om hennepvezels, zonder gebruik van water of giftige stoffen, om te zetten naar een substantie die gesponnen kan worden zoals katoen. Want de katoenteelt, zo was in de jaren ervoor wel duidelijk geworden, had vanwege het grote gebruik van pesticiden en het feit dat het gewas veelal in droge gebieden groeit, waar water schaars is, grote

Verschillende partijen in Duitsland en Nederland deden mee aan het project en zowel de Europese Unie als de Nederlandse overheid stopten er geld in. Maar acht jaar later werd Stextile opgedoekt.

De industrie zou de methode door moeten ontwikkelen maar was te huiverig, evenals potentiële afnemers. Het zou te duur worden, luidde de verklaring in

Zonde, dacht Ratelband, toen hij het las. Het idee om van die vezeltjes textiel te maken vond hij prachtig. Hij zag de potentie en dacht dat hij als ondernemer wel iets kon betekenen. ‘Ik had het idee dat ze te vroeg waren, en dat de industrie toen [in 2013] wél openstond voor duurzame alternatieven’, zegt Ratelband.

Het bureau van Ratelband met proefzakjes gedroogde hennep in het kantoor van Stexfibers. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)
Het bureau van Ratelband met proefzakjes gedroogde hennep in het kantoor van Stexfibers. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)

Waarom lopen we niet meer in hennepstof?

Dat zowel Ratelband als Erdogan mogelijkheden zien van het gewas, is niet zo vreemd. Al 4500 jaar geleden kleedden Chinezen zich in hennepkleding, werden de zeilen en touwen van de eerste schepen die de wereld over voeren geweven en gevlochten van hennepvezels en schilderde kunstenaars tot in de 19e eeuw hun werken op cannabis.

Maar waarom wordt het nu zo weinig gebruikt? De reden dat hennep uit onze maatschappij en daarmee uit onze kast verdween had te maken met de import van goedkopere katoenen stoffen uit de koloniën en de uitvinding van de eerste kunstvezels.

De drugswetgeving in West-Europa en de Verenigde Staten, die vlak na de Tweede Wereldoorlog werd ingevoerd, betekende uiteindelijk het einde van de industriële hennepteelt. Hennep stond niet langer bekend als het ijzersterke materiaal waar je uitstekend kleding van kon maken, maar als de harddrug waar mensen verslaafd aan kunnen raken.

Hennep stond niet langer bekend als het ijzersterke materiaal waar je uitstekend kleding van kon maken, maar als gevaarlijke harddrug

Inmiddels is dat weer aan het veranderen, en heffen steeds meer landen het verbod op de teelt Ze zien in: hennep is duurzaam, veelzijdig en lucratief. Zo kunnen de zaden worden gebruikt voor de productie van en schoonheidsproducten, de bastvezel voor isolatiemateriaal en textiel en de houtdelen voor bouwmateriaal.

Ook hier in Nederland, in Oude Pekela in Groningen, wordt sinds 1994 weer grootschalig hennep geteeld door het bedrijf Dun Agro. Vooralsnog wordt de hennepvezel die zij produceren geleverd als grondstof voor verdere verwerking in de papierindustrie, isolatie -en automobielindustrie.

Geen kleding dus. Want goede, kwalitatieve kleding maken van hennep, schijnt nogal een dingetje te zijn.

Hennepproducent Dun Agro levert de vezels aan Stexfibers. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)
Hennepproducent Dun Agro levert de vezels aan Stexfibers. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)

Alles wees op een succesverhaal

Dat hoef je Ratelband niet te vertellen. Een van de ingenieurs waarover hij had gelezen, Romke de Vries, was wel bereid het nog een kans te geven. In 2013 richtte Ratelband met zijn hulp het bedrijf StexFibers op.

Alles wees erop dat het een succesverhaal zou gaan worden.

De techniek om de hennepvezels te bewerken was al bedacht door de twee ingenieurs, en de proefinstallatie al gebouwd. En het idee – om de hennepindustrie nieuw leven in te blazen en er kleding van te maken – kon rekenen op veel media-aandacht.

Van de gemeente Arnhem en Stichting Doen kregen ze subsidie en ze wonnen verschillende

In een interview in 2014 liet Ratelband nog blijken dat niks een verdere uitbouw nog in de weg stond, dat investeerders klaarstonden en blikte hij vooruit dat in de fabriek in Arnhem zo’n twintig mensen zouden komen te werken. ‘Tenzij het idee explodeert, want dat kan óók. Dan wordt het allemaal nog veel groter’, voegde hij er nog aan toe.

De vraag was niet zo zeer of het zou lukken, maar hoe groot het zou worden.

Het verhaal klonk bekend in de oren. groeide hier in Nederland, ook voor de teelt van dit gewas waren nauwelijks bestrijdingsmiddelen nodig, ook deze ondernemer (Bob Crébas) kreeg veel media-aandacht en ook hij had een machine om de vezels te verwerken om er kleding van te maken.

Maar na acht jaar en een investering van een paar miljoen euro, gooide Crébas uiteindelijk de handdoek in de ring.

De testinstallatie van Stexfibers. Ruwe vezels worden met stoom onder hoge druk gezet en opgelost in een natuurlijk plakmiddel. Door druk weg te laten vallen, ontstaat er een explosie en wordt de vezel verfijnd. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)
De testinstallatie van Stexfibers. Ruwe vezels worden met stoom onder hoge druk gezet en opgelost in een natuurlijk plakmiddel. Door druk weg te laten vallen, ontstaat er een explosie en wordt de vezel verfijnd. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)

Alles is katoen

De problemen met hennep waar Ratelband tegenaan loopt, lijken verdacht veel op de problemen van brandneteltextiel.

De hennepvezels, die Ratelband met zijn machine op basis van verwerkt, voldoen vooralsnog niet aan de eisen van de industrie. Zo hebben de vezels nog niet dezelfde zachtheid en fijnheid van katoen en moeten de vezels van een bepaalde lengte en dikte zijn, willen ze bij spinnerijen en weverijen op de machines passen.

Dat maakt het zo moeilijk om met een nieuwe vezel, of dit nu hennep of brandnetel is, op de markt te komen: de hele sector is ingericht op de verwerking van katoen. Bijna alle machines zijn afgesteld op die ene vezel. ‘En zie maar eens iemand te vinden die bereid is alle instellingen van zijn of haar machine aan te passen, als dat überhaupt al mogelijk is, voor een paar balen cannabis’, zegt Ratelband.

‘Zie maar eens iemand te vinden die bereid is alle machine-instellingen aan te passen voor een paar balen cannabis’

De hennepvezel zo verwerken dat die precies lijkt op die van katoen, en zonder aanpassing van de machines verwerkt kan worden, is hem vooralsnog niet gelukt.

En dan is hennep, net als brandnetel, ook nog eens een stuk duurder – uiteenlopend van zo’n twee tot vijf keer zoveel.

Een partij die kan helpen opschalen en de ontwikkeling van de vezel een nieuwe impuls kan geven, het liefst een vanuit de industrie zelf (‘Want die snappen de complexiteit van de keten’). Maar in de zes jaar dat hij hier nu mee bezig is, heeft niemand zich nog gemeld.

Hennepvezels uit de testinstallatie liggen te drogen in de droogruimte. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)
Hennepvezels uit de testinstallatie liggen te drogen in de droogruimte. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)

Exclusieve hennep van Armani en Burberry

Toch houdt Ratelband de moed erin. Ten opzichte van brandnetel heeft hennep een aantal grote voordelen.

Om te beginnen levert de hennepplant vanaf jaar één vezels, terwijl de brandnetel pas na twee tot drie jaar geoogst kan worden.

Ten tweede zijn er al een aantal grote kledingmerken die cannabis in hun collecties gebruiken. Outdoormerk Patagonia gebruikt het gewas al jaren als duurzaam alternatief Evenals Levi’s. En ook high-end modemerken als Armani en Burberry hebben de vezel ontdekt en verwerken het in een aantal van hun producten.

Volgens Luisa Trindade, hoogleraar plantenveredeling aan de Wageningen Universiteit, die al jaren betrokken is bij een project rondom cannabis, zijn de natuurlijke eigenschappen van hennep dan ook heel geschikt voor kleding. ‘Als je kijkt naar stof van hennep, zie je dat het stugger is, maar dat het wel meer water absorbeert wat betekent dat je er minder snel in zweet.’

En als laatste staat Ratelband er niet alleen voor. Verschillende organisaties in Europa zijn net als hij bezig met de ontwikkeling van henneptextiel. een Nederlands bedrijf dat vezelhennep teelt en verwerkt, is er daar een van. ‘Nu leveren we alleen nog kleine hoeveelheden voor proeven en onderzoeken. Maar in de toekomst willen we zeker gaan leveren voor de kledingindustrie. Er is veel vraag naar hennep vanwege de milieuvoordelen’, vertelt Linde Snijders, zakelijk manager bij Hempflax.

Verschillende stadia in het productieproces. Bij bovenstaande testjes wordt katoen toegevoegd aan de hennep om de stof soepel te maken. Deze stof bevat circa 40% hennep. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)
Verschillende stadia in het productieproces. Bij bovenstaande testjes wordt katoen toegevoegd aan de hennep om de stof soepel te maken. Deze stof bevat circa 40% hennep. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)

Waarom is hennep zo duur?

En als het Ratelband niet lukt, dan betekent dit nog niet dat hennepkleding ten dode is opgeschreven. Het betekent waarschijnlijk wel dat onze hennepkleding niet van de boer uit Groningen zal komen, maar van de henneptelers

China is namelijk het hart van de hennepteelt wereldwijd. Anders dan hier in Europa heeft de teelt in dit deel van de wereld en zijn de spinnerijen en weverijen zoals in Nederland en een groot deel van Europa het geval is.

Dit is dan ook de reden dat de hennep uit mijn winterjas uit Noord-China en niet uit Europa komt, zo laat Caroline Bardaux, medewerker van Hoodlamb weten. ‘Nergens vind je dezelfde faciliteiten, kennis en vakmanschap voor het verwerken van dit gewas tot stof’, zegt ze.

Waarom het de Chinezen wel lukt geschikte vezeltjes te verkrijgen en Ratelband niet, heeft naast de ontwikkelingen, met nog iets te maken: de manier waarop ze in China de hennep verwerken. Zo worden de vezels handmatig uit de hennepstelen verwijderd en van elkaar los gekamd, waardoor ze minder snel beschadigen. Ratelband: ‘Die methode is heel kostbaar. Als je hier in Europa wil produceren en kunnen concurreren moet het wel machinaal.’

Maar waarom zou je überhaupt hier in Nederland willen telen en verwerken, als de hennepvezels gewoon voor het oprapen liggen in China?

Volgens Snijders van Hempflax zijn de Chinese hennepgaren wel veel beter, maar is het onduidelijk hoe ze aan die zachte garens komen. ‘Is dit bereikt via een natuurlijk proces of zijn er chemische toevoegingen gedaan?’ En, voegt ze eraan toe, dan is het niet eens duidelijk hoe het zit met de arbeidsomstandigheden.

Volgens haar willen mensen zekerheid en openheid over het doorlopen proces, en kiezen ze er daarom eerder voor om samen te werken met een bedrijf in Europa.

Als zelfs Trump hennep steunt…

Dat biedt kansen voor Ratelband. Maar het is de vraag of hij het uit kan zingen tot de te verwachten doorbraak. Na een investering van een miljoen euro en na zes jaar lief en leed in de groene wondervezel te hebben gestopt, begint zijn geduld langzamerhand op te raken. ‘Mijn voorgangers waren te vroeg, maar misschien ben ik ook wel te vroeg.’

Misschien heeft hij gelijk. Maar ik zal er niet gek van opkijken als we de komende jaren meer en meer hennep in de kledingrekken zullen tegenkomen. Zelfs in India, het grootste katoenproducerende land ter wereld, gaan nu stemmen op om hennep En het Amerikaanse merk Levi’s bracht onlangs het nieuws naar buiten dat het nu hennep met katoen kan mengen zonder dat het iets afdoet aan de zachtheid van Levi’s verwacht dat textiel van 100 procent hennep over vijf jaar zo is doorontwikkeld dat het aan kan voelen als katoen.

En een jaar geleden ondertekende president Trump de Farm Bill 2018, waarmee de teelt van het gewas nu weer gelegaliseerd is Niet geheel toevallig bracht Patagonia onlangs naar buiten waarin hennepboeren aan het woord komen en vertellen over de veelzijdigheid van de plant, met als doel het negatieve imago rondom cannabis weg te nemen.

En Ratelband? Hij heeft zichzelf een ultimatum gegeven: als hij voor het eind van het jaar geen partner weet te vinden, dan stopt hij ermee. ‘Uiteindelijk zal iemand anders het wel weer oppakken. Maar ik zou het graag zelf doen.’

Verschillende testgarens van hennep en katoen. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)
Verschillende testgarens van hennep en katoen. Foto: Anoek Steketee (voor De Correspondent)

 

. . . 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

. . . 

‘Circulair bouwen is uiteindelijk goedkoper’

'Circulair bouwen is uiteindelijk goedkoper'

De transitieagenda Circulaire Bouweconomie stelt een duidelijk doel: uiterlijk in 2050 moet de gebouwde leefomgeving in Nederland circulair zijn. De nadruk ligt hierbij op het hoogwaardige hergebruik van materialen in de bouwsector. Een grote ambitie, maar dat er veel mogelijk is, bewijzen woningbouwcorporatie Woonbedrijf uit Eindhoven, sloopbedrijf A. van Liempd en afvalverwerker Baetsen Recycling BV. Samen zetten zij grote stappen in het rond maken van de circulaire cirkel.

Dit jaar tekenden de drie partijen een samenwerkingsovereenkomst. Doel: zoveel mogelijk waarde toevoegen aan bouwmaterialen die vrijkomen bij sloop, renovatie of onderhoud en zo de circulaire bouwcirkel rondmaken. Barthel van Dinther (sloopbedrijf A. van Liempd), Michiel Weers (Woonbedrijf uit Eindhoven) en Thijs Paré (Baetsen Recycling BV) vertellen.

Hoe het begon

Rond 2008 drong het besef bij Woonbedrijf uit Eindhoven door dat de oude lineaire werkwijze niet langer houdbaar is. Het hele bedrijf werd tegen het licht gehouden en er werd gekeken waar er verduurzaamd kon en moest worden. Zo kwamen ze uiteindelijk op een duurzaamheidsbeleid met vier focuspunten. Een van de thema’s werd ‘gesloten kringlopen’.

Eigenlijk wordt er dubbel onduurzaam gebouwd, ontdekte Woonbedrijf. Aan de voorkant, bij de bouw van een complex, wordt een groot beroep gedaan op allerlei bouwmaterialen die uit uitputtelijke grondstoffen bestaan. Dan staat dat complex er minimaal 50 jaar, en is het klaar voor de sloop. Sloop betekent weer extreem veel afval, alles op een grote hoop en dan wordt het verbrand of in de grond gestopt. Geen houdbare situatie vindt Michiel Weers, hoofd bouwservice en facilitator duurzaamheid. “Daarom hebben we als doel om in 10 jaar volledig circulair te bouwen, onderhouden en slopen.”

In een eerder stadium probeerde Woonbedrijf het zelf. Bij een onderhoudsopgave van een groot complex werden honderden kozijnen vervangen. Maar probeer die oude kozijnen daarna maar weer eens te verkopen. Geen makkelijke opgave, zo ontdekte Woonbedrijf. De kozijnen bleven ongebruikt in een loods liggen. “Circulair slopen is toch een heel andere business dan onze kerntaak: in voldoende en betaalbare woningen voorzien. Maar, dat je het niet alleen kunt, mag nooit een reden zijn om je doelstelling niet te halen”, vindt Weers. En zo zocht Woonbedrijf de samenwerking met A. van Liempd sloopbedrijven – een partij die met dochteronderneming www.gebruiktebouwmaterialen.com al ruime ervaring had met hoogwaardig hergebruik van bouwmaterialen.

“Onze slogan zegt het helemaal”, vindt Barthel van Dinther, commercieel manager. “Hoe die luidt? Wij slopen niet, wij delven nieuwe grondstoffen.” Niet alles kan 1 op 1 worden hergebruikt. Wat overblijft, gaat in een container naar Baetsen Recycling. Hier wordt het bouw- en sloopafval gesorteerd in 16 soorten opnieuw bruikbare grondstoffen. Plastic, metalen, hout – voor alles zoekt Baetsen een hoogwaardige manier van hergebruiken. Thijs Paré, projectmanager circulair: “Wij zoeken voor alles een nieuwe bestemming, het liefst met dezelfde of een hoogwaardiger functie. Dus, beton blijft beton. Dat is circulair.” De doelstelling is nu: 20% hoogwaardig direct hergebruik via A.van Liempd, en 80% indirect via Baetsen Recycling.

“Maar”, zo vertelt Paré, “het is een volledig nieuwe manier van werken. Dus of 80/20 een haalbare verdeling is of dat het 70/30 gaat worden, daar komen we gaandeweg achter. Als je maar begint en jezelf meetbare doelstellingen oplegt.”

Een gouden samenwerking

Gedrieën zoeken ze in eerste instantie naar hoogwaardig hergebruik van materialen binnen projecten van Woonbedrijf. Lukt dat niet, dan wordt gekeken naar extern hergebruik. Een gouden samenwerking, zo blijkt nu. De jarenlange kennis en ervaring in circulair slopen plus de uitgebreide marktkennis bij A. van Liempd, helpt Woonbedrijf bij het zoveel mogelijk hergebruiken van bouwmateriaal. De eerste bevestiging kwam al snel: Van Dinther vond wél partijen voor de kozijnen van Woonbedrijf die nog in de loods lagen en zo toch een tweede leven kregen.

'Circulair bouwen is uiteindelijk goedkoper'

Met trots vertellen ze over een ander project. Hierbij worden 93 houten VELUX-dakramen, gemaakt van reclaimed hout, geplaatst in sociale huurwoningen van Woonbedrijf. Het hout voor deze dakramen is door A. van Liempd ontgonnen uit 100 jaar oude woningen in de Rotterdamse wijk Spangen. En het vinden van een afnemer was door de samenwerking met Woonbedrijf geen probleem. “Super-circulair”, zeggen de drie. “Niet alleen worden grondstoffen hergebruikt, we verlengen de CO2-opslag in het hout ook nog eens met 30 tot 40 jaar.”

Leren van elkaar

De samenwerking kan niet beter. Woonbedrijf bezit zo’n 30.000 woningen, dit biedt enorme kansen om bouwproducten opnieuw in te zetten. Van Dinther: “Door onze samenwerking leert Woonbedrijf welke producten ze wel en niet circulair kunnen inzetten. En wij weten welke nieuwbouw- en renovatieprojecten er gaan spelen. Zo kunnen we in een heel vroeg stadium al vraag en aanbod matchen.”

Ook Paré benadrukt de voordelen van de samenwerking: “Toch gek dat de bouwer geen idee heeft waar de sloper of verwerker mee bezig is. Terwijl dat juist essentieel is als we circulair willen zijn. We willen écht naar nul verbranding van sloopafval. Aan elkaar gelijmde producten, daar kunnen wij niks meer mee. Wij zitten aan het einde van de bouwcirkel en zien dit onbruikbare afval binnenkomen.

Deze kennis moet gedeeld worden, zodat ontwerpers en bouwers daar bij het ontwerp al rekening mee houden. Geen klassieke opdrachtgever-klantrelatie, maar écht samenwerken aan innovatie in de circulaire bouweconomie.”

'Circulair bouwen is uiteindelijk goedkoper'

Circulair is business

Hoewel de samenwerking vooral uit idealisme begon, blijkt het voor alle partijen ook gewoon goede business te zijn. “Eigenlijk heel logisch. In een lineair bouwproces koop je bouwmateriaal, betaal je voor de sloop en koop je weer nieuw bouwmateriaal. Wat wij doen, is waarde toevoegen aan afgeschreven materiaal, dus circulair bouwen is uiteindelijk goedkoper”, vertelt Van Dinther.

En dat is goed nieuws voor alle woningbouwcorporaties. Als de circulaire markt groeit, betekent dit dat bestaande vastgoedcomplexen op een heel andere manier geld waard worden. “Eigenlijk heel goed nieuws voor krimpregio’s”, zegt Van Dinther bij wijze van grap.

Nieuwe manier van denken

Er zit een serieuze ondertoon in die grap, legt Van Dinther verder uit. “Circulair bouwen betekent namelijk radicaal anders denken dan in een lineair (en vervuilend) bouwproces. En de grote uitdaging is om iedereen in de bouwcirkel mee te krijgen in dit proces. En dat zal even wennen zijn. Zo is bijvoorbeeld ook de architect een belangrijk onderdeel van de bouwcirkel. ‘Wij geven aan welke materialen en producten de basis vormen van het nieuwe ontwerp. Aan de architect om zijn creativiteit te gebruiken en die materialen toe te passen in het nieuwe ontwerp.”

Dat circulair denken nog niet overal is doorgedrongen, merkt ook Michiel Weers van Woonbedrijf. “De eerste reactie is nog vaak: ‘Daar zit een bewoner toch helemaal niet op te wachten, onze huurders willen geen gebruikte materialen.” Eigenlijk toch een gekke aanname? “We vervangen ook niet elke wc als er iemand verhuist.” Het roept de vraag op: betaalt de huurder voor een nieuwe wc? Of voor ‘het recht op een wc’?’ En dat geldt natuurlijk voor alle hergebruikte materialen.

Het begint bij bewustzijn

We moeten ons geen illusies maken, vinden Paré, Van Dinther en Weers, 100% circulair bouwen is écht nog heel ver weg. Maar, het begint allemaal met de wil om te verduurzamen én inzicht in je processen en materialen. Begin als woningbouwcorporatie met haalbare doelstellingen, zegt Weers. “Neem bijvoorbeeld 20% circulair als doelstelling. Maar bedenk dan ook wat je in een later stadium met die andere 80% kunt doen. Daarbij helpen dit soort samenwerkingen enorm.”

Tekst: Guus Frenay, Beeld: Jasper Scheffers, jasperscheffers.nl

 

. . . 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

. . . 

 

 

Nieuws    

Transitie naar kringlooplandbouw; hoe gaan we dat doen?

Transitie naar kringlooplandbouw; hoe gaan we dat doen?

Gepubliceerd op  18 april 2019

In september lanceerde minister Carola Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de visie “Landbouw, natuur en voedsel: waardevol en verbonden”. Om uitdagingen als bodemuitputting, verlies aan biodiversiteit en het klimaatakkoord het hoofd te bieden kiest de minister voor een transitie naar kringlooplandbouw in 2030.

Verandering is hard nodig, maar het is nog onbekend hoe die er uiteindelijk uit zal zien. Het concept ‘kringlooplandbouw’ is volop in ontwikkeling. Ook al is er enthousiasme over het concept, de implementatie zal onvermijdelijk leiden tot nieuwe inzichten en nieuwe spanningen met bestaande overtuigingen, regels, financiële modellen, technologieën en samenwerkingen.

Op verzoek van de Tweede Kamercommissie van LNV stelde Katrien Termeer, hoogleraar bestuurskunde van Wageningen University & Research een expertpaper op. Op basis van theorieën over transities en inzichten in het landbouwbeleidssysteem schetst ze hoe de overheid de omslag naar kringlooplandbouw kan bewerkstelligen. De paper belicht onder meer de specifieke kenmerken van deze transitie en gaat in op vragen als: zijn transities te sturen en wat is de rol en betekenis van de overheid in dit proces? Welke samenhangende interventies kunnen de transitie naar kringlooplandbouw bevorderen? En wat is een geschikte vorm van bestuur voor deze transitie?

Op 17 april 2019 presenteerde Termeer deze expertpaper voor de vaste kamercommissie in aanwezigheid van prof. dr. ir. Jan Rotmans (Erasmus Universiteit) en prof dr. John Grin (Universiteit van Amsterdam).

. . . 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

. . . 

Van het gas af met een elektrische ketel:

‘Stekker erin en klaar’

Nederland moet straks verder zonder gas. Maar wat doe je in een flatgebouw waar je met een warmtepomp geen kant op kunt? Mar Aalders denkt de oplossing te hebben. ‘Stekker erin en klaar.’

Gerard Reijn

Mar Aalders bij de elektrische ketel in zijn appartement in Middelburg. ©INFO@RAYMONDRUTTING.COM

In Middelburg gaat een flatgebouw met 51 woningen grotendeels van het gas af. Maar er hoeft niet te worden gebroken en verbouwd, er komt geen vloerverwarming, geen warmtepompen aan de gevel, het gebouw wordt niet tot in het extreme geïsoleerd. Van een grote ingreep is geen sprake. Integendeel, zegt Mar Aalders, de eerste die de nieuwe verwarming liet installeren. ‘De installateur haalt de oude gasketel weg, hangt er een elektrische voor in de plaats, stekker erin en klaar.’

Vanaf zijn balkon op de vierde verdieping kijkt hij uit over de plezierjachten in de Fittinghaven, en boven de daken verderop ziet hij de Lange Jan staan. Dertig jaar staat de flat nu op deze prachtige plek. Vrijwel iedereen hier warmt zich nu bij de tweede verwarmingsketel, en ook die is nodig aan vervanging toe.

Drie jaar geleden begaf de pomp van Aalders’ oude ketel het, en toen moest hij snel handelen. Hij wilde al van het gas af, want dat voelde deze tachtiger zich aan zijn kleinkinderen verplicht. Een warmtepomp? Geen denken aan. ‘Je moet er toch niet aan denken dat aan al die 51 woningen straks zo’n ding hangt dat 42 decibel produceert. Niemand slaapt meer!’ Bovendien: de Fittinghaven is beschermd stadsgezicht, en daar mogen aan de gevel geen ventilatoren hangen. Alternatieven vielen af, zoals infraroodverwarming op de vloer omdat daarvoor te veel gebroken moest worden, en stadsverwarming omdat er in geen velden of wegen een warmtebron beschikbaar is.

Maar hoe kwam hij op het idee van de elektrische ketel? ‘Mijn zoon vaart op de binnenvaart. Ik ga af en toen met hem mee. Op zo’n schip heb je geen gas, dus draait de verwarming er op stroom.’

Lekker warm

Na drie jaar kan Aalders er nog geen nadeel aan ontdekken. Zijn vrouw Lenie ook niet. ‘Het is hier lekker warm’, zegt ze tevreden. ‘En ik heb nu meer warm water dan met de oude cv-ketel. En sneller.’

Hij is niet goedkoper in gebruik dan gas, dat wil Aalders niet beweren, ‘nog niet’. ‘Ik betaalde vroeger 100 euro per maand aan energie, en nu ook.’ Hij spaart een paar honderd euro uit omdat onderhoud niet nodig is, en omdat hij geen vastrecht voor gas hoeft te betalen. En hij had het geluk dat zijn oude koelkast en wasdroger het begaven: nu heeft hij superzuinige aangeschaft. Op termijn, denkt hij, wordt zijn elektrische verwarming zelfs goedkoper dan de oude gasketel, ‘want gas zal de komende jaren steeds duurder worden’.

Een belangrijke overweging om voor elektrisch te kiezen, was dat er geen verbouwingen nodig zijn. De grootste ingreep was een aanpassing aan de stoppenkast. Zo moest er krachtstroom worden aangelegd.

Rookgaskanalen

Het is nog niet zeker dat alle bewoners overstappen op Aalders’ oplossing, maar een goede reden hebben ze wel. De rookgaskanalen in al hun woningen zijn nog net goed genoeg voor de ouderwetse verbeterd-rendementsketel, maar niet voor een moderne hoogrendementsketel. Wie zo’n ketel wil plaatsen, moet het rookkanaal laten uitbreken en een nieuwe laten maken. Dat kost 2.000 euro per woning. Normaal gesproken zou de vereniging van eigenaren (VVE) zoiets betalen, maar die heeft besloten dat niet te doen. En dus, denkt secretaris Paul Aarssen van de VVE, zullen de meeste bewoners uitkomen op elektrisch.

Rob Hamers van VVE Advies, een adviesbureau met 2.500 verenigingen van eigenaren als klant, is enthousiast over de oplossing van Aalders en zijn buren. Juist vanwege dat probleem met het rookgaskanaal. ‘Ik denk dat dit voor veel bewoners van oudere flats een uitkomst zal zijn. Ik krijg nu al elke week aanvragen binnen van vve’s die informatie willen over de elektrische ketel.’ Maar, zegt hij, er is natuurlijk geen enkele reden waarom dit alleen een oplossing zou zijn voor vve’s.

Financieel zijn er plussen en minnen. Elektrische ketels zijn goedkoper te installeren, zegt Hamers. ‘Maar in het gebruik zal een moderne gasketel weer 10 procent goedkoper zijn dan een elektrische.’

Nog wel. Want gas wordt duurder, en zal de komende jaren steeds duurder worden. Elektriciteit, zo heeft de regering beloofd, wordt goedkoper. En dus wordt de elektrische ketel langzamerhand relatief steeds goedkoper. ‘Daar komt bij dat je geen onderhoud hebt, en dat de verzekering vaak wat goedkoper kan worden.’

André la Grand, importeur van elektrische verwarmingsapparaten, ziet de markt voor elektrische ketels snel groeien. Tot twee jaar terug verkocht hij er voor woningen enkele tientallen per jaar, bijvoorbeeld aan boeren die geen gasaansluiting hebben. ‘Ze installeerden het apparaat meestal zelf’, zegt hij. Inmiddels verkoopt hij er enkele honderden per jaar. De afgelopen maanden kreeg hij informatievragen van zeker duizend bewoners van flatgebouwen, ‘vooral sinds besloten is dat Nederland van het gas af moet’. Maar niet alleen in flatgebouwen en afgelegen woningen zijn zijn elektrische apparaten plotseling interessant. ‘Er zijn ook veel mensen in een eensgezinswoning die veel zonnepanelen hebben. Die hebben stroom over. Voor hen is dit ook een goede oplossing.’

Jan Roelof Hoving van de Vereniging Eigen Huis kent de elektrische verwarming wel. ‘In andere landen worden ze vaak gebruikt, maar Nederland is verwend met veel en goedkoop gas. Dus hier is die elektrische verwarming relatief duur.’ Een kuub gas kost 80 cent. Dezelfde hoeveelheid warmte uit een elektrische ketel kost 1,98 euro, zo rekent hij voor. Die andere vorm van elektrische verwarming, de warmtepomp, is 4- tot 5 maal efficiënter en is daarom wel concurrerend met gas. ‘Maar dan moet je woning wel heel goed geïsoleerd zijn, op het niveau van de huidige nieuwbouw.’ En isoleren, dat is vaak een dure ingreep. Bovendien is de warmtepomp door het geluid dat hij maakt niet overal een goede oplossing.

Netbeheerders

Voor de netbeheerders heeft de elektrische ketel wel een nadeel. Het kan de zoveelste aanslag worden op hun broze netwerk. Stroomnetwerken blijken al niet opgewassen tegen het wispelturige stroomaanbod van wind- en zonneparken, die bij mooi zeilweer maximaal stroom produceren om vervolgens in windstille nachten helemaal niets te leveren. En nu dreigen ook nog flatgebouwen veel meer stroom te gaan vragen. En wie weet niet alleen flatgebouwen.

De standaardaansluiting voor elektra in een woning is goed voor drie maal 25 ampère, maar in een gewoon huishouden wordt vrijwel nooit zoveel stroom gevraagd. Ook niet als de wasmachine en de waterketel en het broodrooster tegelijk aan staan. Maar als de verwarming op stroom gaat, dan moet die 25 ampère vaak echt geleverd worden.

De Zeeuwse netbeheerder Enduris laat weten dat een paar woningen in een flat in Middelburg geen probleem zijn. ‘Maar als de hele flat overstapt op elektrische verwarming, dan moeten we de aanvoerlijn verzwaren. En als dit een populaire manier van verwarmen wordt, zullen we stukken van ons netwerk moeten verzwaren.’ Wat dat zou kosten? ‘Dat weten we niet’, zegt de woordvoerder.

. . . 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

. . . 

 


. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

Ware Winst :

Gemene Goed Economie als Wegwijzer

Ware Winst : Gemene Goed Economie als WegwijzerChristian Felber schreef in 2010 het boek ‘Die Gemeinwohl-Ökonomie”. In 2017 werd het door Uitgeverij Jan van Arkel vertaald als ‘Ware Winst : Gemene Goed Economie als Wegwijzer’. Het voorstel van de Oostenrijkse politicoloog Christian Felber, die les geeft aan een economisch instituut in Wenen, is om met bedrijven en instellingen (zoals gemeenten) bewust meer waarden te creëren dan geld, met name op ecologisch en sociaal gebied.

Common Good Balance

Voor het creëren van waarden anders dan geld heeft Christian Felber de Common Good Balance als hulpmiddel/instrument ontwikkeld. Hiermee kunnen bedrijven kijken hoe zij omgaan met de aspecten menselijke waardigheid, solidariteit en sociale rechtvaardigheid, ecologie en transparantie in relatie met hun leveranciers, financiers, werknemers, klanten en ook hun maatschappelijke omgeving. Daarbij zijn bijvoorbeeld punten te verdienen bij vergaande samenwerking met klanten en leveranciers, maar natuurlijk ook voor het beperken van vervuilende uitstoot en afval.

Uiteindelijk leidt de balans tot een score die aangeeft hoe goed een bedrijf maatschappelijk verantwoord bezig is. Voor het bedrijf is het een middel om te kijken op welke aspecten zij zich vervolgens verder willen ontwikkelen, en voor stakeholders is het bijvoorbeeld een leidraad bij een leveranciers-selectie. Gemeenten zouden bijvoorbeeld op basis hiervan bedrijven met een bepaalde score op de Common Good Balance extra punten of zelfs voorrang kunnen geven in een aanbestedingsprocedure. Omdat deze bedrijven positief bijdragen aan maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn zij pareltjes van bedrijvigheid in de gemeente waar zij zitten.

Economy for the Common Good

In Brabant is in 2018 een werkgroep ‘Ware Winst Brabant’ gestart. Voor meer informatie over de werkgroep kun je contact opnemen met de secretaris van ‘Ware Winst Brabant’ Frans Maas, info@warewinstbrabant.nl.

Of neem eens een kijkje op de website van de Nederlandse organisatie van de ECG, https://www.ecogood.org/nl/community/.  Op deze pagina een korte uitleg en een zeer informatief filmpje. Wellicht kun je in jouw omgeving ook medestanders, en vervolgens ook enkele pioniersbedrijven vinden die hiermee aan de slag willen.

Donut Economie

Wellicht is het interessant om ‘Ware Winst’ te lezen nadat je het boek ‘Donut Economie’ van de Oxfordse econoom Kate Raworth hebt gelezen. Zij presenteert een grondige analyse van de huidige economie en geeft vorm aan een nieuwe economie in de vorm van een Donut. De buitenkant van de donut toont de overbelasting van de Aarde, en de binnenkant de noodzaak van eerlijk delen en samenwerking, waar we beide aan moeten werken om het leven op onze planeet weer veilig en aantrekkelijk te maken, ook voor toekomstige generaties.  Ze is intussen internationaal bekend en werd door de Engelse kwaliteitskrant The Guardian al ‘De Keynes van de 21e eeuw’ genoemd, verwijzend naar een beroemd econoom die onze economie nog beschouwde als ons hele huishouden, en niet alleen als een geld-economie.

‘Ware Winst’ is een praktische aanpak van wat Kate Raworth beschrijft in haar boek. ‘Donut Economie’ is in Nederland gepubliceerd door uitgeverij Nieuw Amsterdam.

 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 

Het initiatief van de Afrikaanse Grote Groene Muur werd in 2007 in gang gezet door de toenmalige presidenten van Nigeria en Senegal. De idee was om een bomengordel aan te planten van zo’n vijftien kilometer breed en 8000 kilometer lang, van Senegal tot in Djibouti. Chris Reij is specialist ter plaatse van het World Resources Institute. Hij vertelt hoe Afrikaanse boeren en overheden leren uit de praktijk.

De Afrikaanse Grote Groene Muur (AGGM). De naam klinkt haast mythisch, maar kent dat project inmiddels enig succes?
“Ik heb vanaf het begin vrij veel kritiek gehad op dat idee. In de eerste plaats omdat het planten van bomen in de Sahel technisch zo goed als onmogelijk is. We spreken over een gebied met 400 millimeter neerslag, of zelfs minder. Hoe droger, hoe moeilijker het uiteraard is om bomen te planten. Daarbij komen nog de regiospecifieke problemen van politieke instabiliteit en terreur.

Tot nu toe is er enkel in Senegal redelijk consequent geprobeerd om zo’n bomengordel aan te leggen. Er zijn daar inderdaad enige resultaten geboekt. Weliswaar tegen een hoge kost: er moeten hekken worden geplaatst rond de bomen om ze te beschermen. En netto verdwijnen er in Senegal nog steeds bomen: in het noorden komen er bomen bij in het kader van de AGGM, in het zuiden worden ze massaal gekapt.

De AGGM is wel interessant als uiting van politieke daadkracht. Afrikaanse regeringen beginnen in te zetten op het probleem van landdegradatie. In die zin is het hele project uiteraard te prijzen.

Zonder bomen is er geen duurzame landbouw mogelijk

Maar twaalf jaar na de start vallen de resultaten al bij al dus nogal mager uit?
“Ja. Als je echt de degradatie van grond in de droge delen van Afrika wil tegengaan, moet je in de eerste plaats zorgen voor meer bomen in de landbouwsystemen. Zonder bomen is er geen duurzame landbouw mogelijk. Die bomen helpen de boeren zich aan te passen aan de klimaatverandering. Op een kaal veld moet je dikwijls drie tot vier keer planten eer er iets wortel schiet – de zanderige wind raast namelijk als een scheermes over de gewassen. Bomen breken die wind, waardoor je maar één keer moet planten.

En hoe meer schaduw, hoe minder verdamping. Dat betekent: meer vocht in de grond, dus meer water beschikbaar voor de gewassen. En als het blad van de boom valt, komt er meer organisch materiaal in de grond. Een Nederlandse bioloog heeft het volgende uitgerekend: per procent organisch stofgedeelte in de grond, wordt er op een hectare honderdduizend liter water extra vastgehouden. Hij noemt het de goedkoopste vorm van irrigatie.

De vraag is dus: hoe krijg je die bomen daar? De geesten beginnen te rijpen dat ze er niet zullen komen door ze louter aan te planten. Het hele project van de AGGM is daarom bijgesteld. In plaats van één grote gordel wordt er nu veel meer gewerkt aan een mozaïek van verschillende projecten. Het gaat nu meer over de integratie van aanplantingen met projecten voor natuurlijke regeneratie, waterreservoirs die geïnstalleerd worden voor vee, kleinschalige irrigatie, et cetera.

In gebieden met een lagere bevolkingsdruk verdwijnt de vegetatie nog steeds

Er ligt binnen het AGGM-project nog steeds een accent op de aanplant van bomen, maar langzamerhand begint men ook te kijken of het mogelijk is om de natuurlijke vegetatie te regenereren. Niger speelt daarbij een voortrekkersrol. Dat moet ook wel – wat er in Zuid-Niger is gebeurd, is dermate spectaculair dat je er steil van achterover valt. In de afgelopen dertig jaar zijn er daar vijf miljoen hectare vergroend. Waar er vroeger twee of drie bomen per hectare stonden in dat gebied, staan er nu tot honderd bomen per hectare.”

Wat is er dan in Niger gebeurd?
“Je moet weten dat er in dat gebied in Zuid-Niger in de jaren tachtig een noodtoestand heerste. Lokale boeren en boerinnen stonden met de rug tegen de muur. Er was amper te eten, en de vrouwen moesten tweeënhalf uur per dag wandelen om brandhout te verzamelen, simpelweg omdat er amper nog natuurlijk bos was. Het werd daarom steeds prangender om dat brandhout op de eigen velden te gaan produceren. Een van de middelen om dat te doen was natuurlijke regeneratie: bestaande bomen en struiken beschermen en beheren.

Je ziet die natuurlijke regeneratie dus vooral optreden in gebieden met een hoge bevolkingsdruk. Meer mensen, meer bomen. In gebieden met een lagere bevolkingsdruk zie je dat de vegetatie nog steeds verdwijnt. Eigenlijk is dat het tegenovergestelde van wat de meeste mensen intuïtief denken: meer mensen doen meer bomen verdwijnen. Maar net het omgekeerde is het geval.

In Niger lagen al die factoren goed, waardoor het een succesverhaal is. Er was een hoge bevolkingsdichtheid die druk zette op de landbouwgronden, én er was geen natuurlijk bos meer over. De overheid hielp een handje mee. Vijf miljoen hectaren zijn er vergroend.”

Hoe heeft die techniek van natuurlijke regeneratie in Niger ingang gevonden?
“Er zijn twee processen die dat gekatalyseerd hebben. Door de praktijk van arbeidsmigratie trekken jonge Nigerese mannen in het droge seizoen naar Nigeria om te werken. Aan het eind van het droge seizoen komen ze weer terug om hun akkertjes te beginnen bewerken. Nu waren er een paar boeren die te laat terug waren – het regenseizoen was al begonnen en ze hadden geen tijd meer om hun velden volledig schoon te maken. Schoon in de zin van: jonge struiken en boompjes verwijderen.

Dat was nog een idee dat stamde uit de Franse koloniale tijd. De Fransen introduceerden het idee dat een moderne boer geen struiken of bomen op z’n veld heeft staan. Die zijn namelijk hinderlijk voor monocultuur en mechanisatie van de landbouw. De boeren gingen dus planten zonder hun veld op te ruimen.

Aan het einde van het regenseizoen hadden de boeren die hun velden niet hadden schoongemaakt een hogere opbrengst

Aan het einde van het regenseizoen merkten de boeren die hun velden niet hadden schoongemaakt, dat zij een hogere opbrengst hadden dan de andere boeren. Hetzelfde gebeurde een jaar later. Dat deed een lichtje branden. Vanaf dat moment is het proces van bescherming en beheer van natuurlijke groei van bomen en struiken begonnen. Als je nu in dat gebied rondreist, val je steil achterover. Het is een gigantische groene zone geworden.

Daarnaast moet ik ook het werk vermelden van de agronoom Tony Rinaudo. Die startte in de regio rond Maradi een project, rond 1984. Het was een regio die destijds werd geteisterd, door droogte en hongersnood. Rinaudo zag het belang in van natuurlijke regeneratie, en begon voedsel te doneren aan boeren die de techniek gingen toepassen. Veel boeren tekenden erop in.

60085_116505_ZdyJ8b
Beboste vallei in de regio Zinder, 28 januari 2019 Beeld door: Chris Reij

1986 was een jaar met een normale oogst, en Rinaudo zette de voedselhulp stop. Onmiddellijk had 50 tot 70 procent van de boeren de bomen op hun terrein weer gekapt. Slechts 30 procent liet de bomen en struiken staan. De boeren die gekapt hadden, trokken al snel de haren uit hun hoofd toen ze de impact zagen van de bomen op de velden van de boeren die ermee waren doorgegaan. Hun oogst was veel groter. Zo is die techniek van natuurlijke regeneratie zich als een olievlek over dat gebied beginnen uitspreiden.

Je zou kunnen zeggen dat wat er in Niger plaatsvond, een boerenversie is van de AGGM. Er zijn enorm veel bomen bijgekomen in een heel groot gebied. Vijf miljoen hectare – een gebied bewoond door miljoenen kleine boeren. De impact is enorm.”

Natuurlijke regeneratie lijkt in tegenstelling tot het aanplanten van bomen alleen maar voordelen te hebben.
“Inderdaad. Kijk naar het project van de AGGM — x miljoen hectare aanplanten, waar x miljard voor nodig is, binnen x jaar te realiseren. Dat vereist een gigantische inspanning. De toepassing van de natuurlijke regeneratie in Niger is daarentegen geen geldverslindend project, maar een eenvoudig idee. De boeren zijn dermate expert geworden in hun materie, dat ze helemaal geen buitenstaanders nodig hebben. Er zijn boeren en boerinnen die zich georganiseerd hebben als trainers om andere boeren op te leiden in de technieken van natuurlijke regeneratie.

Natuurlijke regeneratie is goedkoop, snel en efficiënt. Ik heb heel erg nagedacht over de negatieve impact, maar ik heb er amper gevonden. Waar boeren landbouwmachines zouden gebruiken, wordt het natuurlijk ingewikkelder. Maar daar is in vele delen van Afrika – en zeker in de Sahel – geen sprake van.”

Waarom schiet het idee dan geen wortel in andere Sahel-landen?
“Dat gebeurt wel, ten dele. In Mali heeft hetzelfde proces plaatsgevonden, op een half miljoen hectare. En ook in Malawi, op een miljoen hectare. Om het idee verder uit te rollen, hebben we het volgende bedacht. We laten boeren die ervaring hebben met natuurlijke regeneratie een radioprogramma opstarten. Daarin krijgen niet de academici en de experts het woord, maar de boeren zelf. Zo delen ze hun ervaringen met boeren die onder dezelfde omstandigheden produceren. Ik ben ervan overtuigd dat dat een belangrijke motor kan zijn achter de vergroening: boeren die luisteren naar boeren.”

Bestaan er al zulke programma’s?
“Nee, maar heel af en toe is er wel een uitzending. Zo hebben we op 1 mei 2018 boeren uit de regio Maradi (Niger) gehad, die hun verhaal vertelden op een regionale radio. Het liep fantastisch. De boer die daar zijn ervaring deelde, heeft nadien een cassette met zijn getuigenis opgevraagd. Nadien is hij met naar andere radiostations gegaan, zodat ook zij de boodschap zouden verspreiden.

Om maar te zeggen dat de boeren zelf zeer gemotiveerd zijn om te vergroenen. Er zit geen groot project achter. Het is iets dat de boeren zelf kunnen doen. Het enige wat ze nodig hebben, is wat nieuwe kennis over het snoeien van de struiken en bomen. Maar boeren zijn boeren om een reden, natuurlijk. Dat is trouwens iets waar een hoop ngo’s en ministeries niet altijd op zitten wachten, om de eenvoudige reden dat die belang hebben bij grote en dure projecten.”

“Zo scherp zou ik het niet stellen. Veel ngo’s zijn wel gewonnen voor het idee. Toevallig is het zo dat in april de belangrijkste personen die verantwoordelijk zijn voor de AGGM in Senegal een bezoek zullen brengen aan de boeren die leven in het grootschalige vergroende gebied in Niger. Ze willen met eigen ogen zien welke lessen er voor Senegal uit te trekken zijn. Dat is een positieve ontwikkeling.”

Eind vorig jaar verscheen er in NRC een stuk waarin stond dat de klimaatverandering ook positieve aspecten heeft, met de Sahel als voorbeeld: er zou meer regen vallen dan twintig jaar geleden.
“Dat klopt maar ten dele. Er zijn inderdaad jaren dat er meer neerslag valt dan twintig jaar geleden. Dat is waar. Maar de karakteristieken van die neerslag zijn sterk veranderd. Dat zag die NRC-journalist over het hoofd. De regen is veel onregelmatiger geworden – niemand kan het begin van het regenseizoen nog voorspellen.

Kunnen we concluderen dat gebieden in de Sahel netto nog steeds ‘verwoestijnen’?
“Ik vind het lastig om daar een uitspraak over te doen. Er zijn zeker gebieden waar het slechter gaat, en gebieden waar het beter gaat. Bij verwoestijning is namelijk niet alleen de regen een factor. Neerslag is niet onbelangrijk, maar het menselijk beheer van de natuurlijke hulpbronnen is een doorslaggevender factor dan de hoeveelheid neerslag.

Mocht neerslag een bepalende factor zijn, dan zou het in het noorden van Nigeria groener moeten zijn dan in het zuiden van Niger. Dat is niet het geval, omdat er in Zuid-Niger veel meer aan natuurlijke regeneratie wordt gedaan.”

In welke mate steunen westerse overheden de techniek van natuurlijke regeneratie?
“Duitsland investeert in het herstel van gedegradeerde gronden in de Sahel, en ook Nederland heeft ideeën in die richting. De vergroening van landbouwsystemen komt steeds hoger op de agenda te staan. In die zin ben ik optimistisch over de komende jaren, mits we sneller evolueren.”

U bent een van de weinige Sahel-optimisten.
“Ik ben in ieder geval optimistischer dan toen ik in 1978 in de Sahel ging werken. Er was een enorme droogte, en niemand had een idee wat we konden doen tegen de degradatie van landbouwgronden. Er werden zaken geprobeerd die mislukten. Louter de aanplant van bomen is een fiasco geweest. Nu weten we precies wat we moeten doen, én hoe we het moeten doen. De resultaten staan er: de lokale boeren hebben grond zo hard als een bureaublad opnieuw vruchtbaar gemaakt. Dat is pure winst.

Als je het hebt over landdegradatie en verwoestijning, is de standaardreactie: ‘laten we bomen planten’. Eigenlijk tot zeer recent nog. De reden daarvoor is mij een raadsel. Als alle bomen die sinds de jaren tachtig in de Sahel het overleefd hadden, was het daar nu een soort Amazonewoud.”

Waarom is er dan nog steeds zo’n focus op de aanplant van bomen?
“Ik weet het echt niet. Voor iemand met een achtergrond in bosbouw is het aanplanten van bomen natuurlijk een standaardproces. Je selecteert de soorten en je plant ze aan. Als je tegen zulke mensen begint over natuurlijke regeneratie valt dat niet altijd goed. In Niger daarentegen, staat de hele bosbouwdienst volledig achter het idee van natuurlijke regeneratie. De Nigerese president wil op maandelijkse basis worden geïnformeerd over de vooruitgang van de vergroening. Dat is politieke ondersteuning op hoog niveau. Daar kunnen andere landen wereldwijd een voorbeeld aan nemen.”

Zou het succes van natuurlijke regeneratie een manier kunnen zijn om ook maatschappelijke problemen, zoals de opmars van het extremisme en de migratie-exodus te voorkomen?
“Het kan in ieder geval één van de bouwstenen zijn, omdat het bijdraagt aan de verbetering van het bestaan. Maar er moet meer gebeuren natuurlijk. Met vergroening alleen ben je er nog niet. Het is een stap in de goeie richting, maar slechts één stap van de vele die nodig zijn.”

Dit artikel verscheen eerder op mo.be.

Voor het maken van verhalen hebben we jouw steun nodig.

Ja, ik word vriend (€6 per maand)

xqpgxpK2_400x400   Arne Gillis volgt voor het Belgische MO* voornamelijk de regio Afrika met een speciale focus op natuurlijke reserves en grondstoffen.

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .
 
 
 

Waterstofketel hit op Bouwbeurs

Geplaatst op 14 februari 2019 Zonne- en alternatieve energie

BeursnieuwsTekst: Marion de Graaff, Tekstbureau ‘t Kofschip

Waterstofketel hit op Bouwbeurs

Op de Bouwbeurs presenteerde Remeha een belangrijke innovatie: de waterstofketel. Van tevoren was er al de nodige aandacht in de pers, en dat zorgde ervoor dat de stand enorm goed bezocht werd. Belangrijk voordeel is dat waterstof eenvoudig te transporteren en op te slaan is. Is waterstof ‘de’ oplossing van het energievraagstuk?

Het liep vijf dagen lang storm bij Remeha. Bouwers en installateurs, iedereen wilde de waterstofketel zien en er meer van weten. De werknemers die de stand bemanden, stonden de vele beursbezoekers geduldig te woord. Ook minister Kajsa Ollongren kwam een kijkje nemen en liet zich informeren. De ketel zelf hing bescheiden aan de rand, je zou er haast overheen kijken.

De cv-ketel op waterstof is een interessante oplossing in het hele energievraagstuk. Warmtepompen zijn vooral geschikt voor nieuwbouw, waar ze bij de bouw qua logistiek gemakkelijk te installeren zijn. Een warmtepomp in een oudere woning is lastiger te realiseren en daardoor duurder. Daarbij komt dat een goede isolatie een voorwaarde is voor een optimaal rendement, en dat kan ook een flinke kostenpost zijn. Voor bestaande bouw is de waterstofketel dan ook een betere oplossing.

Opslag is cruciaal

Tijdens de Bouwbeurs sprak Manager Innovative Technologies Marco Bijkerk van Remeha twee keer in een volgepakte Croesezaal over waterstof als een van de energiedragers van de toekomst. Bijkerk legde uit hoe de ketel werkt en vertelde dat waterstof eenvoudig te transporteren en op te slaan is. Dat is een belangrijk voordeel, want energieopslag door middel van een accu of batterij heeft nog vaak als minpunt dat er energie verloren gaat. Toch is opslag cruciaal omdat we in een toekomst zonder fossiel aardgas echt zijn aangewezen op wind- en zonne-energie. Door het omzetten van elektriciteit via elektrolyse is waterstof ‘bewaarbaar’. Als er eenmaal een distributienetwerk is, kan de waterstof vervolgens gebruikt worden in verwarmingsketels, maar ook bijvoorbeeld in waterstofauto’s. Het bestaande aardgasnetwerk kan daar een belangrijke rol in spelen en is met wat kleine aanpassingen geschikt om waterstof te transporteren. Bijkerk benadrukte dat waterstof niet ‘de’ oplossing is, maar een van de manieren voor CO2 reductie. Het is ook de moeite waard om te onderzoeken of warmtepompen en waterstofketels gecombineerd kunnen worden, waarbij de warmtepomp in de zomer aanstaat en in de winter waterstof gebruikt wordt.

Testen en monitoren

De ketel is nog niet op de markt. Binnenkort gaat hij op proef in een appartementencomplex in Rozenburg, deelgebied van Rotterdam. Daar zal uitgebreid getest en gemonitord worden, een belangrijke stap dus in het traject van prototype tot eindproduct. Bij de proef zijn ook de gemeente Rotterdam, netbeheerder Stedin en de woningstichting/verhuurder van de appartementen betrokken. Verloopt de proef goed, dan kan het snel gaan. Zo’n halve eeuw geleden stapte Nederland over van stadsgas naar aardgas. De transitie van aardgas naar waterstof is volgens de ontwikkelaars van de waterstofketel ook prima te maken, zeker als de overheid daar een speerpunt van maakt en energiebedrijven maatregelen gaan nemen. Bijkerk zal ook spreken op het congres Duurzaam Gebouwd in Leeuwarden, dat als thema ‘It giet om’ heeft, in het Nederlands: ‘Het gaat veranderen.’ De wens om gasloos te verwarmen leeft sterk in Friesland en de Friezen zijn geïnteresseerd in alle vormen van duurzame energie. Waterstof is een mogelijkheid, en de introductie van de waterstofketel komt dus op een goed moment.

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .
. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .
 

Dit doen autofabrikanten met waterstofauto's

Dit doen autofabrikanten met waterstofauto’s

De markt voor auto’s met een brandstofcel aan boord staat nog in de kinderschoenen. Het aantal tankstations waar je waterstof kunt tanken is klein, net als het aantal beschikbare waterstofauto’s. Hyundai en Toyota hebben er elk een. Wat is de stand van zaken bij de fabrikanten?

Sinds 2013 zijn er over de hele wereld zo’n achtduizend waterstofauto’s verkocht. Ter vergelijking: dat is ongeveer het aantal dat Tesla in Nederland op jaarbasis verkoopt. Daar komt als het aan de fabrikanten en bedrijven die zich met deze technologie bezighouden ligt verandering in.

Zo wil Toyota, dat met de Mirai al een waterstofauto in de showroom heeft staan, al in 2020 wereldwijd meer dan 30.000 voertuigen met een brandstofcel per jaar verkopen. AutoWeektestte deze auto in oktober nog uitvoerig.

Zo werkt een waterstofauto

  • Een waterstofauto is een elektrische auto die waterstof in plaats van een batterij als energiebron gebruikt.
  • De waterstof wordt in een brandstofcel met zuurstof uit de lucht omgezet in water.
  • Door een chemische reactie ontstaat elektriciteit die de elektromotor aandrijft.
  • Uit de uitlaat komt alleen waterdamp en warmte.
  • Bij dit proces ontstaat geen CO2, waardoor het voertuig uitstootvrij is.

De Mirai is overigens niet de enige in zijn soort. Hyundai heeft met de Nexo een waterstofauto in het aanbod en in de Verenigde Staten is de Honda Clarity verkrijgbaar, zij het via een leaseconstructie. Afgelopen november kondigde Mercedes-Benz de komst van de GLC F-Cell aan, eveneens een auto met brandstofcel.

Vijftig tankstations in het vooruitzicht

Daimler, Honda, Hyundai en Toyota zijn samen met de BMW Group, Kawasaki en tal van andere industriële partijen, waaronder Shell, Total en Engie, verenigd in het Hydrogen Council.

Dit samenwerkingsverband wil de komende jaren zo’n 10 miljard euro in de technologie en infrastructuur steken, met het uitbreiden van het aantal tankstations als een van de speerpunten.

“Wat de gebrekkige infrastructuur voor het tanken betreft; dat is net als bij de vroege elektrische auto’s een beetje een kip-en-het-eiverhaal. Begin je met de stations of met de auto’s? Via het Hydrogen Council investeren we samen met de andere deelnemers ieder jaar echter veel geld om dit op orde te krijgen”, aldus pr-manager Mike Belinfante van Hyundai.

Op het moment gaat een groot deel van de investeringen naar Duitsland. Niet alleen omdat de afstanden daar groter zijn, maar ook omdat de regering daar volgens Belinfante wat voortvarender te werk gaat. “Het aantal stations moet van ongeveer zeventig naar vierhonderd worden uitgebreid voor 2023.”

In Nederland staat de teller op vier tankstations. Het vijfde opent later dit jaar in Den Haag, met nog eens tien extra locaties in de planning. De overheid heeft voor 2025 een totaal van vijftig in het vooruitzicht gesteld. Rond die tijd moeten er vijftienduizend waterstofauto’s rondrijden.

‘Obstakels moesten overwonnen worden’

Bij Daimler, het moederbedrijf van Mercedes-Benz, wordt sinds de jaren tachtig onderzoek gedaan naar brandstofceltechnologie. Dit resulteerde in 1994 in de presentatie van de Necar 1, de eerste waterstofauto ter wereld.

De fabrikant had er destijds een bedrijfswagen voor nodig om de techniek te herbergen, maar al snel paste de brandstofcel in een auto van het formaat A-Klasse.

In 2008 ging de Honda FCX Clarity in productie, een auto die tot 2014 in beperkte aantallen beschikbaar was via een leaseconstructie. Zijn opvolger verscheen in 2016.

De eer van de eerste in serie geproduceerde waterstofauto gaat naar de Hyundai ix35 fuel Cell, de voorloper van de Nexo. De Toyota Mira dateert van 2014, al begon het Japanse merk al in 1992 met de ontwikkeling van de technologie.

“In de ontwikkeling van de techniek is veel tijd gaan zitten. Obstakels zoals wat te doen bij lage temperaturen – waterstof bevriest immers – moesten eerst overwonnen worden. Desalniettemin waren we in 2013 de eerste fabrikant ter wereld met een in serie geproduceerde waterstofauto”, zo geeft Belinfante te kennen.

Na vijf minuten weer onderweg

Goedkoop zijn de in Nederland verkrijgbare Nexo en Mirai helaas niet. De Hyundai SUV kost 74.995 euro, terwijl de Toyota-sedan voor 80.925 euro in de prijslijst staat. Daar staat tegenover dat je met een waterstofauto verder komt dan met een elektrische auto.

Toyota belooft een actieradius van ongeveer 500 kilometer, de Hyundai Nexo komt volgens de fabrieksopgave ongeveer 665 kilometer ver op een tank waterstof. Alleen de allerduurste Tesla Model S-uitvoering komt bij deze afstanden in de buurt, en dan uitsluitend onder ideale omstandigheden.

Het gebrek aan voldoende tankstations is weliswaar een nadeel, het feit dat je kunt tanken is juist een groot pluspunt ten opzichte van batterij-elektrische auto’s. In plaats van dertig minuten of meer voor een paar honderd kilometer aan reikwijdte, ben je met een waterstofauto binnen vijf minuten weer onderweg.

“Met het tanken verricht je dezelfde handeling die automobilisten al zo’n honderd jaar doen. Op die manier is de overgang naar waterstofauto’s een veel natuurlijkere. Je hoeft jezelf geen nieuwe gewoontes aan te leren”, aldus Guido Roozekrans, de pr-man van Toyota.

‘Men is te veel gericht op batterij-elektrische auto’s’

Hyundai en Toyota zullen naar eigen zeggen stappen blijven ondernemen om waterstofauto’s definitief op de kaart te zetten. Zo zal Hyundai zijn techniek op het gebied van waterstofauto’s delen met Audi, terwijl Toyota patenten heeft vrijgegeven.

“Toyota heeft de afgelopen 25 jaar miljarden in de ontwikkeling van de waterstofauto gestoken en wil zich vooral op deze technologie richten”, zo laat Roozekrans weten. “Om de waterstofeconomie en waterstofmobiliteit op gang te brengen, heeft Toyota in 2015 maar liefst 5.680 waterstoftechnologiepatenten vrijgegeven.”

In Nederland, zo geven beide merken toe, zijn ze ook afhankelijk van het overheidsbeleid in hun streven een doorbraak voor waterstofauto’s te bewerkstelligen.

“We hebben weliswaar veelvuldig contact met Tweede Kamerleden en beleidsbepalers, maar we merken dat er domweg niet genoeg kennis van zaken is. Men is nog niet heel bekend met waterstofauto’s, ook omdat men te veel gericht is op batterij-elektrische voertuigen. Daarnaast zit er een veel actievere lobbybeweging achter de elektrische auto”, zo concludeert Belinfante.

Zie ook: Is waterstof snel bij meer tankstations beschikbaar?
Zie ook: Is waterstof snel bij meer tankstations beschikbaar?
. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .
 

artikel

Werkt een cv-ketel voor aardgas ook op waterstof?

klimaattechniek

In hoeverre wijkt de techniek van een op aardgas gestookte cv-ketel af van een waterstofketel? Is ombouwen een optie? En wat betekent waterstof voor installatie en onderhoud?

Werkt een cv-ketel voor aardgas ook op waterstof?  

Door Joop van Vlerken

Nooit eerder zijn in Nederland woningen verwarmd met hr-ketels op pure waterstof. Daarom wordt in Rozenburg een proef uitgevoerd met cv-toestellen die een appartementsgebouw verwarmen met 100% waterstof. De voorbereidingen zijn inmiddels getroffen en begin 2019 start de proef. In de ketelruimte van het appartementsgebouw komen twee hr-ketels te hangen, één van Remeha en één van Bekaert.  

Ketelcomponenten voor waterstof 

“In principe is het gewoon een hr-ketel”, zo legt Marco Bijkerk uit, manager innovatietechnologie bij Remeha: “behalve dat we alle componenten die normaal met aardgas in aanraking komen, hebben vervangen door speciaal voor waterstof ontworpen componenten. Het gaat dan onder meer om de gasklep, de ventilator en de brander. Deze hebben we opnieuw moeten ontwikkelen. De rest van de hr-ketel blijft helemaal hetzelfde.”   

Brander is belangrijk onderdeel  

Ook Bekaert heeft een ketel ontworpen speciaal voor dit project, vertelt Joan Teerling, manager Research & Innovation bij Bekaert. “Wij ontwikkelen normaal gesproken het technisch hart van een cv-ketel voor onze klanten, de zogeheten heat cell. Een belangrijk onderdeel hiervan is de brander. Hier ligt onze expertise. Ongeveer de helft van de branders wereldwijd komt van ons. En dat is een van de belangrijkste onderdelen in de ketel als je van aardgas over wilt gaan naar waterstof. Het is bovendien het meest ingewikkelde onderdeel dat aangepast moet worden. De andere zaken zijn minder ingewikkeld.”   

Waterstof heeft hogere verbrandingssnelheid  

Volgens Teerling is de belangrijkste reden om deel te nemen aan de proef aantonen dat waterstof een goed alternatief is voor aardgas in cv-ketels.  “Het is niet zo moeilijk, maar er zijn wel een aantal zaken waar rekening mee gehouden moet worden. Waterstof heeft bijvoorbeeld een hogere verbrandingssnelheid. De verschillende partijen zijn het er nog niet over eens hoe je daar mee om moet gaan. Ik kan nu nog niet vertellen hoe wij het opgelost hebben, omdat we patent op deze technieken aanvragen. Daarnaast heb je te maken met een hogere vlamtemperatuur en de volumestromen zijn anders, net als de dichtheid van waterstof.”   

Waterstof in energietransitie  

In de energietransitie kan waterstof een grote rol spelen, voorspelt Bijkerk. “De energietransitie gaat gepaard met hoge kosten. Zeker als je kijkt naar het all-electric maken van bestaande woningen. Als je alleen door het vervangen van de ketel en de brandstof woningen CO2-vrij kunt maken, dan heb je het probleem in één keer opgelost. Het scheelt de consument niet alleen veel geld. Het wordt ook veel makkelijker om zijn huis te verduurzamen.”  Het einde van de cv-ketel is nog niet in zicht in deze denkwijze.

All-electric is lastig  

Dat wordt bevestigd door Teerling. “De bestaande bouw is lastig all-electric te maken, bijvoorbeeld omdat huizen heel goed geïsoleerd moeten worden en er laagtemperatuurverwarming moet worden aangelegd. Ik denk dat de waterstofketel voor de bestaande bouw een goede oplossing is. We kunnen bovendien gebruik maken van bestaande infrastructuur, kennis en technologie. Dat scheelt heel veel tijd en geld.” Hij verwacht dan ook niet dat er voor installateurs al te veel gaat veranderen als ketels straks op waterstof draaien. “De technologie blijft voor het overgrote deel hetzelfde en dat geldt ook voor de ketel. Dat betekent ook dat de onderhoudsfrequentie bijvoorbeeld gelijk blijft.”

Waterstof in energieopslag

Daarnaast biedt waterstof nog tal van andere voordelen, weet Bijkerk. “Met waterstof kun je ook het probleem van energieopslag deels oplossen. Doordat je duurzame elektriciteit omzet in waterstof is het namelijk makkelijker op te slaan. Daarnaast is er nog de mogelijkheid om huizen uit te rusten met brandstofcellen zodat er ook lokaal elektriciteit van gemaakt kan worden. Het is dus niet alleen het gebruik in hr-ketels. Je kunt er nog zoveel meer mooie dingen mee.”

Globale energiebehoefte  

Teerling vult aan: “Waterstof biedt veel meer mogelijkheden voor opslag dan elektriciteit. En het is breed toepasbaar. In de industrie wordt het al volop gebruikt. Daarnaast hebben we het gewoon nodig, want de experts voorspellen dat de globale energiebehoefte in 2050 voor 40% elektrisch is en verduurzaamd kan worden met bijvoorbeeld zon en wind. Voor de overige 60% blijven we afhankelijk van brandstoffen, dat maar deels met biomassa kan worden ingevuld. Daar ligt een grote kans voor waterstof.”  

Met waterstof kunnen we bestaande infrastructuur, kennis en technologie gebruiken

Met waterstof kunnen we bestaande infrastructuur, kennis en technologie gebruiken

Cv-ketels ombouwen naar waterstof  

Hoewel het volgens Bijkerk nog te vroeg is om er echt een oordeel over te vellen, denkt hij niet dat de huidige hr-ketels omgebouwd gaan worden voor waterstof. “Dat wordt heel erg lastig. Technisch kan het natuurlijk, maar ik vraag me af of het loont. Er is veel activiteit in de woning nodig om al die onderdelen te vervangen.” Ook Teerling vindt het nog te vroeg om te zeggen of het mogelijk is bestaande systemen om te bouwen. “Maar ik sluit het zeker niet uit. Technisch gezien denk ik dat het mogelijk is, maar misschien wordt het wel veel te duur. De bestaande ketel vervangen door een waterstofketel is vermoedelijk goedkoper en eenvoudiger uit te voeren. Waterstof is sowieso inpasbaar in de huidige keteltechnologie.”  

Risico’s van waterstof   

Op het gebied van veiligheid is er net als bij de verbranding van aardgas aandacht nodig voor de risico’s, beaamt Bijkerk. “De risico’s vallen ook voor waterstofgas zeker binnen de technische haalbaarheid. We moeten er ook niet te moeilijk over doen. Voordat aardgas de norm werd, gebruikten we stadsgas dat ook voor 50% uit waterstof bestond. Waterstofgas is vluchtiger en kan dus makkelijker door materialen heen. Daar heeft Gasunie al onderzoek naar gedaan en de resultaten wezen uit dat het allemaal erg meevalt. Daarnaast ligt de snelheid van verbranding hoger. Maar het zijn allemaal normale processen die je goed moet bekijken.”  

Leestip: Wat is waterstof

Bijmengen van waterstof  

Naast 100% waterstof, is het ook mogelijk om bepaalde percentages waterstof in te voeden in het aardgasnet, vertelt Bijkerk. “Op Ameland hebben we meegedaan aan een proef waar 20% waterstof in het aardgasnet werd gemengd. Voor de normale cv-toestellen die daar getest zijn, leverde dat geen problemen op.” Dus is het makkelijk om nu meteen de aardgastoevoer naar Nederlandse huishoudens te verduurzamen door het bijmengen van waterstof? Zo eenvoudig is het helaas niet, legt Bijkerk uit. “Er is in die proef op Ameland maar een bepaald aantal toestellen getest. Maar in Nederland staan ook oude gashaarden of andere gastoestellen en fornuizen. Daar is nog geen onderzoek naar gedaan. Je kunt dus niet zomaar het percentage waterstofgas in het gasnet opvoeren. Er moet eerst meer onderzoek gedaan worden.”    

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .

Gevels, daken en straten als bron van energie

Gevels, daken en straten als bron van energie

TNO organiseerde een minisymposium over gevels, daken en straten als energiebron. Design gaat soms ten koste van het rendement. Maar is dat een bezwaar als het mooi is en daardoor breed toegepast gaat worden?

Peter Paul van ’t Veen van TNO trapte de middag af met de melding van de oprichting van het Bouw en Techniek Innovatie Centrum BTIC: “TNO zet samen met de 4TUBouw en de hogescholen op verzoek van de Bouwagenda en in samenwerking met 3 ministeries (BZK, EZK en I&W) plus 3 brancheorganisaties (UNETO VNI, Bouwend Nederland en NLIngenieurs) een meerjarig innovatieprogramma op. Doel is de technologische en sociale ontwikkelingen van de energietransitie in de bouw een nieuwe impuls te geven. De uitdagingen zijn namelijk alleen maar groter geworden.”

Kleur de energieleverende gevel

Marloes van Heteren, partner en architect Studio Solarix zag de uitdaging vooral in de design van zonnepanelen: “Hoe mooi is het niet als gebouwen via hun ‘huid’ energie kunnen opwekken. Dat moet ook, want met alleen zonnepanelen op de daken gaan we het niet redden. Alle gebouwen moeten energieneutraal worden en daarvoor moet je de gevels gebruiken. We zijn aan de slag gegaan en het eerste door ons ontworpen paneel in 2016 was half composiet en half een zonnepaneel. Patroon, kleur, textuur en formaat zijn aan te passen en zo kun je een gevel van morfologie voorzien, zodat je een mooie gevel ziet en geen zonnepanelen. Nu, in oktober 2018 is de wereldprimeur van een gevel die geheel is voorzien van solar design door Solarix: het pand van Kuijpers Installaties in Helmond. Daar zal ook sensorgestuurde ledverlichting toegepast worden, waardoor bijvoorbeeld het weerbericht naar een verlichtingsscenario is te vertalen. We ontwikkelen door en nu laten we testen uitvoeren voor kleurbeleving in relatie tot de opbrengst van zonnecellen. Die minderopbrengst is ongeveer 15% afhankelijk van de kleurintensiteit.”

Thermische-pv onterecht onderbelicht

Marcel Cloosterman, voorzitter warmtesectie Holland Solar, benadrukte hij het feit dat het opwekken van zonnewarmte veel efficiënter is per m2 dan andere vormen van opwekking. Hoger dan biomassa of biobrandstoffen en bijna 4x efficiënter dan pv-panelen. “De grote massa moet de techniek gaan toepassen en dan moet het er ook goed uitzien. Als het over verduurzamen gaat is de uitdaging groot. Slechts 6,6% van de energie die we verbruiken is duurzaam (jaar 2017) en van dat percentage is 60% opgewekt door biomassa. Dat betekent voor een groot deel bijstook in kolencentrales, dus kun je je afvragen hoe duurzaam dat is. Als je dan ziet waar we naar toe moeten in 2030, dan zal het allemaal heel veel sneller moeten.”

Mensen willen niet wonen in een energiefabriek

Hendrik-Jan Weggeman, algemeen directeur Emergo verhaalde over de balans tussen optimale eigenschappen, design en commerciële prijsstelling van de Emergo prefab daken. “Onze eerste ervaring met energie producerende gebouwen was de ontwikkeling van een duurzaam renovatiedak voor de Stroomversnelling. Dat het mooier moest, daar waren mijn zakelijk partner en ik het snel over eens. Mooi en ook betaalbaar is daarom de kern van onze productontwikkeling. Een duurzaam energiedak moet naast energie produceren ook dienen als waterkering, warmte-isolatie en geluidswering. En, het moet er goed uitzien. Mensen willen niet in een energiefabriekje wonen, maar gewoon een fijne woning.”

Rondleiding met de Mona Lisa als sluitstuk

Na de presentaties de rondleiding in MEC-bouwlab langs diverse demonstraties met proefopstellingen van warmtepanelen voor de buitengevel. Ook de geprinte PV-panelen worden getoond, naast de pv-integratie in bouwdelen of zelfs een fietspad of wegafscheiding (SolaRoad). Opvallend is een testopstelling voor een zonneboiler die de nokvorst op daken vervangt. De ontwerper ervan legt uit dat ook voor hem esthetiek en het goed inpassen in een bestaand dak veel aandacht krijgt. Buiten het lab staat een groot paneel met daarop de Mona Lisa afgebeeld. Of haar mysterieuze glimlach inhoudt dat zij al weet wat de toekomst brengt? Wat TNO en de partners betreft is die zonnig. Met gevels en straten die zonne-energie- of warmte opvangen om aan de ontembare energievraag van de mensheid te kunnen voldoen.

Tekst en beeld: Tom de Hoog

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .
 

Gaan we ooit door heel Europa met de trein in plaats van het vliegtuig?

NOS  Geschreven door
  Leen Kraniotis  redacteur economie

Hoeveel sneller kun je met de trein naar Berlijn? NS en ProRail hebben deze week met hun Duitse collega’s afgesproken om komend half jaar te bekijken hoe de trein tussen Amsterdam en Berlijn sneller kan. De rit duurt nu 6 uur en 22 minuten, met maar liefst vijftien tussenstops onderweg. Daar moeten volgens NS minstens twee uur af.

“De trein kan op bepaalde stukken harder en moet minder vaak stoppen”, vindt ProRail-directeur Pier Eringa. “In 4,5 uur naar Berlijn moet mogelijk worden. En voor de langere termijn moeten we in Europa investeren in nieuwe hogesnelheidslijnen.”

Snellere treinen moeten mensen uit het vliegtuig lokken, is de gedachte. Ook het kabinet wil dat we vaker met de duurzamere trein gaan in plaats van het vervuilende vliegtuig.

Maar hoeveel sneller zou een treinreis naar allerlei Europese steden in de toekomst kunnen zijn? En wint de trein dan van het vliegtuig? Bekijk het hier:

Is de trein binnen Europa straks sneller dan het vliegtuig?

Tot ongeveer 750 kilometer kan een hogesnelheidstrein prima op reistijd concurreren met het vliegtuig. Dan gaat het vanuit Amsterdam om steden zo ver als München, Praag of Kopenhagen. Maar voor hogesnelheidsspoor naar zulke steden moet diep in de buidel worden getast.

78 miljard

Ingenieursbureau Royal HaskoningDHV becijferde de kosten voor een netwerk naar 31 grote steden in een straal van zo’n 750 kilometer rond Amsterdam op 78 miljard euro. “Dat is veel geld, maar op Europees niveau is dit maar een kleine investering”, zegt Barth Donners van het bedrijf. “Je zou zo’n netwerk bij wijze van spreken met het infrastructuurbudget van anderhalf jaar kunnen aanleggen.”

Ter vergelijking: In Europa wordt jaarlijks zo’n 55 miljard euro in autowegen geinvesteerd en zo’n 35 miljard euro in spoor. Maar waarom ligt er dan nog geen Europees HSL-netwerk? “Bij infra-investeringen kijkt men toch vooral naar binnenlandse belangen”, zegt Donners. “Je zou echt moeten uitzoomen en over de grenzen heen kijken, naar het grotere belang. En dat is ook het milieubelang.”

Als je echt ambitie toont, kan je zo’n netwerk aanleggen in vijf tot tien jaar.

Barth Donners, ingenieursbureau Royal HaskoningDHV

Europese landen zullen dus veel meer moeten samenwerken. Het Europese spoor is nu een soort lappendeken, met in ieder land een andere technologie. “Dat maakt het spoor inefficiënt en onnodig duur”, zei ProRail-topman Eringa eerder. “We moeten overstappen van oude, dure spoorsystemen naar moderne, goedkope, systemen die met elkaar kunnen praten.”

“Als je echt ambitie toont, kan je zo’n netwerk aanleggen in vijf tot tien jaar”, zegt Donners. “Meer realistisch is dat het vijftien tot twintig jaar duurt voordat we zo snel kunnen reizen, als we het echt willen en de juiste keuzes maken.”

Als er uiteindelijk zo’n netwerk ligt en de prijs van een treinticket is vergelijkbaar met een vliegticket, dan kan de trein veel marktaandeel afpakken van het vliegtuig. Op de route Amsterdam-Berlijn kan die dan bijvoorbeeld stijgen van een geschatte 9 procent naar 68 procent, voorspelt Royal HaskoningDHV. Van de bijna 500.000 vluchten van en naar Schiphol zou dan ruim een kwart niet meer nodig zijn, omdat veel mensen voor bestemmingen op minder dan duizend kilometer de trein pakken.

Japan is het goede voorbeeld

Dat een snelle trein op zulke trajecten veel populairder kan zijn dan het vliegtuig, bewijst Japan. Tussen de megasteden Tokio en Osaka (515 kilometer, 2:22 uur reistijd) heeft de hogesnelheidstrein Shinkansen nu een marktaandeel van maar liefst 86 procent, versus 14 procent voor het vliegtuig.

Tussen Tokio en het verder gelegen Hiroshima (820 kilometer, 3:44 uur) is de verhouding nog altijd 70 procent trein en 30 procent vliegtuig. Dat de snelle treinen op piekmomenten iedere tien minuten vertrekken, maakt ze extra aantrekkelijk.

De Japanse Shinkansen-hogesnelheidstrein is snel en stipt, een voorbeeld voor veel Europese spoorbedrijven hansjohnson | Flickr | Creative Commons by-nd

“Het is echt een kwestie van politieke keuzes maken”, zegt Donners van Royal HaskoningDHV. “In Japan kijkt men meer naar het grote geheel en niet alleen naar het lokale belang. De treinbedrijven hebben veel meer geld om hogesnelheidslijnen te ontwikkelen, de overheid financiert mee.”

Hoe kan het dat je treinkaartje naar het vliegveld soms duurder is dan een vliegticket naar de zon? NPO Focus legt het uit in deze special.

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .

Een groene toekomst is er alleen voor de rijken: de eco-elite

De verduurzaming van Nederland leidt tot een nog ongelijkere verdeling van schone en leefbare ruimte, zegt sociaal wetenschapper Shivant Jhagroe. De eco-elite verschuilt zich in lommerrijke wijken, de grijze rest is voor de armen.
 Hans Marijnissen  

Beeld uit de film ‘Elysium’, die gaat over een droomwereld met fraaie woningen in een groene omgeving, met schone lucht. Op de grijze aarde zijn de ‘milieupaupers’ achtergebleven. ©-

Oké, ‘Elysium’ (2013) is maar een sciencefictionfilm, maar volgens de Leidse wetenschapper Shivant Jhagroe is de film in het debat over de vergroening van Nederland heel goed bruikbaar. In het jaar 2154 heerst er op de overbevolkte en sterk verontreinigde aarde armoede, en de rijke elite is inmiddels uitgeweken naar ruimtestation Elysium.

Als je niet bereid bent om alles voor duur­zaam­heid aan de kant te zetten, doe je al niet meer mee. Veel mensen hebben die luxe niet Sybrand Buma, CDA-leider

In een enorme holle cirkel is een droomwereld aangelegd met fraaie woningen in een groene omgeving, met schone lucht, en alle zorg is voorhanden. Op de grijze aarde zijn de ‘milieupaupers’ achtergebleven. Hoofdpersoon Max is daar bij een bedrijfsongeval blootgesteld aan een dodelijke chemische stof en heeft nog maar vijf dagen te leven. Alleen de behandeling in Elysium kan hem redden. Anderhalf uur later zullen de kijkers weten of het Max lukt het gat tussen de have’s en de have-nots te overbruggen. Een ding is zeker: dat wordt vechten.

Revolte

CDA-leider Sybrand van Buma waarschuwde vorige week in weekblad Elsevier voor een tweedeling die in de toekomst kan leiden tot een revolte rond het thema duurzaamheid, net als in de tijd van Pim Fortuyn. ‘Als je niet bereid bent om alles voor duurzaamheid aan de kant te zetten, doe je al niet meer mee. Veel mensen hebben die luxe niet’, zei hij. Is die revolte van Buma het begin waar Elysium het einde is?

Shivant Jhagroe, sociaal wetenschapper ©Angeline Swinkels | fotograaf

“Laat ik beginnen met te zeggen dat Buma zich wel zorgen kan maken, maar dat zijn neo-liberale koers eerder de veroorzaker van zijn voorspelde revolte is dan dat deze bijdraagt aan de voorkoming daarvan”, zegt Jhagroe. “Dit kabinet zegt: ‘Vergroening? Do it yourself’. Vind je het dan gek dat de kansrijken de mogelijkheden benutten? Maar hij heeft wel een punt. De film Elysium is weliswaar een overdrijving van de toekomst, maar kijk naar de praktijk van vandaag. Sinds het jaar 2000 zijn er meer klimaatvluchtelingen dan oorlogsvluchtelingen en naar schatting zijn er daar in 2050 meer dan 150 miljoen van. In Europa overlijden jaarlijks een half miljoen mensen als gevolg van verontreinigde lucht. Die cijfers laten niet alleen de slachtoffers van het milieu zien, maar ook dat die vallen onder mensen die ook op andere vlakken minder kansen hebben. Ze wonen op de slechte plekken, zijn armer en laagopgeleid. Ruimteschip Elysium bestaat dus al, in de mooie groene wijken waarin vooral de witte burgers allemaal erg ‘duurzaam’ leven.”

Shivant Jhagroe, die aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam promoveerde op de politieke betekenis van stedelijke verduurzaming, krijgt zelden applaus. “Áls de handen op elkaar gaan, is dat uit beleefdheid”, zegt hij. Maar dat deert hem niet. De sociaal wetenschapper zwemt tegen de stroom in. Hij wil inspireren én irriteren, juist om andere denksporen mogelijk te maken.

Vooral in de discussie over duurzaamheid en de aanpak van de klimaatproblemen is dat hoognodig. “Na tien jaar debat over de vergroening van Nederland is er vooral een dor landschap ontstaan.” Nederland lijdt volgens Jhagroe aan wat hij met een lelijk woord ‘duurzaamheidsvermoeidheid’ noemt.

Dat groene leven is een lifestyle van de happy few, van de rijke eco-elite met kansen, op allerlei gebied Shivan Jhagroe, sociaal wetenschapper

Die vermoeidheid is volstrekt misplaatst, zegt hij. Het gaat volgens Jhagroe juist helemaal de verkeerde kant op. “Duurzaamheid heeft de afgelopen jaren meestal de bestaande ongelijkheid vergroend. Dat groene leven is een lifestyle van de happy few, van de rijke eco-elite met kansen, op allerlei gebied. We hebben een soort groen kapitalisme gecreëerd. Terwijl om echte veranderingen teweeg te brengen, de massa bereikt moet worden. Niet alleen vanwege het gelijkheidsdenken, maar omdat vergroening van de elite weinig zoden aan de dijk zet. Er is massa nodig om de uitstoot in te dammen.”

Als vergroening vanuit de neo-liberale politiek aan de vrije markt wordt overgelaten, vergroot deze de ongelijkheid eerder, benadrukt Jhagroe. Een tweede methode van de vergroening, via allerlei burgerinitiatieven, heeft precies hetzelfde effect. Alleen mensen met een goed netwerk en een stevige achtergrond doen mee met de stadstuin of de energiecoöperatie.

Kloof

Naast zijn eigen onderzoek verwijst Jhagroe naar een serie rapporten van andere onderzoekers die de kloof tussen de ‘rijke groenen’ en de ‘arme grijzen’ blootleggen. Onderzoeksbureau CE Delft bijvoorbeeld berekende dat in 2017 750 miljoen euro aan subsidies en belastingvoordelen is verdeeld in het kader van het klimaatbeleid. Slechts een vijfde is maar aan de armere huishoudens besteed. In een ander rapport laat datzelfde CE Delft zien dat bij ongewijzigd beleid armere huishoudens in 2050 3,5 keer zoveel aan kosten in verband met klimaatbeleid moeten ophoesten dan rijke. Ze betalen relatief gezien meer belasting en de energierekening in hun minder goed aangepaste woning is hoger. Die huishoudens zijn dan in totaal 17 procent van het besteedbaar inkomen kwijt aan deze maatregelen.

Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) liet in de publicatie ‘Kiezen bij de kassa‘ zien dat ‘bewust consumeren’ vooral een hobby van de hoogopgeleiden is. Biologische groenten en vlees zijn voor de laagopgeleiden niet te betalen. Een elektrische auto al helemaal niet. Een overzicht van de laadpalen toont dat die vooral in de rijkere buurten staan. SCP-directeur Kim Putters waarschuwde daarom onlangs dat de verduurzaming van Nederland de sociale tegenstellingen dreigt te vergroten.

Geweldig, de Tesla, maar ook ge­weld­da­dig. Het kobalt wordt door kindslaven gedolven.

Als ik u zo hoor, bent u faliekant tégen het woord ‘duurzaamheid’ omdat dit verhullend werkt, maar ook tegen het verschijnsel: de vergroening van Nederland vergroot volgens u de verschillen.

Shivant Jhagroe: “Gebruik drie keer het woord duurzaamheid en je hebt subsidie. Ik ben tegen het woord en stel voor het eens een maand helemaal niet te gebruiken. Het is een containerbegrip geworden, waar niemand tegen kan zijn. Duurzaamheid verblindt, daarom gaat er zoveel mis. Laat dat woord weg, en vervang het door een ander, duidelijker begrip. Hebben we het dan over milieu, of achterstand, of armoede, of migratie? Pas dan kan ook duidelijk worden voor welke problemen we een oplossing zoeken.”

Het voordeel van een economische benadering van duurzaamheid is dat als er geld mee verdiend wordt, innovaties ook echt beklijven.

“De vraag is of die duurzame producten of diensten wel echte oplossingen zijn, als zij maar door een klein deel van de bevolking kunnen worden gekocht. De elektrische Tesla is een geweldige uitvinding, maar ook een gewelddadige. Het kobalt dat in de accu zit, wordt volgens Amnesty International door kindslaven in Congo gedolven. Fijne schone auto, en onbetaalbaar. In de supermarkt liggen naast de bananen met een keurmerk, de ‘grijze’ bananen voor één euro per kilo. Even afgezien van de vraag wie die schone producten kan betalen, is er het vraagstuk of de schone variant wel de juiste oplossing is. Je zou je bijvoorbeeld kunnen afvragen of we in Nederland al die geïmporteerde bananen wel in die hoeveelheden moeten willen. En dan de Tesla: is het niet beter om het openbaar vervoer te verbeteren zodat iederéén elektrisch kan rijden: met de lightrail? Dan komen we eindelijk weg van de groene privileges van de elite. Die als enige geld heeft om ‘goed te doen’ door ‘groen te doen’. Daardoor ontstaat echt geen betere wereld, hoogstens een fijn gevoel.”

Nederland staat voor een enorme opgave om aan de doelstellingen voor het Klimaatakkoord te voldoen. Hoe halen we die als de markt en het particulier initiatief níet langer meedoen?

“Daar pleit ik ook niet voor, wel voor een veel grotere rol van de overheid. Schone lucht en de gezondheid van burgers lijken mij bij uitstek publieke verantwoordlijkheden, staatszaken. Maar de overheid heeft zich inmiddels zo ver van die zorgplicht teruggetrokken, dat een organisatie als Urgenda naar de rechter moet stappen om die publieke verantwoordelijkheid op te eisen. ‘Op te dringen’ is misschien beter gezegd. Dat heeft de rechter ook in niet mis te verstane bewoordingen gedaan. Milieudefensie doet precies hetzelfde als zij Shell aansprakelijk stelt voor het mede veroorzaken van de gevaarlijke klimaatverandering. Het klimaatbeleid moet vooral een zaak van de politiek zijn, en daarmee ook de verduurzaming van Nederland. Zij heeft als opdracht de gehele bevolking een schone toekomst te bieden. En dan heb je het plotseling niet langer over de dunne groene laag die over onze samenleving wordt gelegd, maar over het verkleinen van maatschappelijke verschillen.”

Dat is wel een enorme klus. Hoe kan die in het kader van het klimaatbeleid worden geklaard?

“De overheid heeft allerlei knoppen en handels waarmee duurzame ontwikkeling kan worden gestuurd. Neem de besteding van de sub-sidie voor zonnepanelen. Die gaat nu vooral naar de particuliere woningeigenaren. Kunnen die rijkere huishoudens de panelen niet zelf betalen? Je zou met die subsidie ook de woningcorporaties kunnen stimuleren de sociale woningbouw aan te pakken. Daardoor wordt er straks niet alleen minder fossiele brandstof gebruikt, maar huurders krijgen in de toekomst ook een lagere energierekening. Duurzaamheid en de verkleining van de sociale verschillen gaan zo hand in hand. Dat is ook een voorwaarde. Hetzelfde geldt voor het stimuleren van biologisch voedsel en het verminderen van vleesconsumptie. Met belastingen en beloningen kan een koers worden gevaren die de kloof niet vergroot, maar via vergroening juist verkleint. Radicale duurzaamheid, noem ik dat, er zou geen andere moeten bestaan.”

 

Lees ook:  Nederland is rijk, maar scoort superslecht op duurzame ranglijsten
Wie alleen naar geld kijkt, ziet dat het in Nederland heel goed gaat. Wie breder kijkt ziet dat de welvaart ten koste gaat van het milieu.
. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .

 


Duurzame energie opslaan in een weckpot

Mensen kijken uit een dakraam met rondom zonnepanelen

In de winter energie gebruiken die de zomer daarvoor is opgewekt. Het kan met een Ecovat. Een enorme ondergrondse warmtebuffer, die dient als opslag voor zonnestroom en windenergie. In Arnhem vindt binnenkort een grootschalige demonstratie plaats.

Opslag was tot nu toe een belangrijke ontbrekende schakel in de transitie naar duurzame energie. ‘Je moet een Ecovat zien als een grote weckpot onder de grond, gevuld met grondwater. Met een diameter én diepte van ongeveer 32 meter. vertelt Aris De Groot, directeur van Ecovat.

Koel in de zomer, warm in de winter

Een netwerk van duurzame stroomopwekkers voedt het Ecovat. Bijvoorbeeld zonnepanelen en windmolen. Het vat zet opgewekte elektriciteit om in warmte, waardoor het water in het vat opwarmt. De temperatuur kan oplopen tot 90 graden Celsius. Die warmte blijft lang bewaard, vanwege goede isolatie. Na zes maanden is 90% van de warmte behouden.

Energie die in de zomer wordt opgewekt, is te gebruiken in de winter. Warmtewisselaars kunnen ieder moment de opgeslagen warmte uit het water trekken en doorgeven aan aangesloten huizen. Exact de temperatuur die nodig is. Zo worden huizen in de zomer gekoeld en in de winter verwarmt.

500 woningen met een Ecovat

Op kleine schaal doorstond het Ecovat al enkele testen, maar nu begint het grotere werk. In de Arnhemse wijk Ons Dorp start mede dankzij RVO.nl binnenkort een demonstratietraject. Een Ecovat gaat 500 woningen voorzien van duurzame energie. Het hele jaar door. De Groot hoopt dat het demonstratieproject bijdraagt om de energietransitie te versnellen.

Energiebesparing tot € 650 miljoen per jaar

Als het project in Ons Dorp slaagt, is landelijke invoering weer een stap dichterbij. “Dat zou fossiele energiecentrales overbodig maken en de uitbreiding van de netcapaciteit beperken. Adviesbureau Berenschot rekende voor ons uit dat dit Nederland op de lange termijn een besparing oplevert van € 380 miljoen tot € 650 miljoen per jaar.”

Rol RVO.nl

Het project in Arnhem kwam onder andere tot stand dankzij de regeling Demonstratie Energie-Innovatie (DEI) van RVO.nl. Deze subsidie is bedoeld voor ondernemers die investeren in een energie-innovatie en daarmee bijdragen aan de economische (groene) groei in Nederland.

RVO 29 aug 2018

Meer weten?

Meta-informatie hoofdinhoud

 

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .

3 keer duurzaam gebouwen: Daken maken de stad klimaatbestendig

groene daken

Klimaatverandering en het aangekondigde Klimaatakkoord maken een duurzame gebouwde omgeving noodzakelijk. Dankzij pioniers met concrete oplossingen krijgt een duurzame stad vorm. Gasloos, circulair en klimaatbestendig; drie Amsterdamse voorbeelden. Vandaag: hoe daken de gebouwde omgeving klimaatbestendig maken.  

24-08-2018 09:45 | Door: Rianne Lachmeijer

Dit artikel is  onderdeel van een serie over duurzaam bouwen. Volgende week verschijnt het laatste deel: Een circulaire wijk.

“Als je op straat loopt, realiseer je je niet hoeveel verschillende soorten daken er zijn. En elk dak biedt andere mogelijkheden”, vertelt Jan Henk Tigelaar, project manager bij Rooftop Revolution tijdens een presentatie.

Nederland beschikt over circa 400 km2 aan plat dak. Rooftop Revolution wil deze daken bedekken met planten. “Mensen wonen graag in een groene omgeving”, legt Tigelaar uit. Maar een dak bedekt met planten levert meer op dan mooi uitzicht.

Wat groene daken opleveren

Een groen uitzicht vermindert stress en verhoogt de concentratie, aldus Tigelaar. Daarnaast verhoogt beplanting de isolatiewaarde van het dak: In de zomer houdt de groene dakbedekking de warmte buiten en in de winter juist binnen. Dat levert een energiebesparing op. Ook neemt de waarde van huizen volgens hem met 4 tot 15 procent toe als deze in een groene buurt staan.

‘Een combinatie met zonnepanelen is altijd een goed idee’

Daarnaast kan beplanting de levensduur van het dak verdubbelen en “een combinatie met zonnepanelen is altijd een goed idee.” Hij legt uit: “Zonnepanelen worden minder efficiënt als het warmer wordt dan 25 tot 30 graden en een traditioneel dak kan op een ’s zomerse dag wel 70 tot 80 graden worden.”

Doordat een groen dak koeler is, vergroot dit het zonnepanelenrendement en vermindert het tegelijkertijd de hitte in de stad. Tot slot verlichten groene daken de druk op het riool tijdens piekbuien die door klimaatverandering vaker voor zullen komen. “Het riool is niet voorbereid op het klimaat van de toekomst”, stelt  Tigelaar.

Een klimaatbestendige gebouwde omgeving

Ook de gemeente Amsterdam is zich bewust van de impact van piekbuien op het riool, weet Daniël Goedbloed, programmamanager bij Rainproof. “Ontwikkelaars van nieuwe gebouwen zijn verplicht om binnen een uur 60 millimeter aan regenval op hun kavel te kunnen opvangen”, vertelt hij. Dit maakt onderdeel uit van het rioolbeleid en moet ervoor zorgen dat Amsterdam bij een hoosbui niet direct onderloopt.

Goedbloed neemt ons mee naar zijn favoriete dak, waar wateropslag en beplanting worden gecombineerd: een ‘groen-blauw’ dak. “Een standaard groen dak is bedekt met sedum, omdat het weinig water nodig heeft. Het kan uitdrogen en daarna weer opleven, maar op dit dak heb je allerlei soorten planten. Waardoor het een heel fijne plek wordt om rond te wandelen. Je ziet veel bloemen en bijen, dat levert ecologische waarde op”, zegt Goedbloed tijdens de rondleiding.

Het dak als omgekeerde polder

Het dak is van vastgoedeigenaar Breevast en is aangelegd door de Dakdokters in samenwerking met Karres en Brands. De bovenste laag van het dak bestaat uit planten en een drainagesysteem, daaronder bevindt zich een waterbergingssysteem waar men circa 80 millimeter water in kwijt kan. Het gaat om een zogenoemd ‘polderdak’, omdat het systeem als een omgekeerde polder werkt. “In plaats van dat het water buiten laat, houdt het water binnen.”

Met behulp van sensoren reageert het systeem op weersvoorspellingen. Als er een grote bui aankomt, wordt de waterberging geleegd zodat er voldoende ruimte is voor het extra water. “Alleen in extreme gevallen is dat nodig, meestal houdt het dak al het regenwater vast.” Na een korte stilte vervolgt hij: “Nu staat het helemaal droog.” Dat is een gevolg van klimaatverandering waar het vandaag niet overgaat. “Morgen is regen voorspeld”, klinkt het hoopvol uit de groep.

Benieuwd naar het eerste deel van de serie? Lees nu hoe de Zuidas zich voorbereidt op de energietransitie.

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .

………………………………….

‘We moeten veel meer bomen planten om water vast te houden’

Wissing ontwerpt wereldwijd tuinen en parken en heeft meerdere prijzen gewonnen. De klimaatverandering baart hem steeds grotere zorgen. ‘Ik baal als een stekker. Bomen gaan dood. Tien tot vijftien procent wordt bedreigd….beuken, berken, esdoorns. Ze laten nu hun blad vallen als laatste poging om te overleven.’

Agroforestry

Wissing pleit voor de aanplant van veel meer bomen. ‘Dat is vooral belangrijk voor schaduw en voor de waterhuishouding. Als je kijkt wat voor een wortelstelsel er onder de grond ligt bij grote bomen, dan kan er heel veel water vastgehouden worden.’

De landbouw moet volgens Wissing echt een slag gaan slaan nu. ‘Agroforestry, van akker naar bos. Je ziet het langzaam ook hier ontstaan’, legt hij uit. Het is een combinatie van land- en bosbouw. Volgens hem zijn er steeds meer mensen geïnteresseerd nu de klimaatverandering zitbaar wordt.’

Kijk hier naar de reportage (de tekst loopt door onder de video):

Voedselbos

Ank van Maanen en Vincent Wittenhorst zetten volop in op deze manier van voedselproductie. Met hun project Weet wat je Eet in Montferland willen ze bos en voedselproductie combineren. Ze zijn één van de winnaars van Brood en Spelen, een landelijke ontwerpprijsvraag waar plattelandsvernieuwing het thema was.

Natuurboerderij Wittenhorst in Stokkum, gemeente Montferland, moet nog volledig uit de grond gestampt worden. ‘De eerste ideeën zijn er’, legt Van Maanen uit. Maar het komende half jaar moet het ook echt vorm gaan krijgen. Maar we houden heel erg rekening met water, energie en grondstoffen. Wij willen de bodem beter maken, water vast houden; lokaal produceren en uiteindelijk willen een voedselcoöperatie oprichten.’ Zo moeten er onder andere fruitbomen en notenbomen geplant worden.

Foto: Ontwerp project Stokkum

Plattelandsvernieuwing

Volgens Rijksbouwmeester Floris Alkemade moet er echt een omslag gemaakt worden op het platteland. Dat zei hij op de dag dat de prijswinnaars van Brood en Spelen bekend werden gemaakt. Rijksbouwmeester Floris Alkemade: ‘De grote veranderingen die zich nu op het platteland aftekenen, zijn niet alleen problematisch. Ze bieden ook grote mogelijkheden. Radicale vernieuwingen zijn nodig om het platteland weer duurzaam en aantrekkelijk te maken.’

De prijsvraag biedt boeren en grondeigenaren de kans om met creatieve ideeën aan de slag te gaan. Ank van Maanen heeft met het winnen van de prijsvraag 25.000 euro gekregen en professionele begeleiding om het plan van het voedselbos uit te werken. Naast Van Maanen wonnen nog 15 andere projecten hetzelfde. Een belangrijke reden om zo’n groot aantal winnaars te benoemen, is volgens Alkemade om zicht te krijgen op de mogelijkheden om het platteland te innoveren, maar ook op de belemmeringen die vernieuwing tegenhouden.

Heeft u opmerkingen of aanvullingen op dit bericht? Mail dan met de redactie: omroep@gld.nl. Of stuur ons direct een WhatsApp-bericht: 06 – 220 543 52

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .
.
Krabben, hier een kokoskrab, en bomen vormen de grondstof voor de nieuwe flexibele folie.

Nieuw materiaal uit krabbenschalen en bomen zou plastic verpakkingsfolie kunnen vervangen

Onderzoekers van het Georgia Institute of Technology hebben een materiaal gecreëerd op basis van krabbenschalen en vezels uit bomen ,dat het potentieel heeft om de flexibele plastic vershoudfolie voor voedingswaren te vervangen. Het nieuwe materiaal is biologisch afbreekbaar, en het wordt gemaakt door verschillende lagen chitine uit krabbenschalen en cellulose uit bomen over elkaar te spuiten, wat een flexibele, doorzichtige folie geeft.

“De belangrijkste maatstaf waarmee we het vergelijken is PET, polyethyleentereftalaat, onder de transparante verpakkingen die je vindt in voedselautomaten en zachte drankflessen een van de meest voorkomende, uit petroleum gemaakte materialen”, zei J. Carson Meredith, een professor aan de School of Chemical and Biomolecular Engineering van het Georgia Institute of Technology (Georgia Tech).

“Ons materiaal laat een vermindering zien van 67 procent van de doorlaatbaarheid voor zuurstof tegenover sommige soorten PET, wat betekent dat het in theorie voedsel langer en beter vers kan houden”, zo zei hij in een persmedeling van Georgia Tech.

Nanovezels

Cellulose, dat afkomstig is van planten, is de meest voorkomende natuurlijke biopolymeer, gevolgd door chitine, dat gevonden wordt in de schalen van schaaldieren en de schilden van insecten, en in zwammen. Een polymeer is een zeer grote molecule, vaak een keten, die bestaat uit een herhaling van kleinere aan elkaar gekoppelde moleculen, een biopolymeer is een biologische vorm daarvan.

Het team bedacht een methode om een film te creëren door nanovezels – erg kleine vezels – van cellulose en chitine in suspensie in water te houden, en ze op een oppervlak te spuiten in alternerende lagen. Eens het materiaal volledig gedroogd is, is het flexibel, sterk, doorzichtig en composteerbaar.

“We waren al verschillende jaren cellulose-nanokristallen aan het bekijken, en manieren aan het onderzoeken om die te verbeteren voor gebruik in lichtgewicht composietmaterialen en ook in voedselverpakkingen, vanwege de enorme marktmogelijkheden voor hernieuwbare en composteerbare verpakkingen”, zei professor Meredith, die eraan toevoegde dat het verpakken van voedsel in het algemeen zeer belangrijk zal worden met de toename van de wereldbevolking.

Het team was voor een andere reden ook chitine aan het bekijken, en de onderzoekers begonnen zich af te vragen of dat ook enig nut zou kunnen hebben in voedselverpakkingen.

“We zagen in dat, omdat de chitine-nanovezels positief geladen zijn, en de cellulose-nanokristallen negatief, ze goed zouden kunnen werken als alternerende lagen in een coating, omdat ze een mooi raakvlak zouden vormen”, zei Meredith in de mededeling van Georgia Tech.

Professor Meredith met een staal van het nieuwe verpakkingsmateriaal.Copyright_2018_Georgia_Institute_of_Technology/Allison Carter

Kristalstructuur

Verpakkingsmateriaal dat bedoeld is om voedsel goed te houden, moet verhinderen dat er zuurstof doorheen komt. Een deel van de reden waarom het nieuwe materiaal als gasbarrière een verbetering is tegenover de traditionele plastic verpakking, zit in de kristalstructuur van de folie.

“Het is moeilijk voor een gasmolecule om door een vast kristal te geraken, omdat ze de kristalstructuur moet verbreken”, zei Meredith. “Iets zoals PET aan de andere kant, heeft een aanzienlijke hoeveelheid amorfe of niet-kristallijne inhoud, dus er zijn meer gemakkelijke paden voor een kleine gasmolecule om erdoor te geraken.”

Milieu-activisten zoeken al lang naar hernieuwbare alternatieven om van petroleum afgeleide materialen te vervangen in consumptiegoederen. Met de hoeveelheid cellulose die nu al geproduceerd wordt, en een ruime toevoer van chitine-rijke afvalproducten uit de schaaldieren-industrie, is er waarschijnlijk meer dan genoeg materiaal beschikbaar om van de nieuwe folie een leefbaar alternatief te maken voor flexibel verpakkingsmateriaal, zei Meredith.

Maar er is nog werk aan de winkel. Om het nieuwe materiaal eventueel concurrentieel te maken op het gebied van prijs, zal er een productieproces ontwikkeld moeten worden dat het schaalvoordeel kan maximaliseren, dat met andere woorden op grote schaal kan produceren zodat de prijs per eenheid daalt.

En terwijl de industriële processen om op grote schaal cellulose te produceren al “volwassen” zijn, staan de methodes om chitine te produceren nog in hun kinderschoenen, zei Meredith. Bovendien is er nog meer onderzoek nodig om het vermogen van het nieuwe materiaal te verbeteren om waterdamp tegen te houden.

De studie van Meredith en zijn team over het nieuwe verpakkingsmateriaal is gepubliceerd in “ACS Sustainable Chemistry and Engineering”.

. . .
<@&@&@&@&@&@&@&@>
. . .

 

 


Varken buiten in de modder

Biologische landbouw groeit

De biologische landbouw liet in 2017 over het algemeen een duidelijke groei zien ten opzichte van een jaar eerder. Onder andere de omvang van de biologische varkensstapel (+ 24,2 procent) en de productie van biologisch varkensvlees groeide (+26,3 procent). In de biologische akkerbouw is de aardappelproductie toegenomen. Dat blijkt uit laatste cijfers van het CBS over de biologische landbouw in 2017.

Klik hier om verder te lezen

Bron: CBS 19 juli 2018

 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

            Opinie Energietransitie

Verdeel de lusten en de lasten van de groene revolutie eerlijk

Foto Rhonald Blommestijn

Zonder ingrijpen zal de nieuwe energietransitie leiden tot nieuwe ongelijkheid. Michiel Hulshof en Koen Straver pleiten voor ‘energie-rechtvaardigheid’. Voorkom dat het klimaat de nieuwe splijtzwam wordt.

De laatste energietransitie die Nederland doormaakte, was die van steenkool naar aardgas. De gevolgen bleken desastreus voor veel Limburgers. Ruim 45 duizend ‘kompels’ en 30 duizend anderen verloren hun baan. Vaders en broers kwamen werkloos thuis te zitten, of belandden met versleten rug en stoflongen in de WAO. De mijnstreek liep leeg. Het luxueuze Heerlen veranderde in een troosteloze stad van armoede en drugsoverlast. Tot op de dag van vandaag zijn de gevolgen van de mijnensluiting merkbaar. In 2011 nog verzakte winkelcentrum ’t Loon in Heerlen door verwaarloosde mijnschachten. Ook de werkloosheid en de armoede in de voormalige mijnstreek bleven decennialang boven het landelijke gemiddelde.

We staan nu aan het begin van een nieuwe energietransitie. De gasketels, kolencentrales, dieselauto’s en raffinaderijen moeten plaatsmaken voor duurzame alternatieven zoals warmtepompen, windmolens, zonnepanelen en elektrische auto’s. Hoog tijd om te voorkomen dat de ‘groene revolutie’ dezelfde desastreuze uitwerking heeft op tienduizenden gezinnen als de sluiting van de mijnen.

Het afgelopen jaar deden wij, ECN part of TNO en onderzoeksbureau Tertium, samen met Milieudefensie en Alliander onderzoek naar de ‘winnaars en verliezers van de energietransitie’. Door middel van expertsessies, interviews en literatuuronderzoek brachten we in kaart waar nieuwe vormen van ongelijkheid kunnen optreden. De lijst is lang en zorgwekkend.

Zonder ingrijpen krijgen echte pechvogels te maken met een opeenstapeling van problemen: ze verliezen hun baan, kijken uit op ongewenste windmolens, ontvangen steeds hogere energierekeningen, ze zien hun wijken verpauperen, wonen in onverkoopbare huizen en kunnen zich steeds moeilijker verplaatsen. Een nieuw ‘mandje vol sukkelaars’ met een diepe afkeer voor de overheid dient zich aan.

Duurzaamheidskloof

Een paar weken geleden waarschuwde filosoof René Cuperus in de Volkskrant voor een ‘duurzaamheidskloof’, waarbij de ‘lager betaalde, lager opgeleide helft’ van Nederland de grootste rekening gepresenteerd krijgt omdat ze onvoldoende geld hebben om op tijd over te stappen op duurzame energie. Zijn zorgen zijn terecht al menen wij dat het te simpel is te stellen dat de energiekloof gaat lopen tussen de huidige groep ‘rijk en hoogopgeleid’ aan de ene, en ‘arm en laagopgeleid’ aan de andere kant. De energietransitie die voor de deur staat, zal haar eigen verliezers creëren. Dat gebeurt nu al.

Terwijl de trotse eigenaar van een Volkswagen Golf 1.9 TDI Trendline uit 2001 op diesel niet meer met zijn auto in de binnenstad van Utrecht mag komen, kunnen Tesla-rijders hun bolide rustig inpluggen bij een laadpaal aan de Oude Gracht. Trek deze trend door en je ziet de tweedeling ontstaan: terwijl ‘winnaars’ vrijelijk met hun auto door de straten zoeven, staan ‘verliezers’ te wachten op de bus. Is dat echt de samenleving die we willen?

Groene golf

De laatste jaren richten steeds meer enthousiaste burgers coöperaties op voor het opwekken van hun ‘eigen’ groene stroom. Deze ‘groene golf’ lijkt louter positief, maar kan op termijn eveneens problemen veroorzaken. Uit sociologisch onderzoek weten we dat het ‘zelforganiserend vermogen’ niet gelijkmatig over ons land is verdeeld: in dorpen of stadswijken met een sterk ontwikkeld verenigingsleven ontstaan veel eerder energiecoöperaties dan in dorpen of stadswijken zonder sterke sociale verbanden. Die kloof loopt lang niet altijd parallel met inkomen of opleidingsniveau. Het resultaat: terwijl de ene Nederlander lekker kan meeparticiperen met een windmolen- of zonnepanelenproject, weet de ander niet eens dat zoiets bestáát.

Ook de aanleg van aardgasvrije woonwijken zal leiden tot nieuwe haves en havenots. Hoe meer Nederlanders zich laten afkoppelen van het gasnetwerk, hoe minder huishoudens overblijven om de netwerkkosten te betalen. Woningeigenaren met een krappe beurs zijn dubbel de klos: ze kunnen niet investeren in een warmtepomp, en betalen daardoor noodgedwongen een steeds hogere gasrekening. Ook hier is het verschil tussen rijk/hoogopgeleid en arm/laagopgeleid niet allesbepalend. Huurders zouden weleens beter af kunnen zijn, omdat woningcorporaties verplicht investeren in de energiehuishouding van hun huurhuizen. Kosten: 108 miljard euro en of de overheid even wil bijspringen, alstublieft.

Niet alle langetermijngevolgen vallen te voorspellen. Welke beleidsmaker kon in de jaren zestig voorzien dat de vondst van de aardgasbel bij Slochteren ertoe zou leiden dat Groningers vijftig jaar later bovenmatig gebukt gaan onder depressies en angststoornissen? Ook nu hebben we geen glazen bol, maar we zijn het verplicht aan de vorige verliezers om te leren van het verleden.

Toen kwamen duizenden mensen zonder baan te zitten. Hoe zit dat nu? Uit de Nationale Energieverkenning blijkt dat het aantal arbeidsplaatsen in de fossiele energiesector snel afneemt: van 73 duizend voltijdsbanen nu naar 62 duizend over twee jaar. De gevolgen voor het verlies aan indirecte banen – onderhoudsmonteurs van gasketels, toeleveringsbedrijven voor gasleidingen – zijn mogelijk nog groter.

Lokale economie

Net als bij de mijnensluitingen, komt het verdwijnen van de fossiele energiesector in sommige regio’s harder aan dan in andere. De haven van Rotterdam en de provincie Groningen zijn het meest afhankelijk van de fossiele industrie en daardoor kwetsbaar. Een te late omslag kan grote gevolgen hebben voor de gezondheid van de lokale economie, de aantrekkelijkheid van de regio, de huizenprijzen en uiteindelijk de sociale structuur.

Gericht arbeidsmarktbeleid voor de verwachte fossiele banenkrimp ontbreekt. Vakbond FNV pleitte vorig jaar voor een ‘kolenfonds’ van 800 miljoen euro voor de werknemers van de vijf kolencentrales die binnenkort sluiten. Waarschijnlijk zijn wel meer van dat soort fondsen nodig.

Natuurlijk biedt de groene revolutie ook nieuwe kansen op werk. Onderzoeksbureau CE Delft rekent op ruim 11 duizend extra banen per jaar tot 2035. Die zijn nodig voor het installeren van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen, het afkoppelen van gasleidingen, het open graven en weer bestraten van hele steden en het aanleggen van warmtenetten. Maar wie gaat dat werk doen?

De bouwsector wordt op dit moment compleet overvraagd. Overheid, opleidingen en de sector zouden veel meer moeten doen om jongeren op mbo-niveau te interesseren voor een carrière in de duurzame installatietechniek. Zo kan het aantal potentiële winnaars van de energietransitie worden vergroot.

Foto Rhonald Blommestijn

De strijd om de ruimte

Dan de strijd om de ruimte. Provincies en Rijk hebben afgesproken dat windmolens op land in 2020 voor 6.000 megawatt aan energie zullen opwekken. De teller staat nu op 3.300 megawatt. Dat betekent dat Nederland de komende twee jaar een verdubbeling te wachten staat. We hebben de situatie tot 2050 doorgerekend; dan moet Nederland naar schatting vier keer zoveel windenergie op land opwekken dan nu. Een deel daarvan kan worden opgevangen door efficiëntere windmolens, maar zeker niet alles. Ook het opwekken van zonne-energie heeft gevolgen voor het landschap (zonnevelden) en de woonomgeving (panelen op het dak).

Lusten en lasten van wind- en zonne-energie komen vaak niet bij dezelfde groepen terecht. Dat geldt op nationaal niveau: windmolens draaien niet op de plekken waar de meeste energie wordt gebruikt. Terwijl de ene groep moet leven tussen de molens, kunnen anderen overlastvrij genieten van windenergie. Op lokaal niveau geldt vooral dat de eigenaar van een windturbine profiteert, terwijl de buren in de slagschaduw van de molen kampen met slapeloze nachten door het zwiepende geluid van de wieken.

De overheid kan en moet veel meer doen om deze oneerlijke situatie te verbeteren. Denk bijvoorbeeld aan het plaatsen van windmolens op plekken waar de energievraag het grootst is. Of onderzoek de mogelijkheid van kleinere molens – die zijn wellicht minder efficiënt, maar geven ook minder geluidsoverlast. Een andere interessante aanpak is die langs de A16: daar komt een kwart van de windmolens in eigendom van de lokale gemeenschap. Per gemeente wordt een stichting opgericht die in overleg met inwoners de lusten van deze ‘dorpsmolens’ zo goed mogelijk verdeelt.

Mattheüs-effect

Dan hebben we nog het probleem dat het best wordt samengevat in de beroemde Bijbelpassage: ‘Want wie heeft, zal nog meer krijgen, en wel in overvloed, maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft nog worden ontnomen.’ Wie nu kan investeren in groene energie profiteert het meest. Wie niet kan investeren, gaat er op termijn op achteruit. Onderzoek van CE Delft in opdracht van Milieudefensie, FNV, de Woonbond en de ngo Tax Justice berekende de gevolgen van dit ‘Mattheüs-effect’: Nederlanders met een bruto-inkomen van maximaal 17.646 euro gaan in 2021 zo’n 6 procent van hun inkomen aan energie betalen. Als we niets doen, kan dat oplopen tot 17 procent in 2050.

Netwerkbedrijf Alliander schat dat 750 duizend gezinnen moeite hebben met het betalen van hun energierekening. De verschillen kunnen in korte tijd snel oplopen, zeker als woningcorporaties en kapitaalkrachtige woningeigenaren tegelijkertijd maatregelen nemen om energie te besparen of zelf op te wekken. Voor de fossiele ‘achterblijvers’ wordt het leven dan snel duurder.

We moeten onderkennen dat de energietransitie, zoals alle omwentelingen, niet alleen winnaars maar ook verliezers kent. De overgang naar duurzame energie kan alleen succesvol verlopen als die gepaard gaat met sociale maatregelen. Anders lopen we het risico dat klimaat de nieuwe splijtzwam in de samenleving wordt. Wie wil weten wat er dan kan gebeuren, moet kijken naar de gevolgen van het vertrek van de fabrieken in de Amerikaanse rust belt. De inwoners voelen zich als slachtoffers van de globalisering ernstig verwaarloosd en stemden anderhalf jaar geleden massaal op het ‘America First’ van Donald Trump.

Wij pleiten voor ‘energie-rechtvaardigheid’ als toetsingskader voor nieuw beleid: stimuleer duurzaam vervoer, maar bedenk wat je doet met eigenaren van derdehands diesels. Plaats die windmolen, maar vraag je af wat de omwonenden daaraan hebben. Haal dat aardgas uit je stad, maar verzin een oplossing voor woningeigenaren met weinig geld. Sluit die kolencentrale, maar school de werknemers om. Prijs die lokale energiecoöperatie, maar zorg dat iedereen er lid van kan worden. Kortom: bedenk niet alleen wat goed is, maar ook voor wie en voor wie niet.

Om dit goed te doen, moet de overheid meer onderzoek doen naar de gevolgen van de energietransitie. Pas als we duidelijk weten hoe de lasten en lusten precies worden verdeeld, kunnen ethisch onderbouwde keuzes worden gemaakt. Zo kan een nieuw energie-drama worden voorkomen.

Michiel Hulshof is journalist en medeoprichter van Tertium, bureau voor burgerparticipatie. Koen Straver is sociaal wetenschapper bij ECN part of TNO. Met Alliander en Milieudefensie deden zij onderzoek naar ‘winnaars en verliezers van de energietransitie’.

 

 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 

 

 

Het klimaatakkoord nadert je voordeur

angepast,Economie
De plannen om alle huizen in Nederland de komende tientallen jaren te verduurzamen zijn vergevorderd. Wat opvalt: we moeten niet te hard van stapel lopen. En geruststellend: het is de bedoeling dat we het niet direct in onze portemonnee voelen, al is het natuurlijk afwachten of dat ook echt lukt.

Een en ander blijkt uit gesprekken van de NOS met deelnemers die werken aan het klimaatakkoord. Dat wordt op 6 juli gepresenteerd, maar de hoofdlijnen tekenen zich al af.

Voor alle 12.000 wijken in Nederland wordt een plan opgesteld hoe ze tot 2050 duurzaam gemaakt kunnen worden. Nederland wordt hier voor opgedeeld in dertig ‘energie-regio’s’. Provincies, gemeenten en energiebedrijven moeten dan kijken wat per wijk de beste oplossing is.

Al over drie jaar moet iedereen in Nederland weten waar hij aan toe is. Bewoners krijgen inspraak en het kan voor veel mensen ook nog een flink aantal jaren duren voordat er echt iets verandert.

Hogere gasbelasting, ‘groene’ leningen

Om mensen te stimuleren om van het gas af te gaan, gaat de belasting op aardgas waarschijnlijk omhoog en die op elektriciteit naar beneden. Daardoor worden duurzame alternatieven goedkoper ten opzichte van de traditionele cv-ketel. Uiteindelijk zal het recht op gas verdwijnen en vervangen worden door een recht op warmte, is de verwachting. Het recht op aansluiting verdwijnt al op 1 juli aanstaande.

Volgens de plannen moeten particuliere huizenbezitters voor de verduurzaming van hun huis een lening met lage rente kunnen krijgen. Die is dan gekoppeld aan het huis en niet aan de eigenaar. Als iemand zijn huis verkoopt, gaat ook de lening over op de volgende koper.

Deze zogenoemde gebouwgebonden financiering moet voorkomen dat mensen de investering direct in hun portemonnee voelen. Verlaging van de energiekosten moet de kosten van de lening afdekken.

Laatste details

De plannen zijn nog niet allemaal af, maar technisch wel zo goed als rond. Over de invulling van details wordt nu nog onderhandeld. Zo moeten de banken een ‘groene lening’ ontwikkelen en zitten er nog juridische haken en ogen aan de gebouwgebonden financiering.

Uiteindelijk moeten het kabinet en de Tweede Kamer beslissen hoe het wettelijk kader van het akkoord er precies uit komt te zien.

Voor het klimaatakkoord wordt aan zes ’tafels’ gesproken over alle aspecten die erbij komen kijken. De verduurzaming van huizen komt aan bod bij de tafel ‘gebouwde omgeving’. In andere gespreksrondes gaat het over de verduurzaming van de elektriciteitsproductie, de industrie, de transportsector en de landbouw. De ‘gebouwde omgeving’ heeft van alle klimaattafels de laagste doelstelling als het gaat om CO2-reductie, maar de maatregelen komen wel bij ons allemaal over de drempel.Een overzicht van het ministerie met de verschillende ’tafels’ minezk.nl

Naar verwachting kunnen in 2030 zo’n miljoen huizen van woningcorporaties zijn aangepakt, de helft van de totale voorraad sociale huurwoningen. Een paar duizend wijken kunnen bijna volledig CO2-neutraal gemaakt worden omdat de verduurzaming gecombineerd kan worden met al bestaande renovatieplannen.

Daarnaast kan tot 2030 ook bijna een kwart van de vier miljoen eigendomswoningen worden aangepakt. In totaal moeten er naar verwachting voor 2030 bijna twee miljoen woonhuizen verduurzaamd worden om aan de kabinetseisen van het klimaatakkoord te voldoen.

De doelstellingen voor CO2-reductie vloeien voort uit het regeerakkoord, waarin staat dat de CO2-uitstoot in Nederland in 2030 bijna gehalveerd moet zijn ten opzichte van 1990. In 2050 moet Nederland volgens het internationale klimaatakkoord van Parijs, net als de rest van de wereld, zo goed als CO2-neutraal zijn.

In grote en middelgrote steden zullen in veel wijken warmtenetten aangelegd worden om het aardgas te vervangen. Die warmtenetwerken moeten draaien op restwarmte van de industrie en warmte die opgepompt wordt uit de aarde met behulp van geothermie.

Nieuwbouwwijken zullen vaak volledig elektrisch worden, ook voor de warmtevoorziening. Het gaat dan meestal om een combinatie van een warmtepomp en zonnepanelen.

Op sommige afgelegen plaatsen zal gas voorlopig nodig blijven, maar idealiter zo snel mogelijk vervangen wordt door ‘groen’ gas of waterstof. Die huizen krijgen hybride cv-installaties die op elektriciteit draaien maar op hele koude winterdagen ook over kunnen schakelen op gas.

Mensen hoeven niet allemaal als een dolle naar de bouwmarkt te rennen.

Deelnemer klimaatonderhandelingen

Voor huizenbezitters lijkt de boodschap dat we het kalm aan kunnen doen. Zolang niet duidelijk is wanneer je wijk van het gas af gaat en wat ervoor in de plaats komt, is het ook lastig om te bepalen hoe je je huis het beste kunt verduurzamen. Isoleren is altijd goed, zegt een van de betrokkenen, en een paar zonnepanelen op je dak kunnen ook geen kwaad. Verder is het raadzaam om af te wachten wat je gemeente voor wijkoplossing heeft bedacht en dan de maatregelen te nemen die daar bij aansluiten.

Hoewel er dus heel wat op stapel staat, kunnen de meeste mensen voorlopig het beste afwachten. Of zoals een van de deelnemers aan het klimaatakkoord het formuleert: “Mensen hoeven niet allemaal als een dolle naar de bouwmarkt te rennen”.

 

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

 

Verkenning Brede Welvaart 2018 – Circulaire economie, gedrag en beleid.

mei 2018

Burgers en bedrijven steunen circulaire economie, maar niet als het hen zelf geld kost

 

Burgers en bedrijven vinden het legitiem dat de overheid beleid voert om tot een meer circulaire economie te komen. Het draagvlak voor circulaire maatregelen neemt echter af als deze groepen zelf de pijn ervan voelen. Inzicht in het gedrag van burgers en bedrijven, en vooral in de beweegredenen achter concrete gedragingen, helpt om effectief circulair-economisch beleid vorm te geven. Dit zijn enkele van de conclusies uit de ‘Verkenning Brede Welvaart 2018 – Circulaire economie, gedrag en beleid’, een coproductie van het Planbureau voor de Leefomgeving, het Centraal Planbureau en het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Klik hier om verder te lezen     >  rapport CPB 30 blz.

 

 . . . 
<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .

In Zaandam wordt straks één zonnepaneel per minuut gemaakt

Daniël Kuijk (r) en Bert Schouws in de hal waar zij eind dit jaar beginnen met de productie van zonnepanelen

Daniël Kuijk (r) en Bert Schouws in de hal waar zij eind dit jaar beginnen met de productie van zonnepanelen © Jean-Pierre Jans

Terwijl ook deze industrie bijna helemaal naar Aziatische lagelonenlanden is verkast, opent nog dit jaar een zonnepanelenfabriek bij Zaandam. ‘Dit is blauwekielenwerk zonder blauwe kielen.’

De laatste stap in het maken van zonnepanelen laat zich vergelijken met het bakken van tosti’s. Het acht meter hoge bakbeest dat de op printplaten geplakte zonnecellen straks gaat lamineren, wordt door de initiatiefnemers van zonnepanelenfabriek Energyra omschreven als een soort tosti-ijzer.

Ze ontvangen in een nog vrijwel lege fabriekshal in Westknollendam, het noordelijkste puntje van de Zaanstreek. Vanaf eind dit jaar komt hier één zonnepaneel per minuut van de band – vijf dagen in de week, 24 uur per dag. “Hier komt het grote monster,” zegt Daniël Kuijk wijzend.

In het één voetbalveld grote pand werden tot twee jaar geleden stoomcabines en bubbelbaden gemaakt. De nieuwe fabrieksvloer glimt nog helemaal. Op haar step rijdt het dochtertje van de fotograaf door de hal.

Zo’n uitgestrekte vloer vraagt daar ook wel een beetje om, dat snappen ze bij Energyra. “Toen de hal leeg kwam, konden wij het ook niet laten,” zegt Bert Schouws. “We hebben toen even een balletje getrapt.”

Onderscheidende plannen
In de fabriekshal gaat Energyra iets doen wat niet meer voor mogelijk werd gehouden. De productie van zonnepanelen is de laatste tien jaar bijna helemaal naar het Verre Oosten verplaatst. In Europa konden fabrikanten het niet meer bolwerken.

Vorige week bleek nog dat plannen voor een assemblagefabriek voor zonnepanelen in Oost-Groningen zijn afgeblazen.

Het bedrijf achter de fabriek, zonneparkontwikkelaar Powerfield, ziet ervan af omdat de importtarieven van de EU op goedkope Chinese zonnepanelen worden verlaagd, terwijl de export naar de VS juist duurder wordt, als gevolg van president Trumps ‘America First’.

350.000

Energyra verwacht in de nieuwe fabriek met voorlopig één productielijn 350.000 zonnepanelen per jaar te maken.

Toch belemmert dat Energyra niet de productie van zonnepanelen terug naar het Westen te halen – heel symbolisch, naar het oudste industriegebied van Europa. Het verschil is volgens Kuijk dat de Groningse plannen zich te weinig onderscheidden van de Aziatische concurrentie.

Begonnen als werkgelegenheidsproject voor een krimpregio was het de bedoeling te beginnen met 180 arbeidsplaatsen. Dát lijkt hem inderdaad een gevecht dat Europa niet kan winnen. Dan kom je immers bij de bekende beelden uit lagelonenlanden. “Rijen arbeiders die met kapjes voor hun mond zitten te solderen.”

Dat zijn overigens niet de zonnepanelen die Energyra wil maken. Het bedrijf gaat ze maken volgens een technologie die is ontwikkeld door de Noord-Hollandse energieonderzoekers van ECN, zonder het opzichtige, hoekige rasterpatroon dat de zonnecellen met elkaar verbindt. “Dat is een van de zwakke punten van de traditionele zonnepanelen.”

Extra lange levensuur
In de hitte overdag zet het glas uit, ’s nachts koelt het af en krimpt het. “Het rekken en krimpen zorgt voor kleine breukjes, waardoor de zonnepanelen langzaam maar zeker degraderen. Na vijftien jaar is de capaciteit twintig procent afgenomen,” zegt Schouws.

Bij de Energyrapanelen wordt de stroom naar de onderkant afgevoerd via een geleidende lijm, een vondst van ECN. “Daardoor zijn er geen soldeerverbindingen die na verloop van tijd verbroken kunnen worden.”

De zonnepanelen van Energyra, waarvoor het bedrijf een garantie voor 30 jaar afgeeft, laten zich ook beter recyclen. Zonder soldeerverbindingen komt er geen fluor, lood of tin aan te pas. “In de aanschaf zijn ze ietsje kostbaarder, maar doordat ze langer meegaan, zijn ze per kilowattuur toch steeds de goedkoopste,” bezweert Kuijk.

Dankzij de minder breekbare deklaag zijn ze ook geschikt voor landen met veel sneeuw en hagel

Powerfield, maar ook andere ontwikkelaars van zonneparken, hebben daarom al aangekondigd bij Energyra te bestellen, zodat de fabriek voor de productie van het eerste jaar al bijna zeker is van voldoende afnemers.

Kuijk en Schouws hoor je ook niet zeggen dat de hele zonnepanelenproductie op den duur terugkomt naar Europa. Ze mikken op een niche van klanten die snappen dat tegen de hogere prijs ook een extra lange levensuur staat.

De ECN-techniek maakt het ook mogelijk zonnepanelen te maken die bij uitstek geschikt zijn voor een warm klimaat of juist, dankzij een minder breekbare deklaag, voor landen met veel sneeuw en hagel.

Niet op de Chinese manier
Door het werk in de fabriek te robotiseren blijven de kosten binnen de perken. “Zo hebben we het lagelonenvoordeel van de Aziatische landen vrijwel volledig geneutraliseerd,” zegt Schouws. Bij Energyra kunnen straks vijf mensen de hele productielijn runnen.

Met drie ploegendiensten voor vijf dagen in de week en in totaal ongeveer veertig man personeel verwacht Energyra rond de 350.000 panelen per jaar te maken. En dat is met één productielijn. De fabriekshal in Westknollendam is groot genoeg voor een tweede rij machines.

Ook Energyra is in 2013 begonnen als crisisproject, als plan om de maakindustrie terug te brengen naar deze regio. ‘Trots op wat we kunnen en niet op wat we kletsen,’ zo omschrijft Energyra het wervend.

Maar in de krappe arbeidsmarkt van 2018 is wel duidelijk dat het daarbij niet meer om werkgelegenheid te doen is. “Wij snappen ook wel dat je het hier niet op de Chinese manier kunt aanpakken. Om in Nederland te produceren moet het op deze manier: met robots en een handjevol hoogopgeleide procesoperators. Wij zijn een blauwekielenbedrijf zonder blauwe kielen.”

Voor de regio betekent de nieuwe fabriek een versterking van deze innovatieve sector en de mogelijkheid om de technologie van ECN zelf te gelde te maken. Daar heeft het ook wel aan ontbroken sinds de productie van zonnepanelen bijna is verdwenen uit Europa. “Geen zonnepanelenfabriek in de wereld die niet is gebouwd met Nederlandse techniek.”

. . . 

<@&@&@&@&@&@&@&@>

. . .